 |
|
Verscheydentheyt van spijse doet eten
|
05 Okt '05 -
|
 |
Helaas, het eens zo krachtige fundament, waar deze
hut (http://www.dreadloki.com/pivot) op rust, valt niet meer op te
lappen. Stutten, stukadoren of metselen, het mocht allemaal niet meer
baten. Voor de vervolgcursus “Amateuristisch geklungel met allerlei
lettertekens, deel 12” verwijs ik u gaarne door naar:

http://www.dreadloki.com/
… alwaar dit gênante hoorspel zich schaamteloos voort zal zetten, volgens een ietwat frequentere programmering. Zo heeft de bestuurscommissie althans besloten.
Wijzig dus, indien van toepassing, al uw verwijzingen, hyperlinks,
feeds, bookmarks et cetera; dat houdt de kastelein tevreden.
Edoch, dit oude vehikel laat ik intact voor de drommen spammers,
tatoeage-connaisseurs, vermeende bendeleden, rechts-extremistische
kleuters en erkende psychologen die hier nog met regelmaat vertoeven.
Neem een kind zijn speelplaats af en het begint rottigheid uit te halen, nietwaar?
Dus, … verspreidt het evangelie en schaf uw voedselbonnen voortaan aan op:
http://www.dreadloki.com/
Ik hoop u weldra tegen het lijf te lopen, in de nieuwe vleugel. De koffie staat reeds klaar. |
 |
|
|
|
Maligne
|
17 Aug '05 -
|
 |
Voor zover ik mij kan herinneren ben ik altijd al driftig geweest. Dat
onwaardige sujet met mondkapje, die de gore moed had mij een pets op
mijn achterwerk te verkopen, terwijl ik luttele seconden daarvoor nog
warm en beschut in mijn vochtige holletje zat, wens ik nog altijd tot
in de lengte der dagen een hardnekkige galsteenkoliek toe. Als dat
warme moederding met die zachte vleesbergen mij niet had gekoesterd,
had ik zeker weten gepoogd zijn neusgaten vol te pissen. Ook al hing ik ondersteboven.
Voor de rest van mijn zuigelingentijd schoot het ook
niet op. Een hoop onmacht, schrijnende billen, bemoeizuchtige
vrouwmensen en ladingen smerig voedsel waar ik nooit om had gevraagd.
Enfin, ik vertel u niks nieuws, mag ik aannemen.
Op de lagere school ging het al niet veel beter. Meer dan eens
verzochten mijn "klasgenoten" mij de watertemperatuur van het
gemeenschappelijke closet te meten, van binnenuit. Bijkomend voordeel
daarvan was weer dat ik mijn dagelijkse lunchpakket uit diezelfde
retirade kon vissen. Met mijn tanden.
Nee, echt op m’n gemak voelen tijdens die periode,
dat kwam er amper van. En omdat ik merendeel van de tijd binnenshuis
spendeerde, was het niet meer dan logisch dat ik mijzelf stortte op m’n
meest voorname hobby: de wetenschap.
Biochemie, daarin kon ik veel van mezelf kwijt. En waarom? Wie zal het
zeggen, misschien omdat ik tot op dat moment kwaad was op alle
sociaalgerichte organismen waarvan de mens mijn minst favoriete was. Ik
weet nog goed dat de buurvrouw bij mijn vader kwam klagen, omdat ze
haar geliefde Tobias (Abessijn, katachtig, vrouwelijk, abrikoos, driedubbele zwarte bandenmarkering, zeer agressief)
al dagen kwijt was en haar zopas achter één van onze ramen meende te
ontwaren. Onzin natuurlijk, sinds ik subject #5124D de dag daarvoor
succesvol had gekruist met subject #5226P (Tibetaanse Mastiff, Canis familiaris, mannelijk, zwart met witte bef, overdadig aanhankelijk), dus dat was pure stemmingmakerij van haar kant. Hersenspinsels, meer niet.
Een dag later kwam mevrouw de Smeedt aankakken, uiteraard met hetzelfde verhaal. Idioten zijn het.
Mijn vader liet het wel uit zijn hoofd, een
dergelijke zaak bij mij na te vragen. Mijn vader, die was een beetje
bang voor mij, en daar had dat litteken boven zijn rechteroog alles mee
te maken. Zo gek is dat niet. Ik wilde chocoladekoekjes, geen bord vol
laffe peultjes. Toen het er naar uitzag dat het pak koekjes gesloten
zou blijven voor de rest van de dag, wierp ik mijn vork. Beste worp
ooit, zou ik nooit meer evenaren, sinds ik “sport” in al zijn vormen
haatte – jammer genoeg trof ik slechts zijn wenkbrauw. Nadien liet hij
mij met rust.
Biochemie dus. Wat zal ik zeggen. Liefde, nee, liefde voelde ik niet
voor mijn creaturen. Eerder een soort … verwantschap. De
geestesgesteldheid van de ware verschoppeling. Evengoed, ik kon mij er
prima mee uitleven. En het stemde me tevreden. Tegenwoordig noemt men
het met een mooi woord “genmanipulatie” of “moleculaire genetica”.
Puur haantjesgedrag, meer niet.
Ik kan in elk geval gerust beweren dat mijn
liefhebberij me door de jaren heen sleepte, want ook mijn middelbare
schoolperiode kende zijn kartelrandjes. Meer van hetzelfde: nog altijd
wilden mijn "medestudenten" weten wat de gevoelstemperatuur was van het
water in het closet, een hoop pukkels, foute kleding - mijnerzijds,
bleek veelal -, vuile onderbroeken, te grote onderbroeken, lelijke
onderbroeken en een aanhoudend geval van krentenbaard. De korsten
wisten van geen wijken. Dat de andere sekse nauwelijks tot geen
interesse in mij toonde, mag evident heten.
Ik richtte me geheel op mijn schoolprestaties,
haalde daar de hoogste score ooit en besloot Technische Natuurkunde te gaan
studeren. In de vrije uurtjes bekwaamde ik mijzelf in de leer van
kernfysica. Ik betrok een flatje, niets bijzonders. Niemand zocht me
op, niemand nodigde me uit. Drinken deed ik niet en ik sprak zelden
iemand, tenzij je de caissière van de supermarkt meerekende. Mijn
ouders stierven terwijl ze op vakantie waren aan een
voedselvergiftiging en ik nam naderhand niet de moeite om ze over te
laten vliegen. Ze werden ter plekke begraven.
Ameland, geloof ik.
Van de buurvrouw kreeg ik een puppy uit een nestje,
anders zou ze die beesten toch maar verzuipen. Het was een leuk ding,
maar ik kwam nooit toe aan het verzinnen van een passende naam.
Voordien had het beest mijn favoriete stoel al ondergescheten. We
besloten uit elkaar te gaan - ik mijn miezerige flat, hij op de bodem
van het meertje een paar kilometer verderop. Ik besloot het erbij te
laten, voor mij geen gezelschap meer.
Mijn studieperiode was in die zin uitstekend dat mijn klassikale
collega’s mij links lieten liggen, een willekeurige aframmeling
daargelaten. En natuurlijk sloeg ik wel eens terug, maar dat moest ik
vrijwel altijd bekopen met een bezoek aan de campusarts. Die overigens
net zo goed een hekel aan mij had. Men vroeg mij wel eens waarom ik
altijd zo korzelig keek. Ik antwoordde daarop dat het leven één grote
aaneenschakeling van ellende was, met zo nu en dan een explosie van
uiterste rampspoed. Er was weinig reden tot optimisme.
Afstuderen was een eitje; had het gekund, was het summa cum laude
geweest – nu moest ik het slechts doen met “lof”. Een passende baan
vinden bleek evenwel onmogelijk. Ik koos voor accounting.
Domme zet.
Vijfenveertig jaar later mocht ik eindelijk met pensioen. Elke dag
hetzelfde, tergende ritme. Dezelfde collega’s, dezelfde lunchpakketten.
Dezelfde instant-koffie. Oh ja, en cijfers, cijfers, en nog eens
cijfers. Ik kon het destijds niet opbrengen een andere betrekking te
zoeken. De regelmaat, hoe gezapig en ongeïnspireerd ook, beviel me wel.
Daarbij, elke poging tot afleiding leek gedoemd tot mislukken.
Vakantie? Eén en al ergernis. Kotsende Engelsen, schreeuwende koters,
gebrekkige service en kwalijke accommodaties. Nee, regelmaat had ik
nodig.
Die moest ik nu zelf zien te vinden. Mijn collega’s
scheepten me af met een rieten mand, gevuld met diverse
koffie–en-theesoorten en een kaartje: “Flikker op en blijf weg.”
Zodra mijn pensioen aanbrak, ontving de leegte mij
als een donker wak. Ik probeerde te tuinieren, maar een tuin had ik
niet. Ik dacht aan de bridgeclub, maar ik realiseerde mij dat ik de
mensheid nog altijd oprecht haatte. Laat staan kaartspelletjes. Ik ging
naar de platenzaak om een mooie platencollectie op te bouwen, maar ik
verdroeg die herrie niet. Ik waagde mij wel eens aan een potje
biljarten in het café, maar het verlies greep me bij de strot. De
constante sigarettenrook trouwens ook. Ik keerde huiswaarts, bleef daar
en besloot mijn oude liefde op te pakken. Kernsplijting, daar zag ik
veel speelruimte in.
Inmiddels sta ik op het punt om de bestaande set regels aan te passen.
Een beetje spelen met beryllium en deuterium, uit de losse pols
hannesen met de zogenaamde kritische massa en voilà: dit massieve
apparaat, dat ik de “Plooibewerker” zal noemen, zal ervoor zorgen dat
ik nooit meer boos hoef te zijn. Zo dan, één druk op de knop, en over
een paar seconden zullen al mijn zorgen weg zijn. Alle kwaadaardige
elementen zullen hiermee uit de samenleving gesneden worden.
…
Eh, … wacht ee- |
 |
|
|
|
Abusievelijk
|
03 Aug '05 -
|
 |
Diep van binnen wist ik het de hele tijd. Had ik maar de moed gevat
oprecht naar mezelf te kijken, dan had ik al deze ellende misschien
kunnen voorkomen. Maar eigenlijk is het niet meer dan logisch. De homo
sapiens, met zijn constante drang naar aanhankelijkheid, blijft in de
essentie niks meer dan die pasgeboren baby wiens navelstreng zojuist
onwennig is doorgeknipt. Zodra dat bundeltje bloedvaten de verbinding
met de moederkoek verliest, zal die persoon zich de rest van zijn
actieve bestaan aan andere zaken trachten te hechten. De druppelende
moedertiet, een speelgoedje of misschien wel de illusie van de ware
liefde.
Diepgekoesterde verlangens komen nu eenmaal met gebreken.
Zo liefkoos ik alle dagen van de week mijn immense verzameling
gedroogde oren en vingers. In het verleden verzamelde ik ook de ogen,
maar dat was geen doen. Het verwijderen ervan gaf enorm veel troep, ze
bleven zelden heel en naderhand bleek veelvuldig dat ze als eerste aan
het rottingsproces onderhevig waren. Had ik maar de juiste
conserveringsmethode weten te vinden. Mijn collectie zou inmiddels
museumwaardig ogen.
In de asbak, op het enige tafeltje dat mijn appartement (nou ja,
appartement; een bedompt kamertje, meer niet) rijk is, rust een halve
joint. Ik steek hem aan, begin onbedaarlijk te hoesten totdat het rauw
aanvoelt en denk:
‘Niet slecht.’
Ik neem nog een trekje en laat me achterover vallen
op m’n bed. Stof dwarrelt in een opwaartse beweging naar het plafond.
Ik blaas een slordige kring rook uit en contempleer. Waarom heeft men
het in vredesnaam op mij voorzien? En waarom wekte zij de indruk dat ze
in mij een geschikte partner zag? (ongetwijfeld omdat ik vrijpostig
beweerde een meester in de edele kunst van cunnilingus te zijn, waarop
zij welwillend glimlachte – maar dat is slechts een veronderstelling
van mijn zijde) Mijn gehavende ego verdroeg nauwelijks nog additionele
kerven! Het altruïsme ligt mij niet, dat moge ondertussen duidelijk
wezen.
Over het plafond loopt een spoor van bruine
bloedspetters. Of is dat wijn? Ik volg het langs de muur en eindig bij
een uitgedroogd plasje op de grond, pal naast de badkamerdeur. Deze
staat op een kier, maar ik bespaar me de moeite trachten te achterhalen
wat zich daar heeft afgespeeld. Ik weet het immers al. En mijn
nekspieren hebben wel wat beters te doen.
De telefoon gaat.
Geschrokken draai ik mijn hoofd in de richting van het rinkelende
apparaat en verdraai bijna mijn nek. Waarom stond het volume zo hoog?
Ik vis het toestel onder mijn hoofdkussen vandaan en neem op.
‘Hé maatje, hoe is het nou?’
‘Best,’ antwoord ik duf.
‘Nou, met mij niet zo, hoor. Ik weet het niet meer,
hoe dat tegenwoordig allemaal nog in zijn werk gaat. Al die
ingewikkelde dingen, allerlei handelingen die je moet verrichten,
slechts om een pak melk te kopen bij de super. Ze beweren dan wel dat
je leven er makkelijker door wordt, dat je meer tijd over houdt voor
belangrijkere zaken, maar niks van dat alles! Niks simpel, verdomme!
Het is één groot rariteitenkabinet, met papieren hoedjes en teveel
kleurstoffen. Preparateurs die zich serieus wagen aan het restaureren
van parkieten. Ik heb al meer botjes in mijn oorschelp dan zo’n kuttige parkiet ooit kan breken!’
Ik steek mijn hand in mijn broeksband en krab eventjes aan m’n
schaamhaar. Een verlammende pijn schiet van mijn schaamstreek naar mijn
stuitje. Het rokertje, hoewel op zijn einde, steek ik nog eens aan en
inhaleer diep. Als ik hem bekijk zit er een rode veeg op de filter. De
persoon aan de andere kant vervolgt:
‘En wat dacht je van rustige boswandelingen, hm? Ook
te sullig voor woorden, echt waar. Het piept, het ruist en het kraakt,
maar een oase van rust? Ha! Een duik in een maalstroom brengt me al
meer tot rust! Laatst, trouwens, laatst droomde ik dus dat ik door een
tunnel moest lopen. Je weet wel, zo’n betonnen pijp waarmee ze het
rioolwater naar de zuiveringsinstallatie pompen. Maar wat denk je? Die
tunnel stond nokkievol met mensen, van begin tot eind, naakt! En dan
bedoel ik echt wanstaltig, poedeltje naakt!’
Voor het eerst raak ik echt geïnteresseerd in mans monoloog. Ik ga een beetje overeind zitten.
‘Nou, je raadt het waarschijnlijk al, op een gegeven
moment moest het gebeuren. Helemaal aan de andere kant, dáár moest ik
heen.’
Ik denk aan moord, onthoofdingen, uitbenen en brute
verkrachtingen, allemaal op basis van het alom beschikbare
videomateriaal - maar ik realiseer mij dat menig mens dagelijks
worstelt met de gedachte om iemand iets in die trant aan te doen, het
zelf te ervaren en tegelijkertijd dat zoiets niet kan. En ook niet mag.
Taboes. Rationaliteit. Het zou wat.
Ik moet een hand op mijn mond drukken om het grinniken te onderdrukken. Het doet pijn, maar het voelt zalig.
‘Nou, echt waar man, ik dacht dat ik gèk werd! Al
die lubberende lijven, al die harige holtes en die bleke, zweterige
velletjes. Een zonnebril had ik godverdomme nodig, puur en alleen
vanwege die blinkende bilnaadjes! Elke toges daar leek me aan te
staren! Was het maar een strontbuis geweest, dan had ik die narigheid ten minste eenzaam kunnen verdragen! En dan nog wat anders …’
Een hoop gekras, gekraak, een luide klap, gevloek op
de achtergrond en dan even niks meer. Luttele seconden later een
volslagen andere stem aan de andere kant van de lijn:
‘Taxi goedenavond, zegt u het maar.’
‘Ik heb geen taxi besteld.’
‘U hebt ons anders wel gebeld.’
‘Werkelijk?’
‘Jazeker.’
‘Hm, curieus. Oh wacht, ik snap hem al. Ik ben
waarschijnlijk op mijn telefoon gaan zitten, en zodoende heb ik per
ongeluk op redial gedrukt. (heb ik gisteren een taxi gebeld?) Nou goed, excuus daarvoor.’
‘Geeft niks. Prettige avond verder.’
‘Van hetzelfde.’
Er wordt opgehangen, juist als ik nog wil vragen waar die andere persoon gebleven is.
Een diepe zucht, en ik laat me weer achterover vallen. Weer een
stofwolk. De taxi, natuurlijk. Ik denk terug aan gisteravond. Ik denk
aan jou. Aan je ravenzwarte haren. Aan je uitdagende kledij. Aan je
lach, vol zelfverzekerdheid. Je volmaakt rechte tanden. Als je sprak
zongen de woorden tot mij. Ik zie weer voor me hoe je die mafketel
afpoeiert, terwijl hij daar maar blijft staan, als een grijnzende
idioot wiens kunstgebit twee maten te groot is. Ik denk aan ons
gezamenlijk ritje, naar mijn appartement. Ik zag je denken, terwijl je
de deplorabele staat van mijn kamer in je opnam. En ik wist dat ik in
je ging snijden, alleen al vanwege die blik. Ik zou in je snijden tot
ik er genoeg van had en dan zou ik toekijken hoe de vleesvliegen hun
eitjes in je open wonden deponeerden. Het zal je verbazen hoe snel de
eerste maden uit hun eitjes kruipen en dan beginnen met het verteren
van jouw weke delen. Kijk maar eens in mijn badkuip. Maar je doorzag
me, nietwaar? Je voelde het, het hing al in de lucht, het kroop via je
ruggenwervels omhoog naar je medulla oblongata, niet?
Een godvergeten blinde vlek.
Maar je vergist je, als je denkt dat je van me af bent. Ik ga je
zoeken. En vinden. Ondanks de kogel die nu pijnlijk begint te pulseren
in mijn maagwand. Slim hoor. Erg slim. Je kijkt ernaar, je denkt dat
het een grapje is, lachwekkend op z’n minst. Een stukje speelgoed, meer
niet. En zoals dat ding afging, gisteravond laat, dan meende je stellig
dat het een klappertjespistool was. Nee, daar is over nagedacht. Wie
weet wat voor rotzooi het momenteel is, daar, onder dat sluimerende
gaatje, vlak boven mijn navel. De huid krult in rafels omhoog, bloed
golft er met elke ademteug uit. Het doet het er niet toe. Ik ga je toch
wel vinden. Ik was het per slot van rekening, die jouw taxi belde,
vanuit hier. Altruïsme, waar of niet?
En dat café, daar ga je vast nog eens een borrel
pakken. Let maar op. En dan zal ik er zijn. Ik zal er zijn, om je strot
dicht te knijpen. En dan zal ik alsnog in je gaan snijden. Iedereen
heeft iets nodig om zich aan vast te klampen, reken maar. Teergevoelige
zaken, of domweg de vleselijke lust. Oren en vingers, oren en vingers.
Ik sluit mijn ogen, eventjes maar. Een beetje rust, alleen maar een
beetje rust. Meer heb ik niet nodig.
Straks zoek ik je op. |
 |
|
|
|
Smeuïg
|
13 Jul '05 -
|
 |
De suggestie van een gangbare handelswijze, van gezond verstand,
daar begint het allemaal mee. Zo vraag ik mij af waar je aan dacht,
toen je ’s ochtends jezelf voor de spiegel bekeek en een rafelig, kort
spijkerrokje aantrok en daarboven een ruimvallende, roze sweater. Met
capuchon. En een paar kniehoge, rode laarzen om het plaatje sluitend te
maken. Misschien dacht je aan kerels die steevast met de duimen naar
achteren lopen. Misschien dacht je aan twaalfjarigen die elkaar
luidruchtig via hun mobiel wijsmaken dat een Spaanse Vlieg helemaal
geen vlieg is, maar een uitgedroogde kever. En dat je dan bedenkt dat
het onvoorstelbaar is dat een twaalfjarige mogelijk zou weten wat
priapisme werkelijk inhoudt. Alle medereizigers zouden ervan opkijken,
nietwaar?
Zo kan ik mij buitengewoon irriteren aan dat
billboard (niet die ene, die is goed, zoniet geweldig) met daarop een
jongeman, gehuld in een spijkerbroek, wit jasje en een nietszeggend,
geel T-shirt. En het dan "trendy" kleding noemen. Hmpf. Alsof je nu geestdriftig moet joelen, als een bende
aapjes. Wat een innovatie! Je zou hem met plezier vastsnoeren, een
trechter in zijn smoelwerk proppen en er een emmer vol sperma ingieten.
Des te groter jouw verbijstering vermoedelijk, toen
ik je recht in je ogen aankeek, terwijl ik de verse hondenpoep met m’n
handen van de straat opschepte en het zonder moeite in mijn mond
schoof. Ik kauwde erop (voor zover dat mogelijk is) als een hongerig
kind op een rot stuk vlees. En jij, krijsend, walgend, kokhalzend,
terwijl het klakkende geluid van je laarzen rücksichtslos door het
plaveisel werd geabsorbeerd.
Nee, jij ging er natuurlijk vanuit dat de logica jou
zonder mankeren van begin tot eindpunt zou vervoeren. Maar het leven is
niet logisch, nooit geweest ook. En een streekbus is geen metafoor voor
het leven, laat staan de logica. Het leven is niet rationeel. Zij heeft
geen vaste dienstregeling, en hoewel de weg naar de dood bezaaid is met
diverse haltes zijn deze niet netjes gerangschikt. Eerder willekeurig.
Je denkt: ik knoop mijn veters, dus ik besta. Mijn oma ligt in het
ziekenhuis, dus ga ik op bezoek met een zelfgetekende kaart. Allemaal
volkomen logisch. Ongecompliceerd, van begin tot eind. Slapen, neuken,
opstaan, ontbijten en dan met de bus naar je werkplek – zo kun je de
realiteit uittekenen.
Maar dat is slechts schijn.
Af en toe dendert de onredelijkheid langs, als een
dolle stier, neemt dan jouw ongetrainde lichaam op de hoorns en smijt
je vervolgens weg als een opengescheurde zak aardappelen. En voordat je
het beseft ben je geen toeschouwer meer, maar een ongewilde
participant. En de logica? Die denkt: zojuist blies een twaalfjarige
jongeman, ergens op deze planeet, zichzelf en een legerpost op met een
trits bommen. Terwijl de hulpdienst naderhand zijn ingewanden van de
straat veegt, denkt zij: een Spaanse Vlieg, daar had hij nog nooit van
gehoord en dat zal ook niet meer gebeuren. Verderop in jouw straat aait
die aardige buurman van vierendertig B zijn dochter nog eens over haar
bol. Ze deinst terug, maar meer ook niet. Vanavond zal vader weer naakt
bij haar in bed kruipen, want in haar beleving is dat ondertussen
volkomen logisch. Net zo logisch als een mijnwerker die zijn organen
kapot hoest na verloop van tijd, net zo logisch als een desolate vlakte
na een kernproef, en net zo logisch als een stuntman die de dood vindt
tijdens zijn lunchpauze. Dat is de logica die je vertelt dat een streekbus
geen metafoor is voor het leven, maar een hongerige haai die langs je
kuit strijkt, en wie weet – misschien zwemt hij ditmaal verder en laat
hij jou ongedeerd.
Uiteindelijk eindigt het toch met de bruinomrande waanzin. |
 |
|
|
|
Bonhomie
|
29 Jun '05 -
|
 |
Koud. Takken zonder bladeren. Autodaken waar de rijp zich tevreden op
nestelt. De straten bieden slechts een troosteloze aanblik, terwijl de
geur van boeuf rôti de huizen vult. Warm gestookte vertrekken met
tafels vol elegante glazen, rijkelijk gevuld met wijnen uit glorieuze
jaren.
De Lach schalt onophoudelijk.
Dit alles ging allemaal voorbij aan Otto. Argeloze voorbijgangers
zouden hem in vroegere tijden aanduiden als een vagebond - tegenwoordig
noemt men hem een doodgewone zwerver. En Otto, ooit door derden
geïntroduceerd als een erudiet mens, beschikt over nagenoeg afdoende
zelfkennis om dit te beamen.
‘Scheer je weg man, en zoek een baan,’ kreeg hij
meer dan eens te horen, als hij zich weer eens verwaardigde en een
passant om een aalmoes vroeg.
‘Weledelgestrenge heer, hebbu wellicht een paar knaken voor deze arme oude man?’ Hoewel uiterst beleefd gesteld, het baatte niet. Men liet hem veelal
zonder erbarmen achter, alleen met zijn schaamte. En Wammes, zijn
trouwe bastaardhond.
Zijn laatste bezigheden samenvattend, kwam hij tot de conclusie dat men
een persoon die de vele afvalbakken onderzocht in de hoop iets eetbaars
te ontwaren, met recht als een zwerver mocht bestempelen. Hij zou het
zelf ook liever anders zien, maar de Waarheid spaart niemand. Op andere
continenten kan men daarover meepraten.
De afgelopen dagen hadden voor hem weinig positieve randjes in petto.
Maar hij hield moed. Geluk en warmte zijn aardse zaken, en eenieder in
zijn leven kan rekenen op het deel dat hem toekomt, hoe miniem ook.
Mijmerend, onder de brug, en gehuld in zijn favoriete (en enige)
slaapzak, werd hij uit zijn lethargie gewaakt door een voorbij
fladderend pamfletje. Het bleef hangen aan zijn slaapgoed. Otto plukte
het eraf, en bestudeerde het belangstellend:
“Benefietdiner heden volgeboekt”
Deze simpele, doch sierlijk gedrukte woorden vervulden hem met een
melancholisch gevoel, een onstuitbare hang naar een verleden waarin
hijzelf de hoofdrol vertolkte aan een tafel, omringt door een
gezelschap dat hem nader stond.
‘Ach, dat men zich maar tegoed aan al die
lekkernijen doet. Het zij ze gegund, de saamhorigheid leeft in ieders
hart en het geluk zal zijn warme stralen loslaten op al die daar
getuige van zijn.’
Glimlachend verwarmde hij zich aan deze gedachte, en soesde geleidelijk aan in slaap.
‘Otto, … Otto Mollema, wakker worden. Wakker worden.’
‘Hurmz?’
Rochelend en krakend kwam Otto overeind.
‘Otto? Kom, wakker worden. Het is tijd.’
Otto kneep zijn ogen tot spleetjes, maar zag niemand. Hij wreef hard in zijn ogen, maar kon ook daarna niemand ontwaren.
‘Wie is daar? Laat jezelf zien. Ik ben slechts een
oude man, dorstig en louter in het bezit van klamme voeten.’
‘Kom, Otto, het is tijd. Sta op,’ sprak de stem tot hem.
Otto stond op. Hij begreep niet waar de stem vandaan kwam, maar voldeed
aan zijn verzoek, sinds de stem met compassie omfloerst was. Iets dat
Otto nog maar zelden meemaakte, in zijn hoedanigheid van een stinkende
hulpbehoevende. Eén met zweren en een natgescheten pantalon. Wammes
piepte even.
Hij zag het.
Aan de overzijde van de gracht, verankerd in de gevel van de kerk,
sprak de beeltenis tot hem. Otto gleed als het ware uit zijn slaapzak,
en dreef op satijnen kussens richting de kerk. Het verbaasde hem
nauwelijks dat hij, bij het achterom kijken, zichzelf nog altijd in de
slaapzak zag liggen, met Wammes aan zijn voeten. Zijn lichaam, vredig,
bevroren en voor altijd bevrijd van zijn aardse behoeften.
Futiliteiten, meer niet.
‘Arme Wammes. Het ga je goed, jongen.’
Terwijl hij naar de beeltenis dreef, voelde hij de warmte toenemen, en
de gloed van goedmoedigheid uitte zich, naarmate hij dichterbij kwam,
in een zachtgeel schijnsel. Hoewel Otto zichzelf nimmer als een gelovig
mens beschouwde, eerder één die de ratio boven alles verkoos, vervulde
het licht hem met de notie dat zijn leven nog nooit zo compleet was.
Hij sloot zijn ogen. Spreidde zijn armen uit. Aanzwellend psalmgezang
vulde zijn oren. En daar tussendoor kwam diezelfde stem terug, een stem
vol overtuiging, maar ook innig, als een vader die je eeuwige
bescherming garandeerde:
‘Ik, … ben je herder, Otto, en ik ken de mijne en de
mijne kent mij, gelijk mij de Vader kent en ik de Vader ken, en ik
riskeer mijn leven voor mijn schapen …’
Alsmaar dichterbij dreef Otto, zodanig dat hij de bron van het
alomvattende licht bijna kon aanraken. De stad was niks meer dan een
silhouet onder zijn voeten.
‘… andere schapen volgen mij, soms uit de andere
weide; ook die zal ik leiden en zij zullen naar zijn stem luisteren en
het zal verworden tot één kudde, één herder …’
Hij strekte zijn handen uit, en merkte dat de granieten structuur van
de beeltenis niet koud aanvoelde, maar levend. Levend met zachte
vormen. Levend met ademende poriën. Hij werd omvat door barmhartige
handen en liet zich zachtjes wiegen. Zo vertrouwd als de moederschoot
waarvan zijn essentie ooit ontkiemde.
‘En de glorie, die gij mij geschonken hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn …’
‘Oké, da’s allemaal prima enzo, maar hebbu misschien een paar knaken voor mij?’ |
 |
|
|
|
De kartelsnede van het verlangen
|
18 Mei '05 -
|
 |
Ah kijk, daar zul je Lodewijk net hebben. Neenee, niet die vadsige
kerel met zijn armen vol belegde kadetjes. Nee, dáár. Hij wandelt net
de slijter binnen. Niet gezien? Geen nood, hij zal weldra verschijnen.
In de tussentijd zal ik u vermoeien met wat
persoonlijke details over Lodewijk: zesendertig jaar, een op het oog
vriendelijk persoon, misschien een beetje gewoontjes. Dik, bruin haar
met een slordige scheiding aan de rechterzijde van de schedel. Met
opzet natuurlijk, vanwege zijn wijkende haarlijn. Bril met zwart
montuur, dunne lippen en een vale teint. Verder netjes geschoren,
onopvallende kledij en goedkope schoenen. U ziet; Lodewijk doet denken
aan een manager van de lokale supermarkt.
En net zoals iedere supermarktmanager heeft Lodewijk
zo zijn dromen en verlangens. Ook hij wil graag succes in het leven,
een beetje warmte & liefde, een goed gevulde koelkast en een keur
aan televisieprogramma’s om uit te mogen kiezen. Op de warme dagen
drinkt hij graag enkele pilsjes, liefst een Belgisch merk aangezien hij
ooit eens een weekje in Hasselt doorbracht. Oh, en ik moest erbij
vermelden dat hij dagelijks fantaseert over het anaal inbrengen van een-
Ah, daar is hij weer.
Nu dan, laten we hem even volgen. Waarom? Geduld, daar komen we zo op.
Let wel, Lodewijk is niet de hoofdpersoon van dit verhaal, die komt zo
aan bod. Je zou hem eerder een bijrol toedichten, hoewel zijn aandeel
verre van marginaal te noemen valt. Ziet u die plastic tas in zijn
hand, waarop in kleurige letters de naam van de slijter vermeld staat?
Hoort u het klingelen? Inderdaad, dat zijn meerdere flessen vocht.
Sterke drank? Ja, uiteraard, ik durf zelfs te wedden dat het wodka is.
Wodka van een goedkoper merk, dat wel.
Nu weet ik dat hij vlak om de hoek van de slijter
woont. Handig, niet? En warempel, zei ik het niet? Redelijk pand, niet
echt opvallend. Past mooi bij zijn kleurloosheid, nietwaar?
Mooi zo, terwijl Lodewijk de trappen bestijgt (hij woont op de derde
verdieping) neem ik u even mee naar de verderop gelegen winkelstraat.
Klopt, drie blokken verder en dan onder de poort door. Eens kijken,
nee, niet daar. Een paar winkels verder.
Hier.
Jawel, dit is een Marokkaanse bakker. En dit is
Saïd, een goede vriend van Lodewijk. Eén van de weinige, eigenlijk.
Saïd is een vakman, zijn vader heeft hem alles geleerd. Ziet er
allemaal lekker uit, niet? Vertel eens Saïd, wat is dat allemaal in de
vitrine?
‘Nou, dat daar is basbousa, een soort griesmeelcake,
en dat noemen ze sfenj. Sorry? Ehm, vruchtencake, daar lijkt het op. En
harsha natuurlijk, een kruimelcake. Ja, veel zoetigheid inderdaad, daar
houden we van in Marokko. Net zoals de thee. Willen jullie misschien
een kopje?’
Ja, graag. Jullie ook? Ja? Lekker Saïd, doe maar …
zeshonderd kopjes thee, alsjeblieft. En wat van die … sfinsj?
‘Nee, sfenj.’
Ah oké. Sfenj.
‘Regel ik, moment.’
Best een geschikte pief, niet? Uitstekend, terwijl Saïd aan de gang
gaat met de waterkoker, zal ik jullie Lodewijk’s onderkomen tonen. Die
loopt net de deur uit, maar geen nood; hij komt Saïd opzoeken, dus we
treffen hem spoedig.
Drie verdiepingen en geen lift, nee, dat valt niet mee eh? Vooral voor de notoire bankzitters onder jullie, hm? Haha.
Hier is het.
Eens zien of die loper daadwerkelijk past. Jawel,
prima zelfs. Zo dan. Nu, van harte welkom in Lodewijk’s paleis. Mjah,
hij is nu niet wat je noemt “opruimerig van aard”. De woonkamer ziet er
nogal smerig uit inderdaad, kan ik alleen maar beamen. Wees blij dat ik
zijn slaapkamer achterwege laat. Voor het moment, althans. Dat
gestommel? Scherp opgemerkt, komt uit de badkamer. Daar komen we ook
voor. Oké, allemaal even stil, alstublieft. Waarom? Merkt u vanzelf.
Mag ik u allen voorstellen, dit is Loes. Waarom ze
een prop in haar mond heeft lijkt me duidelijk, niet? Eh ja, het is een
tamelijk zootje. Waar al dat bloed vandaan komt? Nou, zoals u ziet is
Loes onvrijwillig beroofd van haar armen en benen - geamputeerd als het
ware – en die liggen daar in de hoek, naast de blindenstok. Ja, die is
van haar, zeker weten. Wat zegt u? Waarom ze maar blijft bloeden? Nou,
ziet u die halfvolle fles wodka, daar op de wastafel? En dat infuus
daar? Ha ja, als je slechts een romp tot je beschikking hebt, is de nek
waarschijnlijk de beste plek om zo’n infuus aan te brengen. Nou, drie
maal raden wat er in die infusiefles zit.
…
Precies.
Best ingenieus niet? Nou ja, Loes heeft het nogal
druk meen ik, dus laten we eens luisteren wat Saïd en Lodewijk te
bespreken hebben, oké?
‘Lodewijk, gaat ie man?’
‘Best.’
‘Met mij minder, beetje slecht geslapen vannacht.’
‘Hm.’
‘Moet je wat hebben?’
‘Doe maar thee.’
‘En iets te eten?’
‘Nee, ik hoef die zoete bende niet, ik krijg er pijn in m’n maag van.’
‘Oké, oké, rustig maar.’
Routineus prepareert Saïd de thee met suiker en de gewassen takjes munt
in een theepot. Voor de zekerheid legt hij wat koekjes op een schaal
ernaast. Lodewijk telt ze. Twaalf. Twaalf stuks. En de tegels op de
vloer, ook al weet hij dat het er exact tweehonderdtwintig zijn.
‘Hee Lo, heb jij er-‘
‘Lodewijk.’
‘Lodewijk, sorry, ... heb jij ervaring met slaapwandelen?’
‘Nee.’
‘Oh. Nou ja, ik hoorde dus laatst, van mijn oom, dat de buurvrouw van zijn schoonzus daar erg last van had.’
‘Ah hm.’
‘Eh, ja. Koekje?’
‘Nee, dank je.’
‘Nou, wat er dus gebeurde: die buurvrouw stond midden in de nacht in de slaapkamer en-‘
‘Van wie?’
‘Van wie wat?’
‘In wiens slaapkamer ...’
‘Oh! Eh, die van de buurvrouw.’
‘Ze stond dus midden in de nacht in haar eigen slaapkamer?’
‘Neenee, ze stond in de slaapkamer van haar buurvrouw. En dan midden in de nacht.’
‘Oh. Ok.’
‘Ze stond dus in die slaapkamer, midden in de nacht,
en zeek vervolgens op de vloer, gewoon, staand. En daarna kroop ze bij
de buurvrouw in bed.’
‘In haar eigen bed?’
‘Nee, die van haar buurvrouw.’
‘Oh.’
…
‘En?’
‘Ehm, niks, dat was het. Weet je, ik heb trouwens
een goed idee voor een T-shirt opdruk, misschien moet ik in die handel
gaan werken, denk je niet?’
‘Geen idee. Ben je hier niet tevreden dan?’
‘Nou, … nee. Niet echt nee. Ik bedoel, het is wel
prima hoor, thee zetten en cake verkopen, … maar er moet toch meer te
doen zijn?’
‘Misschien wel ja. Wat had je nou verzonnen voor dat T-shirt?’
‘Ohja, ehm … ik heb het opgeschreven, hier ergens. Ik heb er trouwens meer bedacht.’
‘Werkelijk?’
‘Ja, wacht, … waar is dat papiertje … ah! Hiero! Oké, let op:
“Rasecht”.
‘Goed hé? Maar ik heb er nog meer: “Rasdier”, “Rashond”, “Raspaard”, Raspen”, en-’
‘Ik snap waar je heen wilt. Goed hoor.’
‘Ja? Vind je?’
‘Ach ja.’
‘Oh man, weet je, als ik dit van de grond krijg,
neem ik net zoals die gasten in die videoclips een dikke vette auto,
mooie kleren en sieraden en elke dag een ander wijf. En dan stop ik ze
gewoon vol met champagne! Ha!’
Lodewijk houdt de rondvliegende insecten in de gaten. Hij telt er acht.
‘Heb je nog wat leuks gedaan trouwens, net zoals
laatst, met die dame van het Leger des Heils? Dat was grof, man!’
‘Nou, …’
Vijfentwintig minuten later tingelt de deur. Een meisje in een rolstoel
rijdt zichzelf moeizaam naar binnen. Lodewijk’s ogen vernauwen zich.
Saïd merkt het.
‘Hòòòi …, dat ziet er lekker uit, in die vitrine. Ik
wil wel graag wat van die koekjes van je kopen, kan dat?’
‘Tuurlijk,’ zegt Saïd.
Lodewijk observeert en ziet dat het goed is. Knap, blond, fris
gezichtje. Sprekende ogen. Een magnifiek stel tieten onder een shirtje
vol lovertjes. Hij telt ze. Ze merkt het.
‘Hai, alles goed?’
‘Eh, … zeker. Mooi shirt.’
‘Ooh, dank je! Gewoon op de markt gevonden hoor.’
‘Staat je, … eh, mooi. Echt.’ Bloosde ze nu?
Saïd vraagt haar welke koekjes ze wilt.
‘Ehm, … oh wacht, heb je misschien een toilet?’
‘Ja tuurlijk, hierlangs. Red je dat, met je … rolstoel enzo?’
‘Echt wel, ik ben wel wat gewend hoor.’
Behendig manoeuvreert ze inderdaad langs de toonbank, de gang op naar
de toiletdeur. Het is blijkbaar breed genoeg en ze kan – ondanks haar
handicap - kortstondig op haar benen staan. Ze laat de rolstoel op de
gang staan, sjouwt zichzelf naar binnen en sluit de deur achter zich.
Intussen, in de winkel, weet Saïd dat Lodewijk iets van plan is.
‘Ga je het doen?’
‘Sst.’
‘Maar ik wil je helpe-’
‘Sst!’
Lodewijk glijdt langs de toonbank, gebaart naar Saïd dat hij de
voordeur in de gaten moet houden en neemt een handdoek mee van de haak
in de gang. Uit zijn borstzak haalt hij een bruin flesje en giet wat op
de handdoek. Deze houdt hij wijselijk bij zijn gezicht vandaan. De
rolstoel schuift hij stilletjes opzij. Saïd kijkt gespannen mee om de
hoek. Lodewijk sist hem toe dat hij moest opletten.
Een zachte klik, de toiletdeur opent zich.
Een busje, met daarop een reclame-uiting in Arabisch schrift, stopt in
de straat. Lodewijk stapt uit, spiedt in het rond en controleert of er
iemand op hem zit te letten. Nee. Niemand. Hij opent de achterdeur van
het busje en sjouwt een gestalte over zijn schouder het huis binnen,
via het trapportaal omhoog. Een korte poos later keert hij terug bij de
bus, tilt een opgevouwen rolstoel eruit en rijdt deze naar binnen. Weer
even later stapt hij in de bus en parkeert deze drie straten verderop.
Terug in het halletje van de flat zet hij de rolstoel weg in zijn
berging. Hij moet eerst ruimte maken om het ding kwijt te kunnen. Langs
de wand staan nog (één, twee, drie …) drie andere rolstoelen.
‘Da’s voor latere zorg,’ mompelt hij voor zich uit, terwijl hij omhoog klimt en de traptreden telt.
Het meisje uit de winkel heeft hij op zijn smoezelige matras
vastgesnoerd. De telefoon gaat. Saïd. Vanuit de winkel. Hij vraagt of
het al begonnen is, ongeduldig als hij is.
‘Die klok schiet niet op man!’
Lodewijk hangt op, en ontdoet zich daarna van Loes
door de levenloze romp bedreven in stukken te hakken met een hakbijl.
Soepel gaat het allerminst, dus slijpt hij de bijl een beetje bij in de
keuken. Het meisje op zijn bed murmelt eventjes, licht gewekt door de
hak -en slijpgeluiden. Naderhand propt hij alle onderdelen in twee
koffers.
‘Oy, ik vergeet wat!’
De blindenstok breekt hij in drieën over zijn knie
en propt deze in één van de koffers. Tijdens het openen van de koffer
gulpt rode massa als een klas kinderen op hun laatste schooldag naar
buiten. Terwijl hij de koffer weer dicht perst, realiseert hij zich dat
het grootste karwei dan nog moet beginnen; het schrobben van de
badkamer.
‘Leuk idee, met die alcohol, maar de volgende keer moet dat anders.’
Al met al zal het hem in totaal twee uur kosten.
Zeventien uur veertien. Saïd sluit de winkel haastig af en snelt naar
de woning van Lodewijk. Vandaag heeft hij een record gevestigd:
opruimen, kassa opmaken en afsluiten in dertien minuut vierenveertig.
Gejaagd drukt hij op de bel in de galerij. Als hij eindelijk boven is
zwoegt zijn borstkas en is zijn kledij doornat van het zweet.
‘Kolere man, dat valt niet mee, eerst hierheen
rennen omdat jij die bus hebt en dan ook nog al die trappen op!’
‘Stil, anders wordt ze wakker’, zegt Lodewijk
terwijl hij naar zijn slaapkamer gebaart. Hij start net het
wasprogramma op.
‘Oh ja. Sorry. Mag ik ‘er even zien?’
‘Even dan.’
Getweeën kijken ze toe het meisje onrustig met haar hoofd heen en weer
rolt in haar slaap. Ze ademt onregelmatig door haar neus, want haar
mond zit dichtgeplakt met duc tape. Haar benen bewegen niet.
‘Mooi is ze hé?’
‘Ja man, geile griet, wat je zegt.’
Eventjes kijkt Lodewijk misprijzend opzij naar zijn Marokkaanse kompaan. De slaapkamerdeur duwt hij weer dicht.
‘Ze heet Magda. Magda Meertens. Ik heb in haar portemonnee gekeken. Is dat geen mooie naam?’
‘Tuurlijk man, tuurlijk. Hé, maar wat ga je met haar doen? En mag ik dit keer meedoen?’
‘Nou …’
‘Aah toe nou man! Ik beloof je dat ik dit keer niet zal kotsen, echt! Echt, ik beloof het!’
‘Je mag eerst die twee koffers daar zien kwijt te raken, daarna zal ik het overdenken, goed?’
‘Oké oké! Ga ik voor je regelen, let maar op!’
Enthousiast grijpt Saïd de twee hengsels vast en kreunt onmiddellijk bij het optillen.
‘Tering, zwaar man! Wat zit hier in man!?’
‘Etensresten, ga nu maar. Oh, hier is je sleutel, de bus staat op het plein, halverwege.’
‘Helemaal daar! Waarom in vredesnaam?!’
‘Ga nu maar, voor ik van gedachten verander. En
Saïd, als ik “kwijt” bedoel, bedoel ik ook echt kwijt, oké? Dat gedoe
met die slager destijds was ronduit beschamend.’
‘Oké, oké, sorry, dat was maar een geintje. Ik ben al weg.’
En weg is Saïd.
De wastrommel draait op de achtergrond terwijl Lodewijk stilletjes de
slaapkamer binnensluipt en op bed gaat zitten. Hij meende het serieus.
Het was werkelijk een mooi meisje om te zien. Aan de andere kant, waren
ze dat niet allemaal? Uiteindelijk draaide het toch weer op hetzelfde
uit. Hij bekeek haar benen. Goed geproportioneerd, mooie glanzende
huid. Alleen de ongemakkelijke hoek waarin de rechter lag, verried dat
deze voor haar onbruikbaar was. Zacht gekreun.
Ze ontwaakt.
In tegenstelling tot eerdere gasten, ontwaart
Lodewijk geen angst in haar ogen. Eerder, … provocatie. Hij buigt naar
haar toe en legt zijn vinger tegen zijn lippen.
‘Sst. Als je belooft niet te schreeuwen, zal ik de prop weghalen. Oké?’
Ze knikt. Haar ogen twinkelen zelfs kortstondig, alsof ze geamuseerd
is. Met een venijnig rukje trekt hij de duc tape eraf. Verrast – en
startklaar om in te grijpen – merkt hij dat ze inderdaad niet begint te
schreeuwen. Nog niet misschien?
‘Hallo zeg, dat was onaangenaam. Doe je dat wel vaker, stouterik?’
‘Ehm, …’
‘Hoef je geen antwoord op te geven hoor. En wie was die vriendin van je?’
Lodewijk’s beurt om te blozen nu.
‘Hé, uh, ik ben geen homo ofzo.’
‘Nee schat, niet die schoonmaak Turk van je, maar de shashlik die hij zojuist in twee koffers meenam.’
‘Maar hoe-?’
‘Kwestie van goed je adem inhouden. Je maakt een hoop herrie, wist je dat?’
‘Uhm …’
Lodewijk telt de motieven op de matras, om zijn gedachten te ordenen.
Had hij het dan toch bij het rechte eind? In een eerste opwelling wilde
hij dit exemplaar laten passeren, omdat ze nogal, … assertief overkwam.
Maar nauwelijks een seconde later had ze, … iets in hem
aangewakkerd. Wát wist hij op dat moment niet, maar het was reden
genoeg om haar zich alsnog toe te eigenen. Moest hij haar, nu ze zo
impertinent overkwam, dan conditioneren? Was dat de bedoe-?
‘Je hebt mooie ogen. Vooral als je zo diep nadenkt. Heeft iemand je dat al eens verteld?’
‘Eh, …’
‘Nou ja, eerst maar eens de puntjes op de i. Waar heb je mijn rolstoel gelaten?’
‘Eh, beneden. In de berging.’
‘Mooi zo, haal ‘em even, wil je? Niet dat ik
gehandicapt ben zonder, maar voorlopig loop ik nu eenmaal moeilijk.
Fibreuze dysplasie en de reguliere wachtlijst, snap je?’
‘Fibreuze dysplasie?’
‘Jaja, een botziekte. Allemaal heel vervelend en
naar enzo, maar zo gaat dat. Komt vast goed. Ga je die rolstoel nog
halen?’
Confuus verlaat Lodewijk zijn woning, de trap af. Halverwege besluit
hij om te keren, om dan alsnog af te dalen. De twijfel verscheurt hem.
In zijn broekzak voelt hij een stiletto branden, maar zijn bloeddorst
tempert constant als hij aan haar denkt. Met name haar ogen. Die grote,
priemende, blauwe ogen.
Na enkele ogenblikken wikken en wegen, daalt hij af
naar de berging om haar rolstoel op te halen. Voor de berging staat hij
wederom seconden lang te dralen – en kiest uiteindelijk voor een
wandeling. Dit kan en mag hij niet te lichtzinnig opnemen. Buiten op
straat, in gedachten verzonken bemerkt hij niet dat Saïd hem passeert,
naarstig op zoek naar een parkeerplaats.
Boven, kampt Magda met evenzoveel twijfel. Toen de verlegen jongeman
haar opnam, in de winkel, voelde zij zich … zich warm worden van
binnen. Een gevoel dat zich sedert lange tijd aandiende als een oude
vriend, van wie zij niet had gedacht dat ze hem weer zou ontmoeten. Ook
na de ontvoering en na het ontleden van zijn vorige slachtoffer (welke
ze daarnet tot in detail en volledig bij zinnen meemaakte) ging dat
gevoel niet weg. Hoe zijn attitude radicaal veranderde, van timide naar
een roofdier, wond haar zelfs op. Vreemd. Verbijsterend, misschien.
Maar niet onoverkomelijk voor haar. Haar route des levens was alles
behalve uitgestippeld, … hoewel? Misschien liep er nu ergens een kras
over de kaart die men als een flauwe bocht kon beschouwen? Of een
ingrijpende wegomlegging? Zou hij haar praatjes doorzien zijnde een
ultieme brutale poging zichzelf eruit te kletsen? Was ze nu echt gecharmeerd van hem, of was het puur uit belangstelling voor zijn dadendrang? Ze wist het niet.
Er komt iemand binnen.
‘Hé, wat is dit nu weer?’
Saïd stormt ongevraagd de slaapkamer binnen en bekijkt Magda alsof het bed vol larven ligt.
‘Waarom staat de voordeur open? En waar is Lodewijk?’
Hij springt bij haar op bed en geeft haar een mep met de vlakke hand. Spottend kijkt ze hem aan.
‘Hij heet dus Lodewijk. En jij bent?’
‘Kop dicht, hoer! Ik vroeg je wat! Waar is hij?’
Hij heft zijn arm om een nieuwe klap uit te delen. Ze krimpt ineen.
‘Geen idee. Hij zal zo wel terugkomen, denk je niet?’
Saïd geeft haar alsnog een mep en staat dan op. Besluiteloos ijsbeert
hij de kamer rond. Zou het een test zijn? Een test om aan te tonen in
welke mate zijn aanwezigheid een waardevolle toevoeging te noemen valt?
Peinzend loert hij naar Magda. Een loeder is het, dat was hem meteen
duidelijk. Zo brutaal als die teef naar hem kijkt. Maar waarom heeft ze
geen prop in haar mond? Dan kan ze toch de buurt bij elkaar schreeuwen?
Dat is toch amateuristisch?
‘Zozo, dus jij bent het “hulpje”, hm?’
‘Kop dicht, manke hoerekut, anders sla ik hem dicht.’
‘Oh nou nou, jij hebt zeker huisarrest gehad afgelopen weekend, niet? Hoe oud ben je eigenlijk?’
‘Hé! Ik waarschuw je hoor!’
‘Oh, best hoor. Zeg, heb je die koffers wel goed geloosd?’
‘Hoe weet-?’
‘Ik ben van nature alert. Hé, wacht eens, jij bent die Marokkaanse bakker, geen schoonmaak Turk.’
‘Ja trut, reuze alert. Jammer dat je niet meer kan
koketteren met je handicap, we gaan je afmaken! Begrijp je dat,
kutwijf!?! Afmaken!’
‘Jaja, tuurlijk. Maar hoe oud ben je nu?
‘Gaat je geen moer aan.’
‘Nee? Heb je al eens geneukt? Je weet wel, die harige frikandel bij je zusje erin hangen enzo?’
Saïd springt weer op haar af en geeft haar ditmaal een stomp. Hard
genoeg om haar het bewustzijn te doen verliezen. Triomfantelijk plakt
hij haar mond af met duc tape en steekt een sigaret op.
Twintig minuten later nog steeds geen Lodewijk. Hij
gooit zijn tweede sigaret in een glazen vaas op het nachtkastje die als
asbak fungeert. De peuk smeult nog na, dus gooit hij er een glas water
bovenop. Zonder protest dooft de sigaret.
Magda murmelt weer.
Hij stapt op haar af, grijpt een handvol haar en trekt haar half overeind.
‘Nog steeds een grote bek, hm? Kutwijf.’
Hij bespeurt een lichte paniek in haar ogen. Prima, zo hoort het ook. Ze probeert wat te zeggen.
‘Oké, ik zal de prop weghalen, maar waag het eens te schreeuwen; ik maak je af, begrepen?’
Ze knikt welwillend.
‘Ik bedoelde het niet lullig, van dat neuken, echt.
Maar als jullie mij echt gaan afmaken, heb ik wel een verzoek. Wil je
mij een gunst verlenen? Alsjeblieft?’
‘Vertel, en ik zal kijken of het kan.’
Met een rechte rug staat Saïd daar, gebalde vuisten in de zij en borst vooruit.
‘Ik, … ik, … je moet begrijpen dat, … Kijk, het zit
zo: vanwege mijn handicap is het lang, té lang geleden dat ik, … nou
ja, … je weet wel. Seks.’
‘Seks?’
‘Ja, seks. Ik heb al heel lang geen seks meer gehad.
Een meisje in rolstoel, dat nodigt niet echt uit, begrijp je. Mannen
vermijden mij of vinden me zielig.’
‘Eh, ja. Ik snap het.’
‘En als jullie mij, … nou ja, … gaan afmaken, dan
zou ik graag, … eh, je weet wel, … voordat het zover is, begrijp je?’
‘Eeeh, … ik weet niet of …’
‘Of Lodewijk dat ziet zitten? Maar dat maakt toch
niet uit? Alsjeblieft, voordat ik sterf zou ik zo graag weer eens een
echte man willen voelen. Wil je me helpen?’
‘Maar je benen …?’
‘Ach, daar merk je niks van, je hoeft ze alleen maar opzij te schuiven.’
Saïd contempleert. En beseft dat hij dit soort kansen niet vaak zal
krijgen. Maar red ik dat wel? Misschien komt Lodewijk zodirect binnen
en maakt hij mij dan vervolgens ook af?
‘Nee nee, nee, daar begin ik niet aan. Mooi niet.’
‘Aah toe?’
‘Nee, echt niet. Ik wil Lodewijk niet kwaad maken.’
‘Maar dat zal hij vast niet zijn! Alsjeblieft, ik
verlang zo naar een harde pik, en nu hoef je me nog niet te delen met
Lodewijk.’
‘Hou je bek! Je weet niks van hem! Ik doe het niet.’
‘Mag ik je dan pijpen? Alsjeblieft? Ik slik, echt. Geen troep enzo. Maar we moeten dan wel opschieten.’
Nauwelijks een minuut later schuift ze Saïd’s besneden lul behendig
tussen haar lippen, likt eraan, spuugt erop en bewerkt hem met haar
hand. Haar handen heeft hij losgemaakt, op haar verzoek.
Het mag allemaal niet baten. Saïd raakt geen moment
opgewonden, hoezeer zij ook haar best doet. Hij schuift haar truitje
omhoog en knijpt in haar tieten, hij denkt aan die clip van die ene
rapper; het helpt niet. Het enige dat hij voortdurend voor zich ziet is
de inhoud van één van de koffers die hij eerder uit nieuwsgierigheid
opende voordat hij ze in het kanaal zou dumpen. Al dat roze en blauwe
vlees stulpte eruit. In niets leek die blubberige massa meer op een
mens. Met moeite moest hij alles terug erin proppen en op de koffer
zitten om hem dicht te krijgen. Het spreekt vanzelf dat hij alle
genuttigde zoete cakejes van vandaag als een mitrailleur uitkotste.
‘Stop maar, het gaat niet’
‘Nee wacht, het gaat me lukken, wacht nog eventjes.’
‘Nee! Stop ermee, zeg ik!’
‘Oké wacht.’
Met al haar kracht bijt ze op zijn halfslappe penis en rukt haar hoofd
achterover. Ze bijt hem niet helemaal door, maar het grootste gedeelte
van het penisvlees schuift een stukje naar voren, terwijl de
urineleider als een rietje van vlees achter blijft. Als een gewond dier
krimpt hij gillend in elkaar, onderwijl telkens schreeuwend:
‘Kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb
je gedaan, kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb je ge-!’
Zijn mantra wordt onderbroken door het geluid van
een brekende glazen vaas die met volle vaart op zijn hoofd uiteenspat.
Bloed stroomt van zijn lenden en zijn kruin. Met een van pijn
vertrokken gezicht kijkt hij omhoog, net op tijd om te zien hoe Magda -
krijsend als een dolle aap en met een mond vol bloed – de gebroken vaas
in zijn gezicht ramt. De scherven boren zich in zijn oog en wang en
ketsen deels af op zijn kin, waardoor het bot versplintert. Ze trekt de
vaas terug en drukt hem nog eens in zijn gezicht, dan in zijn keel, nog
eens in zijn gezicht en op dat moment loopt Lodewijk binnen. Hij
negeert de hevig bloedende Saïd volkomen en richt zich tot Magda, alsof
hij de tekst uit zijn hoofd heeft geleerd.
‘Ik heb eindelijk een besluit genomen.’
Langs het kanaal kijken Magda en Lodewijk toe hoe het busje verzwolgen
wordt door het water. Saïd ligt als het goed is al op de bodem, bijeen
gepakt in de laatste koffer uit Lodewijk’s voorraad.
Ze zwijgen. Een deken van antraciet aan de hemel
bedekt hun verholen gedachten. Ze wachten, net zoals een familie
eendjes aan de overzijde, tot het water stopt met rimpelen.
Uiteindelijk zwijgt het wateroppervlak ook.
‘Je begrijpt dat we hier niet kunnen blijven? En hoe zit dat met die wachtlijst van je?’ ‘Kan ik voor terugkomen. Zonder problemen. Ik ben gehandicapt, weet je nog? En ik kan heel lief lachen.’
Ze glimlacht als ze hem gebaart naar zich toe te buigen. En zijn hunkering bezegelt met een kus.
Lodewijk voelt de vlinders in zijn buik, en stopt voorlopig niet met tellen. |
 |
|
|
|
Vladimir en Violet
|
22 Feb '05 -
|
 |
Het was de derde maandag van de maand toen er op de deur van professor Sonneveldt werd geklopt.
‘Binnen.’
Onopvallend trad Vladimir binnen en nam plaats tegenover de professor.
Na diverse documenten van zijn paraaf voorzien te hebben keek de
professor op.
‘Jongeheer Monnenz, biecht maar op: waarom verdoet u momenteel mijn tijd?’
‘Eh, … professor Sonneveldt, ik heb een verzoek.’
‘Oh?’
‘Eh, .. jawel. Ik heb u hierover al ingelicht, via de e-mail.’
‘Werkelijk?’
‘Eh, .. jawel.’
‘Zal ik maar eens kijken dan?’
‘Eh, .. als u zo goed wil zijn.’
‘Moment.’
Enkele ogenblikken later en een hoop ‘a-hm’s’ en ‘hmhm’s’ later richtte de professor zijn aandacht weer op Vladimir.
‘Dit is een hoogst ongebruikelijk verzoek, jongmens.’
‘Dat besef ik terdege, professor.’
‘Werkelijk?’
‘Jawel, .. professor.’
Sonneveldt nam zijn kin tussen wijsvinger en duim en streek er een
aantal malen overheen. De grijze sik veerde bedachtzaam heen en terug. Een
paar toetsaanslagen en de printer achter hem begon te ratelen. Ten
slotte nam hij zijn pijp van tafel, stak deze aan en bestudeerde
tijdens het inhaleren nonchalant de rand tussen muur en plafond. De
zoete tabakslucht dreef langs Vladimir’s gezicht. Vanachter zijn
brillenglazen bestudeerde hij de jongeman grondig. Vladimir bedwong de
neiging om aan zijn neus te krabben, in plaats daarvan haakte hij zijn
vingers in elkaar tot de vingertoppen witte afdrukken op de rug van
zijn hand achterliet.
‘Goed. De Kemperskliniek dus. Ik neem aan dat je
beseft dat het verre van gangbaar is om als reguliere student patiënten
te interviewen?’ ‘Jawel professor.’ ‘En je bachelorthese gaat over …
Zeg, zijn dat gedachte-experimenten waar ik hier over lees?’
Vladimir knikte bedeesd. Hoofdschuddend boog de professor zich over de uitgeprinte vellen. ‘Je moet eens wat minder Orwell lezen, jongmens. Daar ga je nog eens rare dingen van denken.’
Vladimir knikte nog eens. ‘A-hm, .. hmhm, hmja, .. oké. Ga je voor de cognitieve of de sociale vorm?’ ‘Sociale psychologie, professor.’ ‘Hmja, .. oké. Waarom eigenlijk?’ ‘Omdat het .. eh .. cognitieve profiel teveel naar psychonomie neigt, dat is mij te abstract.’ ‘Hmja, .. oké, je prefereert dus het intermenselijke contact.’
Vladimir schoof onrustig heen en weer op zijn stoel. ‘Eh .. ja mijnheer, dat klopt.’
Sonneveldt bladerde rustig door de papieren en nam zo nu en dan eens een trek van zijn pijp.
‘Vertel eens, jongmens Monnenz, wat is uw stelling precies?’
‘Nou, die staat onder-‘
‘Ik vraag u wat.’
‘Oh. Oh ja. Oké, … is het .. ehm .. mogelijk om
andermans geest, en dus ook diens lichaam specifieke daden uit te laten
voeren waar de ontvanger ernstige morele bezwaren tegen heeft?’
'Iemand je wil opleggen dus. Een verlangen zo oud als
de mens zelf, sinds zij uitgevonden heeft wat macht precies inhoudt.
Bent u op zoek naar de Ultieme Soldaat, jongmens Monnenz?’
‘Eh, .. nee professor. Het proces van beheersing op afstand, dat is slechts hetgeen mijn interesse wekt.’
‘Ik snap hem. U bent de eerste niet en zult de
laatste voorlopig niet zijn. Welke prominente schrijver siert uw
literatuurlijst?’
‘Sorensen.’
Professor Sonneveldt pakte een velletje papier uit
een lade, krabbelde er iets op en overhandigde het aan Vladimir. ‘Ach ja, “Thought Experiments”. Reuze amusant spul voor een
filosoferend praatje in de lokale bruine kroeg. Niettemin: u mag
kiezen, dat is het mooie van onze maatschappij.’
‘Helemaal waar, pro-‘ ‘U kunt gaan. Sluit de deur achter u, alstublieft ..’ ‘Eh, … dank u wel. Denk ik.’
Vladimir stond bijna op de gang toen de professor hem iets nariep. ‘Sorry, .. professor?’
‘… Kazminzsky. Dokter Kazminzsky moet je hebben. Aaron Kazminzsky.
Vriendelijke vent, een beetje raar misschien. ‘Oh oké, nogmaals bedankt. Dag, tot ziens.’
Daar zat een kern van waarheid in. Dokter Kazminzsky, Aaron Kazminzsky was
een apart figuur. Toupet, brilletje en een diepe frons. Vol
trots pochte hij over zijn kliniek, waar zijn bestuurlijke wijze alom geprezen werd en waar zijn geprezen
behandelmethodes ondertussen als standaard golden in de hedendaagse
psychotherapie. Volgens zeggen mocht iedereen hem graag. ‘Ik mag deze man niet,’ bedacht Vladimir zich onmiddellijk toen hij zich voorstelde. ‘Jongeman, u bent op de juiste plek belandt. Geen kliniek ter wereld
waar elk vakgebied binnen de psychologie zo naadloos verenigd wordt.
Geen kliniek ter wereld waar de behaalde resultaten model staan voor
welke andere kliniek dan ook.’ ‘Eh, .. uw kliniek wordt alom geprezen, dokter. Ik ben .. eh
.. vereerd dat u mij de ruimte laat voor enkele vraaggesprekken ter
afronding van mijn bachelorthese.’ ‘Ik doe het graag voor u, jongeman. Sonneveldt geeft hoog op van u. Monnenz was het, niet?’ ‘Jawel, .. dokter Kazminzsky.’ ‘Mooi, mooi zo. Ik heb een kamertje apart gehouden voor u en drie
patiënten ingeroosterd die op uw uitdrukkelijk verzoek voldoen aan de
gestelde norm. Vergeet niet: een half uur per patiënt, en maak ze niet
los, onder geen beding. Nooit. Wat ze ook zeggen. De eerste laat ik om
…. Half elf bezorgen, is dat wat?’ ‘Geweldig, geweldig bedankt ook, dokter.’ ‘Niks te danken. Neem anders een kop koffie in de kantine, ik stuur
straks mijn receptioniste langs om u de weg te wijzen. Ik spreek u
later op de dag wel aangaande uw verrichtingen - ik heb zelf een hoop
werk op stapel liggen. De kantine is die kant op.’
De koffie was niet slecht. Niet goed ook, maar binnen een dergelijke
kliniek had je het al getroffen als de koffie in elk geval ergens naar
smaakte. Een sobere kantine, stroperige koffie en een map vol
studiemateriaal. Voor Vladimir was de gelijkenis met de faculteit
treffend.
Tien over tien. Een jongedame betrad het vertrek.
Zwart, lang haar. Sprekende ogen. Lachrimpeltjes. Volle lippen, zoet en
kleverig. Een zonnig jurkje, misschien iets te zonnig voor dit
jaargetijde. De ruimte fleurde er meteen van op.
‘Vladimir Monnenz?’
‘Ja, dat ben ik.’
‘Hoi, Violet Kamminga. Aangenaam.’
Tjilpende musjes, fluwelen wolken, satijnen rivierbeddingen, zijden bloembedden ….
‘… eh, sorry?’
‘Gaat u mee, deze kant op? Naar uw kamer, weet u nog?’
‘Ah. Uh, … ahum. Ja precies. Helemaal waar. Ehm, ..
“je”, alsjeblieft, zoveel ontlopen we elkaar volgens mij niet. Vladimir
Monnenz, overigens. Aangenaam.’ Hij wilde zijn hand opnieuw uitsteken,
maar besefte dat ze al handen aan het schudden waren. Vladimir voelde
de zon weer opnieuw schijnen, onder zijn kapsel.’
‘Dat zei je net al inderdaad, zal ik je dan nu de weg even wijzen naar de kamer?’ ‘Ja! Eh, .. ja, graag. Bedankt! .. Alvast.’ ‘Hihi, ja hoor, tuurlijk.’
Het afnemen van de interviews ging sneller dan verwacht. De eerste, een
apathische jongeman van vierentwintig jaar oud bleek dusdanig apathisch
dat Vladimir niets anders uit hem kreeg dan iets meer kwijl dan
gewoonlijk. Dat, en een sloot urine die gelukkig in een luier werd
opgevangen. De medewerkers van de kliniek waren ervaren. Het gesprek
duurde achttien minuten.
De tweede patiënt – een nogal agressieve jongeman
van twintig jaar oud genaamd Milko – deed er een schepje bovenop. Hij
communiceerde iets beter, maar kwam in de eerste instantie niet verder
dan een paar keelklanken, was daarentegen wel in staat om zijn broek op
zijn hielen te krijgen, te ejaculeren op tafel (als het even kon op
Vladimir’s studiemateriaal) en hem vervolgens de huid vol schold in een
taal die Vladimir identificeerde als Portugees. Zeker weten deed hij
dat niet - zijn Portugees was minstens even slecht als het Nederlands
van Milko. Gedurende dit interview was Milko(verplicht, volgens de
reglementen van de Kemperskliniek) aan zijn stoel vastgeketend.
Dit interview duurde zes minuten.
De lieftallige Violet bracht hem tussendoor nog een kop koffie waardoor
hij voor eventjes verlost was van zijn mistroostige gedachten. Een
glimlach van haar kant en hij zag het weer helemaal zitten. Hij riep
zelfs overmoedig: ‘De volgende!’ onderwijl beseffend dat dit de laatste
patiënt was en de kans van slagen eigenlijk nihil was. Evengoed riep
hij het toch.
Patiënt nummer drie, Jacob, leek nauwelijks op de
voorgaande gesprekspartners. Hij was intelligent, beleefd en sociaal.
Een kwartier later voegde Vladimir daar charmant, scherpzinnig en
eloquent aan toe. Nog eens een half uur later bemerkte Vladimir dat hij
zodanig geanimeerd zat te keuvelen, dat hij de tijd vergeten was. Het
speet hem werkelijk het gesprek te moeten beëindigen, maar vroeg na
afloop of Jacob iets voelde voor een vervolggesprek. Jacob stemde
welwillend toe. Vladimir stond op het punt de medewerkers te roepen,
toen Jacob zich vertrouwelijk naar hem toeboog.
‘ ….. Kazminzsky.’
‘… Sorry? Zei je iets?’
‘… Pas op voor Kazminzsky.’
‘Hoezo?’
‘Je zult me niet op m’n woord geloven, maar
Kazminzsky is een gevaarlijke gek. Misschien wel de gevaarlijkste van
ons allemaal. Wees voorzichtig met hem.’
‘Ik … volg je niet?’
Een schaduw gleed kortstondig over Jacob’s gezicht. Vladimir huiverde
eventjes, alsof hij zich weer realiseerde dat de persoon tegenover hem
niet voor niets aan zijn stoel geketend zat.
‘Vraag maar na. Maar wees discreet.’
Vladimir gezicht bleef een vraagteken, lang nadat hij de medewerkers geroepen had en Jacob naar zijn kamer teruggebracht werd.
Geruime tijd zat hij peinzend voor zich uit te kijken en bemerkte zelfs
niet dat Violet naast hem stond totdat deze hem zachtjes aantikte.
‘Hee, gaat ie?’
‘Oh, … eh .. jahoor. Best. Stond je daar al lang?’
Ze glimlachte geamuseerd. Vladimir voelde de zon in zijn hoofd weer aanzwellen.
‘Lang genoeg. Heb je straks zin in een kop koffie? Je zoveelste?’
‘In de kantine?’
‘Haha, nee joh, buiten. In een cafetaria, een paar
straten verderop. Je hebt genoeg gezien hier, denk je niet?’
‘Graag. Heel graag zelfs.’
‘Gezellig. Ik ben over …. drie kwartier klaar. Zie ik je daar? Wacht, ik schrijf het adres even voor je op.’
Violet krabbelde iets op een blocnote en Vladimir vroeg, in een opwelling:
‘Zeg, die dokter Kazminzsky, is daar iets mis mee?’
Abrupt stopte ze met schrijven.
‘.. Eh, .. hoezo?’
‘Nou, .. Jacob, die waarschuwde mij daarnet voor hem. Vandaar. Puur nieuwsgierigh-‘
Resoluut legde ze haar hand op zijn mond en fluisterde:
‘Luister, pas op met wat je vraagt. De dokter heeft een verleden.’
Zachtjes duwde hij haar hand weg.
‘Verleden, wat bedoel je?’
‘Hij is ontslagen uit eerdere inrichtingen, wegens
wangedrag met patiënten. Het is nooit bewezen, maar er zou sprake zijn
van misbruik van middelen.’
‘Hoe … bedoel je?’
Een rilling trok langs zijn rug omhoog en bleef kriebelen in zijn nek, als een knetterend brok ijs.
‘Ik weet het fijne er niet van, maar ik heb gehoord
dat er diverse experimenten met hallucinogenen, bloedtransfusies en
hersentransplantaties zijn uitgevoerd. Pas alsjeblieft op.’
Verschrikt keek ze op, alsof ze iets op de gang voorbij hoorde sluipen. ‘We moeten nu echt gaan. Ik zie je straks in de cafetaria, oké?’
Ze overhandigde hem het adres. Beduusd bleef hij nog enkele ogenblikken
zitten. Uiteindelijk stond hij op en besloot de dokter op te zoeken
voor de evaluatie.
‘Aah, jongeheer Monnenz. En? Bent u een beetje
gastvrij ontvangen? De jongens kunnen zich zo nu en dan wel eens ..
primitief uiten, zeg maar.
Dokter Kazminzsky glimlachte beminnelijk. Vladimir rommelde wat met zijn papieren.
‘Eh, .. jahoor dokter. Prima. Ik denk dat ik een
goede indruk gekregen heb van het geheel. Ik wilde vragen, .. ‘
‘Vraag, .. vraag gerust.’
‘.. Ik wilde vragen, .. is het mogelijk om patiënt nummer drie, Jacob, nog eens te spreken? Morgen wellicht?’
‘Jacob? Hmm .. ’
De dokter stond op en liep langs enkele schilderijen aan de muur, ze
bestuderend alsof hij zocht naar onvolkomenheden. Eén daarvan hing hij
recht, ofschoon deze al recht leek te hangen.
‘Wist je, Vladimir .. mag ik Vladimir zeggen?’
‘Eh, .. tuurlijk dokter.’
‘Oké, Vladimir, je wist al dat dit niet mijn eerste betrekking is?’
‘Ehm, .. nee dokter?’
‘Nee, natuurlijk wist je dat niet. Nu, je moet weten
dat ik in eerdere klinieken werkzaam ben geweest. Dat waren
instellingen die mijn methodes vaak niet op .. waarde konden schatten.
Die .. figuren, die zijn ziek. Ziek tot op het bot. Ongeneesbaar, ook
al zullen velen mij op dat punt betwisten. Soms vergeten mensen dat wel
eens. En ik, ik zocht naar .. manieren om deze .. mensen weer een
menswaardig bestaan te gunnen. En in mijn streven begrepen sommigen mij
weer niet. Dat leverde vaak verwarring op, verwarring die voorkomen had
kunnen worden als mensen maar met hun neuzen in dezelfde richting
zouden wijzen. Snap je?’
‘Eh, .. ik denk het wel, dokter.’
‘En als al die neuzen in dezelfde richting zouden
wijzen, zouden zij tegelijkertijd ook beter in staat zijn om
gelijktijdig de smurrie te ruiken die onder hun voeten weg lag te
rotten. Snap je?’
Vladimir knikte, maar het vraagteken op zijn gezicht bleef.
‘Nou ja, sommige lieden meenden mij te moeten terechtwijzen, alsof ik
het belang van de kliniek niet onder ogen zou zien, terwijl juist dat
bij mij het hoogste goed is, snap je? Sommige rigoureuze problemen
vereisen nu eenmaal rigoureuze oplossingen, maar zoiets valt lastig uit
te leggen als de neuzen niet in dezelfde richting wijzen. Luister, als
je je masteropleiding voltooid hebt, althans, ik weet niet voor welk
profiel je gaat kiezen .. ?’
‘Sociale psychologie, dokter. Waarschijnlijk wel.’
‘Ah mooi, dat zou er naadloos op aansluiten. Nu, als
je het afgerond hebt, wat zou je er dan van denken om voor mij te komen
werken, hm? Lijkt je dat wat?’
‘Ik, .. eh .. ik zou vereerd zijn, dokter. Dank u voor het aanbod.’
‘Geen dank, geen dank.’
Dokter Kazminzsky bestudeerde weer zijn schilderijen. Vladimir had het
idee dat de conversatie beëindigd was en maakte aanstalten om de kamer
te verlaten. De man boezemde hem angst in.
‘Oh ja, Jacob. Het kan, wat mij betreft, maar
realiseer je wel het volgende: Ofschoon hij vrij “normaal’ mag
overkomen, leer wel zijn achtergrond. Vanavond nog. Ik weet dat je de
dossiers van de patiënten expliciet achterwege hebt gelaten om een
blanco indruk van ze te krijgen, ongetwijfeld onderdeel van je
bachelorthese, maar deze jongeman zit hier met een reden.
Hij werd anderhalf jaar geleden opgepakt, in zijn huis, terwijl het
ongedierte door zijn woonkamer kroop. De stank alarmeerde uiteindelijk
de buren. En niet zozeer vanwege enkele beschimmelde etensresten, maar
een kelder met drie vegeterende lijken. Sectie wees uit dat het zijn
echtgenote en haar ouders waren. In dusdanig slechte staat dat
identificatie haast onmogelijk was. Sommige lichaamsdelen waren met de blote
hand losgescheurd, daarna gekookt en verorberd. Smakelijk, niet? Waarom
hij dan niet ter dood veroordeeld werd en in plaats daarvan hier zit?
Omdat hij niet de domste is, zoals je al gemerkt hebt. Nee, hij werd
compleet krankzinnig verklaard en op basis van goed gedrag werd hij
vorig jaar hier naartoe overgeplaatst. Ik zal zorgen dat je het dossier
krijgt. Morgen om half elf kun je hem weer spreken. Dat was alles.’
Vladimir wachtte even tot de krampen in zijn maag gezakt waren toen hij
eindelijk op de gang stond, weg van die bedompte kamer. Hij wist zich
te herpakken. Toen hij bij zijn kamer terugkwam, vond hij het dossier,
netjes bovenop zijn eigen spulletjes. Hij verliet het gebouw zonder
omkijken en koerste naar de cafetaria.
‘Hee Vlaatje, koffie?’
Een flauwe glimlach speelde rond zijn lippen terwijl hij tegenover Violet plaatsnam.
‘Hmm, je kunt wel iets sterkers gebruiken, volgens mij. Je ziet een beetje pips?’
‘Ehr, .. oh ja? Nou ja, goed idee, inderdaad. Doe maar een biertje dan.’
‘Komt voor elkaar! Mariska, twee pilsjes alsjeblieft!’ riep ze naar de jongedame achter de bar.
‘En? Oh wacht, ik zie het al. Viel het tegen?’
‘Nou ja, hangt ervan af. Morgen ben ik er in elk geval weer, half elf een gesprek met Jacob.’
‘Huu, met die griezel?’
Vladimir stond op het punt om het relaas van Kazminzsky met haar te
delen, maar zag ervan af. In plaats daarvan vroeg hij haar naar de
reguliere dingetjes. Waarom ze daar werkte, hoelang, hoe ze tegen het
leven aankeek, of ze katten had (die had ze, een grijze), of ze een
sportief type was, welke film ze het laatst gezien had, wie haar
favoriete schrijver was (Lovecraft, wat voor hem gelijkstond aan een
dame die van voetbal en kung-fu films hield) en of ze hier in de buurt
woonde. Dat deed ze.
Ze was geweldig, in alle opzichten. Hij stond met één voet op het
vloerkleed, met de andere steunde hij op haar bureaustoel en op die
wijze penetreerde hij haar achterlangs terwijl zij voorovergebogen
tegen haar bureau stond. Hijgend riep ze – terwijl ze achterom keek
naar zijn zwoegende gezicht - dat het harder moest, dat hij meer moest
rammen, dat ze zijn ballen tegen haar billen wilde voelen klotsen. Hij
beaamde haar voorstel door haar heupen te grijpen en zijn tempo te
versnellen, wat niet meeviel aangezien de bureaustoel redelijk aftands
oogde (en uiteindelijk ook was) en irritant begon te schuiven en te
piepen, synchroon met zijn beukende heupen. Met een rood aangelopen
hoofd keek hij verlekkerd toe hoe zijn piemel tussen haar lippen
schoof, steeds sneller, terwijl er wit vocht tussen zijn schaamhaar
bleef plakken. Haar billen resoneerden prettig, elke keer wanneer hij
diep in haar drong. Ze vroeg of het nog sneller kon, terwijl haar
bureau met daarop haar monitor, keyboard, muis, achttien delen
Lovecraft, zes delen Poe, een lege pizzadoos, mascara,
lippenstift, een paar losse cd’s en een cd-box, twee lege kopjes, een
volle asbak, enkele onbetaalde rekeningen, een stapeltje glossy
tijdschriften, drie videobanden die overduidelijk nog geretourneerd
moesten worden en geopende zak drop vervaarlijk begon te schuiven.
Vladimir beaamde dit wederom en spoot haar subiet vol. De condooms lagen onaangeroerd op tafel.
Na de vierde keer moest Vladimir schoorvoetend toegeven dat hij nu echt niet meer wilde.
‘Aah, nog één keertje!’ smeekte Violet.
‘Nee, alsjeblieft, niet meer. Je bent te goed. Echt.’
‘Komop kanjer, nog één keer, de laatste, oké?’
‘Nou vooruit, nog één keer dan, maar da’s echt de laatste, oké?’
‘Hihihi, da’s goed! Oké, wie was?’
‘Jij moest beginnen, toch?’
‘Oké, gaat ie.’
De dobbelstenen rolden over het Mens-erger-je-niet bord.
‘Vijf! Hah!’
Loom lag Valdimir in het donker naar het plafond te staren. Zijn
sigaret gloeide sporadisch op, als een traag knipperend oranje oog.
Violet sliep bijna, haar lichaam schokte steeds minder. Hij knipte een
lichtje aan, om het dossier te kunnen bestuderen. Violet klaagde mild
en rolde zich verder op in haar dekbed.
De details logen er niet om. Jacob had zich
inderdaad uitgeleefd, zes
maanden na zijn trouwerij. Ook aangaande de antropofagie had Kazminzsky
niet overdreven. Jacob had stukken vlees uit het gezicht van zijn vrouw
gesneden, uit haar buik, haar schaamlippen eraf geknipt, delen van haar
dijen eraf geschild, de ogen uit haar schedel gepulkt en deze in een
pan met hete boter gestopt en peterselie en tijm als garnering
gebruikt. Naderhand vonden ze wat verkoolde restjes terug op het
fornuis. Toen kwam hij pas echt los. Met een bijl heeft hij zijn
schoonouders onherkenbaar verminkt door herhaaldelijk op hun gezichten
in te slaan, de handen en voeten eraf gehakt en geprobeerd deze te gaar
te stoven in zijn oven. Geen hap van zijn schoonouders genomen, dus
geen meesterkok, maar wel een fijnproever.
Vermoeid legde hij het dossier weg, knipte het licht
uit en liet zich wegzakken. Na zijn derde ademtocht zakte hij verder
weg, de onderliggende dimensie in.
Terug in de kliniek. Rimpelig beeld, alsof er een permanente
waterdruppel in de hoek van zijn ogen zat. De trap op, naar binnen. Hij
hoorde zichzelf zwaar ademen. Voetstappen terwijl hij door het
gangenstelsel liep, op zoek naar iets. Of iemand. Holle voetstappen.
Vochtige voetstappen, alsof hij op een tegelvloer liep waarover emmers
modder gedrapeerd waren. Hij controleerde zijn voeten. Bloed. Overal.
Alsof er ergens een kraan openstond. Vermoedde al zoiets. Deur. Hier is het. Zachtjes. Vergrendeld. Nee,
toch niet. Open. Naar binnen. Wie slaapt hier? Licht? Werkt niet.
Hijgen. Ik? Nee. Bed. Wie ligt daarin? Kan niks zien. Koud staal, in
mijn hand. Scalpel. Snijden. Ik snij. Vochtig. Verder snijden. Sneller.
Harder. Steken. Snijden. Steken. Snijden. Ik schrijf mijn naam.
Moetmoetmoetmoetmoet ….. Kaz-minz-sky. Kaz-minz-sky. Kaz-minz-sky. Aa-ron
Kaz-minz-sky. Nee! Ik ben niet .. ! Kaz-minz-sky! Kaz-minz-sky!
Licht gaat aan. Milko! Vastgebonden op bed. Aan stukken gesneden. Kan
zijn ingewanden zien. Mond en kin, aan rafels. Afgesneden piemel in het
gat van zijn gezicht gepropt. Overdwars. Scalpel? Scalpel! Ik .. ik,
nee! Nee, .. niet ik! Weg hier!
Door de gangen, voorbij de deuren. Hijgend, piepend ademen. Scalpel?
Heb ik laten vallen. Moet hier weg. Snel! Door de gangen, voorbij de
deuren. Hier. Douchecabine. Snel. Afspoelen. Aan. Heet. Prettig. Veel
bloed. Teveel. Handdoek. Fris. Hoe zie ik eruit? Daar. Spiegel. Nee?
Nee! Neeeee!
Met een ruk schiet Vladimir overeind, de lakens kleven aan zijn
lichaam. Met een onbeheerste klap slaat hij de lamp van het
nachtkastje. Vloekend voelt hij langs het bed, vindt de lamp, zet hem
terug en probeert hem aan te drukken. Bij de derde poging krijgt hij
hem aan. Zijn hart bonst wild. Half tien ’s ochtends, volgens de
wekker. Geen bloed, geen scalpel. Hij staart naar de muur en in zijn
hoofd ziet hij nog altijd de laatste, levendige herinnering uit zijn
nachtmerrie.
Aaron Kazminzsky. In zijn spiegelbeeld.
Tien voor half elf. Hij moest zich haasten. Violet had hij niet meer
gezien. Ze had geen briefje voor hem achtergelaten, maar hij hoopte
haar te treffen in de kliniek. Met een beetje geluk voordat hij met
Jacob zou praten.
Geen Violet in de kliniek. Nergens. Opschieten dan.
Hij rende naar de gereserveerde kamer, zich ervan vergewissend dat de
vloer op de gang schoon was. Druk bezig met het verzamelen van zijn
spullen. Jacob wordt zwijgend naar binnen geleidt. Hij wachtte met
praten totdat ze met z’n tweeën achterbleven.
‘Jacob, euh .. je hebt me dan wel gewaarschuwd voor
Kazminzsky, maar had je niet wat eerlijker over jezelf kunnen zijn?’
‘Shit, microfoons, ik had het kunnen weten. Luister,
Vladimir, dat dossier is nep. Ik heb nog nooit iemand vermoord.’
‘Nee? En je vrouw dan? En haar ouders? Je hebt ze gevild, gekookt en opgegeten!’ ‘Ik ben niet getrouwd. Nooit geweest ook. Eerlijk.’ ‘Waarom zou ik je geloven?’
‘Vertel eens, wat heb je gedroomd vannacht, Vladimir? Speelde de dokter
mee? En je vriendinnetje? Nog gezien vandaag?’ ‘Schoft!’
Als een wild dier besprong hij Jacob, sloeg hem een paar keer hard in
het gezicht en schudde hem door elkaar. Spuug vloog van zijn lippen.
‘Klootzak! Waar-is-ze!?!’
‘Ughe, ughe .. Luister Vladimir, we kunnen haar nog
redden. En jezelf ook. Maar dan moeten we opschieten. Maak me los en ik
help je.’
Vladimir twijfelde. Moest hij niet de makkelijkste weg kiezen, naar
buiten, de straat op? Misschien moest hij de politie waarschuwen – aan
de andere kant, ze zouden hem niet geloven zonder bewijs. Maar hij
vreesde voor haar leven, dat kon hij niet ontkennen. Hij koos voor
Violet en daarmee waarschijnlijk voor zijn eigen dood. Of erger.
Hij werd onaangenaam verrast.
‘Hee, je zit nauwelijks vast. Geen handboeien, maar slechts repen stof. Wist je dat?’
‘Nee? Shit, het gaat echt gebeuren. Maak ze los dan.’
Hij twijfelde weer. ‘Wacht hier, ik ben zo terug.’ ‘Schiet op.’
Behoedzaam liep hij de kamer uit, de gang door, en stopte bij de
voorraadkamer. Niemand. Hij vertrouwde er nog steeds niet op. In de
voorraadkamer vond hij een oude bestekbak, met een aantal gebruikte
scalpels. Slordig, dat ze dat spul hier laten rondslingeren. De minst
vuile nam hij mee terug naar de kamer. Jacob zat er nog altijd. Hij
sneed hem los.
‘Zeg op, Jacob, wat is er hier aan de hand? Vertel.’
‘Ik ben net zoals jij een student, nou ja, een
“voormalig student” psychologie. Ik zou hier stage lopen, maar werd
plotseling van moord verdacht en ze hebben me nooit meer laten gaan. Er
kwam geen politie aan te pas. Ze houden me nu iets langer dan een jaar
vast en jij bent student nummer drie waar ik mijn hoop op had
gevestigd.’
‘Wat bedoel je? Wist je gisteren al dat dit zou gaan gebeuren?’
‘Jazeker, maar ik moest voorzichtig wezen. En
liegen. Zodra ze wisten dat je zou komen, hebben ze mijn medicamenten
stopgezet. Zie je, ze rekenen erop dat ik je ga helpen, en daarom
gunnen ze mij een beetje helderheid. Deze kant op.’
‘Maar wat bedoel je met student nummer drie? Wat
gebeurt er allemaal! En hoe wist je dat ik vannacht over de professor
had gedroomd?’
‘Ik heb hetzelfde meegemaakt, Vladimir, daarom. Maar
luister, we moeten hier wegkomen, een nieuwe kans krijgen we niet.
Shit, waar was het ook alweer?’
Vladimir greep Jacob bij zijn pyjamajasje en drukte hem hardhandig tegen de muur.
‘Nee, ik wil NU antwoorden, Jacob!’
Met zijn vrije hand zette hij de punt van het operatiemes tegen diens keel. Jacob keek hem angstig aan.
‘Vladimir, alsjeblieft, we moeten hier weg. Daarna kun je me vragen wat je wilt.’
‘Nee! Ik wil weten waar die andere studenten zijn, wie “ze” zijn en waar is Violet!’
‘De laatste student die hier stage kwam lopen en een
gesprek met mij afnam heette .. Milko nogiets. Proefkonijnen, dat zijn
we. En Violet hoort bij “ze”! Wat dacht je dan man! Heb je haar
genaaid, hm? Hard, tegen haar bureau aan? En heeft ze nog altijd al die
Lovecraft-boeken!?? We moeten weg hier, SNAP DAT NOU!’
‘Milko .. Oh god, oh godohgod .. Neenee, dat kan niet, je liegt, je liegt! JE LIEGT!’
‘Laat me los klootzak, je jaagt ons allebei de dood in, idioot!’
‘Nee! Neeee!’
En met die kreet drukte hij het mes door. Verslagen keek hij toe hoe
Jacob naar de grond zeeg en gorgelend in zijn eigen bloed stierf,
terwijl de dunsnijder als een langgerekte pukkel uit zijn nek stak.
Hij begon te snikken.
‘Komaan Vladimir, het is tijd. Kom maar mee.’
Kazminzsky.
‘Jij vuile-‘
Een felle pijn, in zijn nek, als een reusachtige bijensteek. Hij
draaide zich om naar zijn belager. Violet. Glimlachend. Nog altijd
fabelachtig mooi. Sexy. Dodelijk. Met een nadruppelende injectienaald
in haar hand. Dat dossier - zij had het hem bezorgd. Natuurlijk.
Duisternis.
Helse pijnen. Overal. Nauwelijks beweging mogelijk. Vastgesnoerd, op een matras. Kazminzsky.
‘Vuile smeerlap! Waar ben je!’
‘Hier, mijn jong, rustig maar. Rustig maar.’
‘Smerige kankerratten, jullie zullen boeten!
Pleurislijders! Jij hebt Milko gedrogeerd, krankzinnig gemaakt en hem
vervolgens vermoord, jij, .. jij schoft!’
‘Haha, nee hoor, beste jongen. Integendeel. Ziehier. Violet, mijn liefste, wil je zo goed zijn?’
‘Jawel, dokter. Kijk eens hier, Vlaatje.’
Ze wijst omhoog. Een monitor, aan het plafond. Slechte kwaliteit, maar
onmiskenbaar Vladimir die door de gangen van de kliniek sluipt. Zijn
scalpel blinkt kortstondig. Hij opent een deur, Milko ligt op bed.
Vastgebonden. Vladimir begint te snijden in het weerloze lichaam, in
het gezicht, snijdt dwars door het borstbeen, bloed spuit eruit. Dit
gaat zo vijf minuten door. Vladimir verlaat het vertrek. Milko blijft
achter, onherkenbaar. De monitor floept uit. ‘Of wil je de videoband van die arme Jacob ook nog zien? Kan hoor? Hahaha.’
Vladimir begint te huilen, roept waarom, waarom. Violet maakt een serie
spuiten klaar. Dokter Kazminzsky verlaat de kamer, zijn telefoon gaat.
Vladimir gilt, onophoudelijk.
‘Sonneveldt? Ha, hoe gaat het, kerel?’ Jaja,
jazeker. Mooi exemplaar, absoluut, absoluut. Nou, vind ik ook. Laten we
afspreken. Morgenmiddag. Lunch? |
 |
|
|
|
Gerzonimus, illusionist extra-ordinaire
|
29 Dec '04 -
|
 |
Een raam kijkt uit op een brandtrap. Drie uur 's nachts, weinig volk op
straat, op de verdwaalde zuiplap na. Met de grootst mogelijke moeite
zwalkt hij over straat, beurtelings van de trottoirband de weg op en
weer terug. Aan de overzijde van de straat, met uitzicht op de
brandtrap houdt hij even stil voor een drinkpauze. Hij mompelt zuur
voor zich uit voordat hij de flacon tegen zijn lippen zet. Kado van
zijn zoon, maart negentienachtennegentig. Zijn slokdarm krijgt amper de
kans om zich te laven aan de derderangs whisky, want het raam boven de
brandtrap spat zonder waarschuwing en met veel misbaar uiteen. Scherven
vallen rinkelend langs de brandtrap op het wegdek. Een donker gestalte
springt door het raamijzer, grijpt de buitenste paal van de brandtrap,
glijdt als een volleerd brandweerman naar beneden en landt geluidloos
op het plaveisel. Een halve seconde, of wellicht minder kijkt de lenige
man even naar de overkant van de straat, naar de zuiplap. Hij draagt
een nauwsluitend zwart pak en een bijbehorend masker.
En weg is hij, de hoek om.
'Tis verdomme een ninja, híer, in ons landje, .....' murmelt de
zuiplap terwijl de whisky over zijn kraag loopt, want hij maakt dan wel
aanstalten om een volgende slok te nemen, de flacon is nog altijd tien
centimeter van zijn mond verwijderd. Nog meer geluiden bovenaan de
brandtrap. Twee mannen in uniform klimmen moeizaam door hetzelfde raam,
speuren gejaagd de straat af en rennen daarna zo snel mogelijk de trap
af naar beneden. Eén steekt de straat over en spreekt de
zuiplap aan. De ander zet de zijkant van zijn hand tegen zijn
voorhoofd, tuurt in de verte en zwaait met een pistool in zijn andere
hand. 'Hee jij, heb jij iemand hier net voorbij zien komen!?! Met een
zwart pak aan!'
'Ehr, .... nou .... ah verdomme! Me whisky!' Geschrokken houdt hij zijn
flacon weer rechtop. Hij veegt het vocht van zijn kraag en likt het van
zijn handpalm.
'Ik vroeg je wat, oetlul!' De bewaker grijpt de man bij zijn revers
terwijl hij hem dit toeschreeuwt. Zijn collega is er inmiddels ook bij
komen staan, nog altijd zwaaiend met een pistool.
'Jaja, hou je gemak man. Je ziet toch dat ik aan het knoeien ben!? Hij verdween net om de hoek daar.'
De andere is al onderweg. 'Hee, wat had ie gedaan, trouwens? En vanwaar dat pakkie? Ninja's zijn toch al uitgestorven?'
Een antwoord krijgt hij niet, beiden zijn al om de hoek verdwenen.
'Ach, kan mij het ook rotten. Potverdorie de helft van m'n borrel pleite, gedoe ook allemaal ..... '
Anderhalve kilometer daar vandaan stapt de gemaskerde man in een
sportwagen met geblindeerde ramen. Hij neemt even de tijd om op adem te
komen, trekt dan zijn masker af en bekijkt zichzelf in de spiegel.
'Hah, goed gedaan weer knul.' Hij grijnst jongensachtig en knipoogt
naar
zichzelf. Voorzichtig vouwt hij een fluwelen zakje met veters open op
zijn schoot. Zelfs in het duister fonkelen de edelstenen als
zonnestralen op een stil meertje. 'Dit was overigens kantje boord,
volgende keer wel iets alerter wezen,' houdt hij zichzelf voor. De
bolide ronkt, en spurt weg. De nacht bedekt de stadsgeluiden
met zijn alomvattende cape.
'Goedemiddag, Zonneveld Verzekeringen, u spreekt met Ellen Laroque, de
secretaresse van de heer Zonneveld wat mag ik voor u betekenen? Jahoor,
dat is geen probleem. U kunt .... even de agenda van meneer Zonneveld
erop naslaan, ..... dinsdag de achttiende, schikt u dat? Ja? Ja, om
half elf, da's prima. Fan-tas-tisch, zien we u dan. Dààg, tot ziens!'
De deur naast de secretaresse zwaait open, een oudere,
gesoigneerde heer stapt er doorheen met in zijn kielzog een joviaal
ogende man. Hij grijnst jongensachtig. Ferm schudt hij de oudere heer
de hand en wuift hem de hal uit. Buitengekomen kijkt de senior
glimlachend op naar het warme zonnetje alvorens hij een bolhoed opzet
en monter zijn weg vervolgt. Hij draagt een valies met daarin een -
onzichtbaar voor de buitenwereld - dichtgeknoopt fluwelen zakje. Een
oplettend iemand zou de weerkaatsing van de zon op de handboei om zijn
pols wellicht opgevallen zijn, waarvan het andere eind aan het handvat
van de koffer bevestigd is. Maar het valt niemand op, dus de oudere
heer vervolgt ongehinderd zijn weg.
De joviale man, midden dertig en het uiterlijk van een Europese versie
van Harrison Ford ziet het aan en loopt dan terug naar de
ontvangstruimte, nog altijd grijnzend. Niet verwonderlijk, met de gage
voor zijn laatst geklaarde klus in zijn zak. 'Ellen, lieve schat,
vertel het mij. Verleidt mij!' Met een overgedreven gebaar gaat hij op de rand van het bureau van zijn secretaresse zitten. Ze giechelt.
'Ooh, meneer Zonneveld, een deugniet, dat bent u!'
'Ach, m'n beeldschone Ellen, ik zie de wereld slechts als een
zoetgeurende appel die erom vraagt geplukt te worden. Maar vertel mij,
welke werkzaamheden heb ik vandaag nog in het vooruitzicht voordat ik
weer aan de vodka-lemon mag nippen aan het terras van Sonetti? Komaan, vertel mij en toon mij de verlokkingen van deze dag!'
'Ehm, ... om kwart voor twaalf, ene meneer ... Juozapas? Vreemde naam?'
'Hm, klinkt Oost-Europees. Wie is dat?'
'Geen idee meneer Zonneveld, hij belde vanochtend vroeg al, zei dat hij
u vandaag moest spreken. Eigenlijk kon hij niet wachten, maar ik liet
hem geen keus. U kent hem dus niet?'
'Nee, nooit van gehoord. Geeft niks, daarna geen afspraken meer?'
'Nee meneer Zonneveld.'
'Mooi zo, je bent een schat. Mooie jurk trouwens. Prada?
'Hihihi, Donna Karan.'
'Achzo. Staat je fabuleus.'
'Dank u.'
'Geen dank.' Met een schalkse knipoog verdwijnt Guy Zonneveld, eigenaar
van een goedlopende verzekeringsmaatschappij, weer zijn kantoor in.
Hoofdschuddend, maar evenwel blozend gaat Ellen verder met haar
werkzaamheden van de dag. Een radio, bevestigd aan haar monitor
knettert zachtjes. Een nieuwsbericht over heftige demonstraties bij
de poorten van Somnitex, een pharmaceutisch bedrijf gespecialiseerd in
het ontwikkelen van aminozuren die het immuunsysteem van de mens
(schijnbaar) vele malen zal versterken. Volgens de woordvoerder van de
firma een baanbrekend product waar iedereen op de lange termijn van zal
profiteren. 'De ozonlaag wordt er namelijk ook niet jonger op, haha.'
Een demonstrant echter beweert dat dat een glasharde leugen is, want
het bedrijf experimenteert aantoonbaar met giftige,
milieu-onvriendelijke stoffen en test deze uit op schapen en volgens de laatste geruchten zelfs op me-
Ellen klikt de radio uit en staat op om een kop koffie te halen.
Elf uur negendertig. Ellen schrikt op. Een man die zij niet heeft horen
binnenkomen staat plots voor haar bureau. 'Eh, ... goedemiddag meneer,
wat mag ik voor u betekenen?' Ze kijkt hem aan, maar slaat snel haar
ogen neer. Koude ogen, een granieten kin. De mond een smalle streep in
het gelaat boven een zwart designer kostuum. Hij antwoordt niet meteen,
maar verkent de kamer aandachtig. De behaaglijke ontvangstruimte lijkt
een aantal graden in temperatuur gedaald te zijn. Ze rilt eventjes.
'Eh, ... meneer?'
'Juozapas, kwart voor twaalf.' Het klinkt alsof hij iemand condoleert.
'Ohja, natuurlijk. U had een afspraak met meneer Zonneveld. Moment
alstublieft, neemt u daar maar plaats.' Ze wijst naar een grijze
fauteuil in de hoek van de kamer. De man verroert zich niet. 'Eh, .. ik
roep hem wel even op.' Ze drukt op de knop van de intercom, en houdt de
man in de gaten. 'Eh, meneer Zonneveld, de heer Juozapas voor u.'
'Prima Ellen, laat meneer maar verder komen,' klinkt het blikkerig uit de intercom.
'U kunt verder meneer.'
Met een nauwelijks zichtbare knik van verstandhouding loopt de man
langs Ellen het kantoor in. Opgelucht ontspant ze weer enigszins. 'Enge
vent,' mompelt ze terwijl ze zich weer concentreert op de stapel paperassen op
haar bureau.
Guy Zonneveld legt een apparaatje dat eruitziet als een zakmes - maar
met geavanceerde functies - weg in zijn bureaulade voordat hij opstaat
en de man een hand geeft. 'Guy Zonneveld, aangenaam.' De hand voelt
koud aan, vormeloos.
'Juozapas.'
'Neemt u plaats, alstublieft.' Onwillekeurig veegt Guy zijn hand af aan
zijn broek, alsof hij iets smerigs vastgepakt heeft. 'Iets te drinken?
Mineraalwater, koffie?'
De man schudt ontkennend en gaat zitten. Een mentholsigaret, bungelend
tussen zijn lippen terwijl Guy niet het idee heeft dat hij de man er
één zag pakken, steekt hij aan.
'Ellen, wees eens zo goed en breng meneer een asbak.' Hij drukt de
intercom weer uit en vraagt : 'Meneer, wat kan ik voor u doen?'
'Ik heb via via vernomen dat u een adequate klusjesman bent. Welnu, ik
heb een klus voor u. Met een vorstelijk honorarium, mits u de klus
succesvol voltooit.'
'Klusjes? Hoe bedoelt u? Permiteert u mij te informeren naar het
lijdend voorwerp? Gaat het om onroerend goed, of anders diefstal? Wij
hebben bijzonder voordelige polissen ter inzage, afhankelijk van de
voorwaarden die u aan het verzekerde object stelt en-'
'Daar doel ik niet op. U weet namelijk heel goed wat ik wel bedoel.'
Ellen komt binnen met een metalen designer asbak. Guy bedankt haar en
beantwoordt haar bezorgde blik met een geruststellend knikje. Hij wacht
met verder praten tot ze de deur achter zich dichttrekt. Met een flinke
dosis argwaan vervolgt hij de conversatie.
'Wie bent u en hoe bent u bij mij terechtgekomen? Eerder ga ik niet met u in conclaaf.'
De vreemdeling glimlacht, wat Guy onmiddellijk aan vermorzelde duiven
onder een stadsbus doet denken, en stelt : 'Dat is niet van belang,
meneer Zonneveld. Wat wel van belang is voor u, is het bedrag
dat ik en mijn partners bereid zijn u te bieden voor deze klus. Laten
we zeggen dat uw verrichtingen niet geheel onopgemerkt voorbij zijn gegaan. En
laten we zeggen dat uw nevenactiviteiten bepaalde instanties irriteren,
instanties die wij zonder problemen kunnen inlichten. Instanties die
maar wat graag een ordinaire dief in de kraag willen vatten. Een
uiterst inventieve dief, daar niet van, maar wel een dief.' De man
glimlacht nog altijd.
'Eruit. Mijn kantoor uit en ik wil u hier niet meer zien!' Guy is
inmiddels gaan staan. Juozapas drukt zijn sigaret uit en gaat even
verzitten.
'De heer Culemborch, die kent u vast nog wel, niet? Uiteraard kent u
hem, want hij verliet nog geen uur geleden uw kantoor met in zijn bezit
een koffertje. De inhoud ; een handvol edelstenen ter waarde van
achthonderdduizend euro, ruwe diamanten naar ik meen. Gisternacht
ontvreemd, en vandaag nog op weg naar de juiste persoon om het geheel
professioneel te bewerken. Kunnen we nu wel zaken doen?'
Guy ploft weer terug in zijn bureaustoel.
's Nachts, half twee. Op het dak van een pakhuis snelt iemand soepel
naar een in het midden gelegen mangat. Guy heeft zich wederom in zijn
zwarte outfit gehesen, en bestudeert het mangat. In het aangrenzend
kantoorpand branden enkele lichten en er is beweging achter de ramen.
SOMNITEX, roept een groot logo op driekwart hoogte van het gebouw. Hij
moet opschieten. Uit een rugzak pakt
hij een vijftig centimeter lange stang met inklapbare weerhaken. Een
lang touw met een metalen uiteinde en een haak hangt hij in de
uitsparing van de stang.
Het deksel tilt hij vrij gemakkelijk van het mangat met behulp van een
inklapbare koevoet. Zoals verwacht loopt er geen ladder van het mangat
naar de ruimte daaronder. De begane grond schat hij iets minder dan
twintig
meter lager. De ladder aan de zijkant van het pand waarlangs hij
zijn weg naar boven vond is later aangebracht en het prikkeldraad op
vijf meter hoogte - aangebracht om inbrekers te ontmoedigen - was geen
partij voor de metaalknipper die in het zakmes zit. De metalen stang
legt hij overdwars op het mangat, klikt hem vast met de weerhaken en
laat zich langzaam zakken via het touw. 'Tweehonderdvijftigduizend,
da's eigenlijk niet slecht voor een uurtje werk. Eén bewaker, want
niemand weet blijkbaar wat er in kist nummer twaalf zit. Stempelcode
JCD3355SH #12, te vinden in het "Uitheemse Goederen"-vak. Easy money, toch?'
Op anderhalve meter hoogte van de grond springt hij van het touw en landt katachtig op de houten vloer.
Een zwart-wit televisie springt van sneeuw naar beeld en terug. Guido,
de nachtwaker, geeft een harde klap op het dak van toestel. Het helpt,
maar amper één minuut later danst de ruis alweer over de beeldbuis.
Kloteding. Hij draait zich weg van het toestel en haalt een pakje
kaarten uit zijn borstzak. Routineus begint hij de kaarten te schudden.
Daarna coupeert hij de stapel, neemt de stapel in een handpalm, spreidt
ze allemaal uit, gaat met een andere hand over de kaarten heen en vouwt
een compleet nieuw pak open in zijn andere hand. Daarna vouwt hij beide
handen in elkaar, blaast erover en houdt dan slechts één kaart omhoog tussen
wijsvinger en duim. 'Schoppen Aas.'
Guido is nu nog nachtwaker van beroep, maar over niet al te lange tijd zal hij bekend staan als "Gerzonimus, illusionist extra-ordinaire!" Goochelen,
dat is geen hobby meer, maar een levensovertuiging. Vingers, die moet
je soepel houden. En dat deed hij dan ook. Keer op keer op keer. Elke
avond (of nacht), kaarten erbij en oefenen maar. Zonder te
kijken schudt hij de kaarten nog eens, ditmaal in één hand. Hij spreidt
de kaarten weer uit, zwaait even en draait ze om. Allemaal Schoppen
Aas. Nog eens zwaaien en .... allemaal Klaver Drie. De televisie doet
even kortstondig waar het ooit voor aangeschaft was en toont een
verslaggeefster. Ze oogt serieus. Geen geluid, maar een groot kader
onderaan kopt :
ILLEGALE EXPERIMENTEN PHARMACEUTISCH BEDRIJF BEWEZEN
DIRECTEUR IN HECHTENIS GENOMEN
De ruis neemt het beeld weer over en Guido balt zijn andere hand, en
blaast erin. Hij opent zijn vuist en vouwt daarin het complete spel
open terwijl hij de andere hand geopend toont. Leeg. Hij bereidt de
volgende truc voor, maar een geluid onderbreekt hem. Hij stopt zijn
handelingen en concentreert zich om de bron te achterhalen. Niet
binnen. Nee. Buiten. Gegil. Honden? Hij stopt de kaarten onbewust terug
in zijn borstzak en staat op. Beweging, in zijn ooghoek. Door het raam,
het pand aan de overkant. Vage silhouetten, derde verdieping zo te
zien. Maar of het gegil daar vandaan komt valt niet te bepalen. Of ...
? Geen geluiden meer. Guido wacht nog vier hartslagen en besluit dan om
een kop koffie te halen. Hij loopt het vertrek uit en ziet daardoor
niet dat de televisie weer tijdelijk beeld geeft. De verslaggeefster
heeft een belangrijke mededeling, maar het geluid staat nog altijd uit.
Verwonderd gluurt Guy door de spleet van een zijdeur. Hij heeft het vak
met de juiste goederen nog niet gevonden, maar ook hij werd gealarmeerd
door het gegil. Dat was een paar minuten geleden. Voor één van de ramen
ziet hij duidelijk een persoon langsschuifelen. Het lijkt alsof hij
iets meesleept voordat hij achter de muur verdwijnt om bij het volgende
raam weer tevoorschijn te komen. Een sissend geluid, dichterbij.
Misschien zes meter verderop.
In het keukentje blaast de koffieautomaat stoom af en koffie
stroomt uit het tuitje. Een plastic bekertje, vernuftig gepositioneerd,
vangt het op. Guido draait een shaggie in afwachting. Het melkreservoir
is sinds mensenheugenis defect, maar de koelkast puilt uit van de
instant poedermelk. De koelkast heeft zijn beste tijd gehad, dus
zodra Guido hem opent begint de motor als een razende te draaien, alsof
hij op het punt staat om door te branden. Zes jaar geleden deed hij dat
voor het eerst. Uit angst dat hij daadwerkelijk zou doorbranden had
Guido hem uitgezet. Twee weken, daarna zette hij hem weer aan, want de
storingsdienst liet nog altijd op zich wachten. Een dag later viel het
hem niet eens meer op. Vandaag hoort hij vanwege datzelfde geluid het
gerinkel van een raam, pal aan de overkant niet. Guy hoort het wel,
terwijl hij op weg was naar het gesis en daarna die hardnekkige brom.
Halverwege concludeerde hij al min of meer dat het keukengeluiden waren,
maar het geraas van glasscherven niet. Dat kwam weer van buiten.
Vreemde nacht. Hij sloop weer terug, naar de spleet in de deur en
gluurde weer naar buiten. Kapot raam, derde verdieping. Kronkelde er nu
iets op straat, daar vlak onder? Niet zijn zaken. Hij had een klus te
klaren, één met een aardige bezoldiging tegoed.
'Ehr, ... hallo? Zeg, wat doet u hier?'
Kut.
Een rol ductape, altijd handig om mee te nemen. Guido, vastgesnoerd in
zijn eigen stoel. Bewusteloos, gevolg van de hieltrap waardoor zijn
linkeroogkas al opzwelt. Guy die een ram op de tv geeft. Hij heeft
ongehinderd een rondje door het pand kunnen maken, maar nergens een "Uitheemse
Goederen"-vak te bekennen. Wel een afgesloten deur. Geen sleutel, ook
niet in het kantoortje. Achter de Playmate 2001 Kimberley
Stanfield-poster? Ook niks. Wel een kastje vol rukblaadjes. Hij geeft
nog eens een ram op het toestel. Niks, alleen maar ruis. De tijd begint
te dringen. Guido kreunt, hij komt bij. Het gaat Guy niet snel genoeg,
dus geeft hij hem een klap met de vlakke hand. Guido schrikt wakker en
probeert te focussen. Hij zwaait heen en weer alsof hij dronken is.
'De sleutel, snel!'
Weer gerinkel buiten. Het begint hem op de zenuwen te werken. Hij geeft Guido nog een mep.
'DE SLEUTEL, NU VERDOMME!'
Guido schudt zijn hoofd in ontkenning. Guy bukt zich, pakt een injectiespuit uit zijn rugtas en laat hem aan Guido zien.
'Nog één keer, ..... DE SLEUTEL!'
Guido kijkt naar zijn voeten. Met een diepe zucht legt Guy een hand op
zijn schouder en ramt met de andere de spuit in zijn oor.
'HmMMmMmmmMM!' Guido schudt heftig zijn hoofd heen en weer, probeert
zijn hoofd weg te draaien. Bloed druipt langs de schacht. Spetters vliegen in het rond. Guy trekt de spuit uit zijn oor.
'De volgende keer vul ik hem met zoutzuur, zeg het maar?' Met een ferme ruk trekt hij de ductape van zijn mond.
'Rrghaaaah! ... Aaaahrghaa ... hhahuuhuuu .. ah, ... ah, ... nie ..
niet .... niet meer doen, .. man, ... alsjeblieft ...
alsjeblieftalsjeblieft ... in mijn broek .. broekzak ... niet meer,
.... alsjeblieft .... '
Dom. Natuurlijk in zijn broekzak, waar anders.
Luttele ogenblikken later is het hem gelukt. De sleutel was inderdaad
de juiste en achter de deur vond hij het bewuste vak. En het begeerde
pakket. Guy bestudeert de inhoud aandachtig, maar hij kan er niks mee.
Het ziet eruit als een relikwie, een beeltenis van een godheid uit een
onbekend verleden. Het heeft wat weg van een Peruviaanse Tumi, zonder
de karakteristieke halve maan. Hij haalt zijn schouders lichtjes op en
stopt het weg in zijn rugzak. Het geluid van gierende banden nu, naast
het gegil dat weer duidelijker te horen valt. Opgewonden stemmen.
In het kantoortje is de televisie weer helder van beeld en er valt
een hoop te zien. Een camera filmt van binnenuit een busje. De bus
remt, de cameraman springt eruit en richt zijn lens op een
industriepand. Het SOMNITEX -logo houdt hij eventjes in beeld. De
verslaggeefster, ze ziet er danig opgewonden uit, springt voor de
camera, botst even met haar gezicht er tegenaan, vermant zich en neemt
de juiste positie in. Achter haar het SOMNITEX -gebouw, ramen liggen
aan diggelen, iemand springt uit het raam, een pijnlijke aanraking met
Moeder Aarde in het vooruitzicht. De verslaggeefster praat, nee,
schreeuwt bijna in de camera en kijkt vaak over haar schouder. De
camera zoomt in op een tafereel, vlak voor de ingang van het gebouw.
Een paar mensen staan gebogen over een persoon en doen .... iets met
diegene. Het kader onderaan beeld verschijnt weer en kopt ditmaal :
EPIDEMIE BIJ PHARMACEUTISCH BEDRIJF UITGEBROKEN, OORZAAK ONBEKEND
Guy komt het kantoor weer binnenrennen en oogt angstig. Guido zit met
grote ogen alles op het scherm te volgen, de ductape verhindert
eventuele mededelingen van zijn kant. Hij draait zich om naar de
inbreker, en murmelt paniekerig. Guy begrijpt het wel, maar zit te
dubben of hij de nachtwaker wel los moet maken. Op tv is te zien dat
het gezicht van de verslaggeefster ongewoon dicht op de lens zit. Ze
roept iets, herhaalt het, en dan nog eens. Bij de derde keer realiseert
Guy zich dat ze roept dat we hier weg moeten ....... Het beeld
maakt weer plaats voor sneeuw. Guido murmelt nog eens dat hij losgemaakt wil worden.
Guy twijfelt nog steeds. De klus zou normaliter geslaagd zijn als hij
hier weg weet te komen, zonder bemoeienis van een nachtwaker die de
politie zou kunnen bellen. Maar dan dit. Deze gebeurtenissen zijn niet
normaal. De omstandigheden zijn anders. Het beeld springt weer aan. De
camera filmt zijwaarts. Een donkere druppel loopt over de
lens. Een paar benen op de grond, schoppend. Iemand rent vanuit de
ingang in de richting van de camera, ongewoon snel. Guy deinst terug,
Guido murmelt nog harder. 'Godskolere!' Als een razende begint Guy de
nachtwaker los te maken. Het was geen mens dat in de richting van de
camera rende. Misschien ooit, in een ver verleden. Maar een (normaal)
mens beweegt doorgaans niet zo snel, en heeft geen oogbol dat aan een
dun draadje tegen een wang aanwiebelt tijdens het rennen. Een (normaal)
mens heeft geen groot gat in het voorhoofd waar de schedel achter
glimt. Een (normaal) mens mist geen stukken schedeldak. Een (normaal)
mens zwaait niet rond met een afgescheurd stuk arm alsof het een trofee
is.
Guido is vrij en overlegt kortstondig met de inbreker. Er is een
achterdeur, aan de andere kant van het pand. Vlak in de buurt daarvan
staat de auto van de inbreker geparkeerd. Ze besluiten geen tijd meer
te verspillen en ervoor te gaan als het geraas van een deur die
vermorzeld wordt hun onderbreekt. Snelle voetstappen in de gang.
Gehuil, gegrom, geluiden die niet thuis te brengen zijn. Guy graait in
zijn rugtas, haalt er een klein kaliber vuurwapen uit. Hij heeft een
hekel aan pistolen, maar hij is blij dat hij eraan gedacht
heeft. Behoedzaam loopt hij naar de deuropening, Guido vlak achter hem.
Aanvankelijk denkt Guy dat het weer stil is, stapt de gang in en wordt
onmiddellijk besprongen. Het wapen vliegt uit zijn handen. Guido kijkt
in ontzetting toe, verlamd, en ziet hoe drie .... figuren ..... Guy te
grazen nemen. Ze grommen als beesten, scheuren zijn maag open, graaien
tussen zijn ingewanden, trekken eraan, klauwen zijn gezicht open,
rukken één been eraf alsof het van papier-maché gemaakt is. Eén van hen
bijt Guy's strot af, likt gulzig het gutsende bloed op. Guy trilt
gedurende deze aanval onophoudelijk als een epilepsiepatiënt, maakt
onduidelijke geluiden en zijn lichaam wringt zich in allerlei bochten
totdat zijn hoofd los begint te scheuren. Het masker heeft hij nog
altijd op. De kamer geurt zoetig en verrot tegelijk. Guido slaat
zichzelf hard in het gezicht om te ontwaken uit zijn droomtoestand.
Zijn lip springt bloedend onder protest open. Daar, op de grond. Het
pistool. Hij duikt ernaar, rolt even door en weet één van zijn nerveuze
vingers aan de trekker te krijgen. Gehijg, vlak bij hem, steeds
dichterbij. De geur van rotte eieren, bedorven vlees en ontbinding
overrompelt hem. Hij drukt op goed geluk af. Het wapen maakt meer
kabaal dan je zou verwachten. De scherpe lucht
van cordiet vermengt zich met de aanwezige geuren. De kogel treft
miraculeus genoeg één van de belagers recht in het voorhoofd. De inslag
werpt het wezen achterover. De anderen verleggen hun aandacht
onmiddellijk naar Guido. Hij legt aan, drukt af en mist de eerste
aanvaller. De kogel slaat een gat in de muur daarachter. Hij ademt
gejaagd, hinnikt hysterisch en drukt nog
eens af. Deze treft doel, maar duwt de belager slechts achteruit. De
wezens twijfelen even, lang genoeg voor Guido om opnieuw te richten en
te vuren. Raak. Een reeds gehavende schedel splijt afkeurend en de rest
zakt in elkaar. De derde grauwt naar hem, zwaait met zijn
klauwen. Het rode hemd - waarschijnlijk nog geen uur geleden nog wit
van kleur - dient nodig gestreken te worden. Eronder, rond de
maagstreek zit behalve een scheur in het textiel ook een gat in zijn
maag. Een gele, tevens blauwachtige prop stulpt naar buiten. Het lijkt
hem niet te deren. Ogen heeft hij niet, een neus nauwelijks. Uit een
gat in zijn wang druipt dik, glasachtig vocht. Hij zwaait op zijn
benen, klaar voor de aanval. Guido richt nogmaals en drukt af. Klik.
Geen kogels meer. 'Kutkutkutkut!' Hij laat het wapen vallen. Terwijl
het met een luide bons op de grond belandt krijgt hij een ingeving. Hij
reikt voorzichtig naar zijn borstzak, pakt de stapel kaarten eruit met
één hand, schudt ze met diezelfde hand en spreidt ze uit. Hij coupeert
de stapel, spreidt ze weer uit, zwaait ermee en weg is de stapel. Het
wezen lijkt van zijn stuk gebracht, laat zijn klauwen zakken en doet
een stap opzij. Guido loopt zijdelings naar de deuropening en probeert
niet uit te glijden over het mengsel van bloed en ingewanden. Hij klapt
in zijn handen en spreidt nu in beide handen een compleet pak kaarten
uit. De zombie deinst achteruit. Zijn mond staat open, maar er is geen
sprake van een mond, eerder een gat. Guido loopt nog altijd
zijdelings, stapt door de deuropening, verkent vluchtig de gang en ziet
(nog)
geen nieuwe aanvallers. Een bloederige hoop met zwarte lompen, ooit Guy
met zijn jongensachtige charme ligt er verloren bij. Het kantoor heeft
binnen nog geen twee minuten een radicale interieurwijziging ondergaan.
Bloed druipt van het plafond, Kimberley
Stanfield heeft bloederige vegen over haar blote buik lopen en Guido
vouwt zijn handen in elkaar, wrijft hard en een kleine
steekvlam schiet tussen zijn vingers vandaan. Het wezen, duidelijk
aangedaan nu, struikelt over één van de gevelde monsters.
Guido sprint weg, slaat linksaf door het gat in de deur en probeert een
inschatting te maken.
Buiten zijn enkele wezens druk bezig met het uitbenen van de cameraploeg. Eén
rent weg met het hoofd van de verslaggeefster tussen zijn klauwen.
Smakkende, scheurende en grauwende geluiden, meer hoort hij niet. Als
een waanzinnige rent Guido naar het busje van de cameraploeg, springt
achter het stuur en scheurt weg. Op zoek naar een borrel. Mensen rennen gillend rond, de chaos houdt niet op. De televisie
in het kantoortje geeft weer even beeld. Een nieuwslezer babbelt
ernstig de kamer in. Achter hem op een scherm valt te lezen dat
de storing waarschijnlijk verholpen is en dat de reguliere
programmering weer snel zal aanvangen. Het toestel begint weer te
ruisen en in het kantoortje snuffelt het wezen nieuwsgierig aan de
relikwie dat hij uit Guy's tas gevist heeft.
Juozapas, in de duistere anonimiteit van zijn huiskamer schenkt
zichzelf een borrel in en kijkt hoofdschuddend naar het nieuws. De
telefoon gaat. Hij neemt op en beantwoordt ogenschijnlijk een aantal
vragen. 'Nee, waarschijnlijk niet nee. Ik heb geen idee, ik heb nog
niks van Zonneveld vernomen. Nee, ook nog geen nieuws omtrent het
industrieterrein, maar dit zal sowieso niet in de kranten komen, vermoed ik. Ze zullen het volk onwetend willen houden.
Wat? Nee, voorlopig niet. De directeur heeft zijn polsen tot op het bot doorgesneden,
vernam ik zojuist van onze man binnen het korps.
Juist ja. Hm. Misschien kunnen we de verdelgingsdienst langs sturen?
Hm. Oké. Goed, we wachten af. Ja, is goed. Prima.' Met een diepe zucht
legt hij de telefoon weer neer. Hij nipt van zijn borrel en staart uit
het raam. 'Dit gaat gedonder opleveren, nou en of.' |
 |
|
|
|
Buitenissig
|
22 Dec '04 -
|
 |
Zomaar een scène, op zomaar een dag, in zomaar iemand's huis. Het
drankje dat mij aangeboden wordt sla ik af. Het ziet er bedenkelijk
uit. Degene die ermee aankwam trouwens ook. De ruimte - de
lambrisering
heeft een smetteloos witte uitstraling - puilt uit van de vrouwen van
middelbare leeftijd. Ze kakelen volop, over buikwandcorrecties,
neuscorrecties, tepelcorrecties, schaamlipverkleiningen,
liposculpturen, lipvergrotingen, bilprotheses, borstliften en de rest
versta ik niet meer, want ik ben de kamer uitgelopen. Ik werp nog eens
een blik over mijn schouder en zie etalagepoppen in galajurken levensecht
met elkaar giebelen. Vrijwel allemaal houden ze fluten champagne in hun
handen, maar gedronken wordt er nauwelijks.
De volgende ruimte verwelkomt mij met hippe, nikszeggende loungemuziek.
Een discjockey (althans, dat neem ik aan, want hij staat achter een
opklaptafeltje met daarop een mengpaneel) achter een opklaptafeltje
staart geconcentreerd naar zijn mengpaneel, koptelefoon tussen kin en
schouder geklemd. Hij draait continue aan dezelfde knop en beweegt zijn
hoofd autistisch op en neer, maar ik hoor geen verschil in geluid. Ik
loop onopvallend langs en zie dat de displays op beide cd-spelers NO
DISC aangeven. Op het mengpaneel branden verder geen lampjes. De jongen
draagt een geruite pantalon, een groen mouwloos shirt en heeft om beide
polsen een oranje bandje. Een onnoemelijke hoeveelheid gel in zijn
haar, waardoor het schuin omhoog staat. Hij stopt even met het draaien
aan het knopje en kijkt mij aan. Ik heb nog altijd geen verandering
kunnen waarnemen in het geluid. Het valt mij nu pas op dat hij een
zonnebril draagt. Een blauwe. Hij grijnst - ik zou zeggen schaapachtig,
maar schapen lachen niet. Hebben de reden daartoe ook niet.
'Hey, ken je die nieuwste Mash up van Chemical Williams en Ashlee Aids al? Die's vet man!'
Ik vraag hem het te herhalen, want ik had de bandnaam niet goed verstaan.
'Chemical Williams en Ashlee Aids, hun nieuwste Mash up! Echt kicke man!'
Hij grijnst nog altijd. Strak, wit gebit. Ik wil hem vragen of dat
kronen zijn, zie er vanaf en vraag hem in plaats daarvan wie Chemical
Williams en Ashlee Aids Mash up zijn.
'Nee man, Mash up! De nieuwste! Van Chemical Williams en Ashlee Aids!'
Wat een Mash up is, vraag ik hem.
'Een mix van bestaande nummers, maar dan met uiteenlopende stijlen! Echt geniaal spul man!'
'Daar is toch niks nieuws aan, dat deden ze jaren geleden al?'
'Neey man, .. wacht ... Stel je voor, ... De Beatles en Eminem, gemixt! Is dat niet heftig!?'
Ik vertel hem dat dat eerder infantiel klinkt.
'Janee man, dat moet je zo zien, omdat die mix-'
Ik zeg 'laat maar,' en loop verder de ruimte in. De jongeman gaat hoofdschuddend verder met het draaien aan dezelfde knop.
In tegenstelling tot de vorige ruimte is deze zaal louter gevuld met
jonge mensen. Er wordt nauwelijks gepraat. Vrijwel iedereen is
druk bezig met telefoneren of het intikken van tekstberichten, ook al
staan de ontvangers waarschijnlijk aan de andere kant van de zaal. Een
oudere dame, verdwaald of op zoek naar de juiste omgeving, loopt langs.
Een wolk van parfumlucht achtervolgt haar en bezorgt mij een golf van
misselijkheid. Ze draait zich om, aait mij zonder waarschuwing over de
wang en kijkt alsof ze een zojuist een chow-chow aangehaald heeft. Ik
veeg geschrokken met de rug van mijn hand over
diezelfde wang. Ik besluit de
tent
te verlaten. Iemand klampt mij aan en vraagt mij of ik een vriend van
Maroecha ben. Ik zeg diegene dat ik Medusa niet ken en zomaar naar
binnen ben gelopen, want de voordeur stond open. Verwonderd antwoordt
zij dat de persoon in kwestie Maroecha heet, maar ik ben al bij de
voordeur.
Buiten adem ik de koude lucht gulzig in. Een gehandicapte man in een
rolstoel rijdt voorbij, kijkt mij vals aan - of misschien is dat een
onderdeel van zijn handicap - en voegt mij iets toe. Ik meen het
woordje neger te verstaan, maar dat kan ik mis hebben. Hij zal
zijn redenen wel hebben. Ik loop de straat door, sla de hoek om, op
zoek naar de eerstvolgende open voordeur.";s:4:"body";s:0:" |
 |
|
|
|
Baardvis
|
13 Dec '04 -
|
 |
.... dat men in Anguilla, Antigua, Bangladesh, Botswana, Brunei,
Cyprus, Fiji, India, Jamaica, Japan, Kenia, Kiribati, Lesotho, Macau,
Malawi, Montserrat, Namibië, Niue, Oeganda, Saint Kitts, Saint Vincent,
Seychellen, Swaziland, Tuvalu en een handjevol andere plekken
schijnbaar de linkerzijde van de weg opzoekt.
Ikzelf persoonlijk, prefereer St Amandus, patroonheilige van de herbergiers. |
 |
|
|
|
 |