 |
|
En zo is het!
|
30 Mrt '04 -
|
 |

Tijd voor de lente. |
 |
|
|
|
Purificatie #26 - Epilogue
|
26 Mrt '04 -
|
 |
De koninklijke slaapkamer had al zijn koninklijke
glans verloren, getuige de ravage die het laatste handjevol
soldaten van Áengus aantroffen. Een straffe wind joeg vrijelijk door de
kamer mede dankzij een groot gerafeld gat dat de zijmuur ontsierde waar
eens een raam had gezeten. Manuscripten dwarrelden door het
vertrek en begerige vlammen likten, aangewakkerd door de aanhoudende
wind, de knoeste boekenkasten kaal. In het midden van het vertrek
pruttelde het vergane lijk van Líadán nog altijd onophoudelijk.
Het wit van haar vrijgekomen botten stak scherp af tegen de zwarte,
palingachtige kronkelende slangen en vormde tezamen een walgelijk
stoofpotje met het spetterende orgaanvlees als garnering. Buiten
weerklonk nog altijd het grommen van de nachtmerrieachtige wezens.
Angstig en onzeker keken de soldaten elkaar aan. Op de houten
vloer, pal voor hun voeten, glinsterde de
koninklijke zegelring met een magnifieke schittering onder de
priemende zon.
Ciarán had zijn weg naar buiten wederom gevonden via
de geheime entree en ontwaarde diezelfde grommende geluiden in de
lucht. Gedreven door een niet aflatende nieuwsgierigheid besloot hij
zich naar de voorkant van het kasteel te begeven. De scene die hij
daar aantrof bood hem een bizarre aanblik. Een krijger met een zwart
glimmende arm nam het schijnbaar in zijn ééntje op tegen een drietal
monsters met paarden(?)hoofden, terwijl er tegelijkertijd een
stukje verderop vier soortgenoten elkaar leken te willen afmaken. De
krijger zag eruit als een van die sterke barbaren uit de bergen, maar
het zou niet lang duren voordat hij zou bezwijken onder
de dwingende aandacht van de mutanten. Moed in die mate kon hij
wel waarderen, en dit waren overduidelijk gesommeerde creaturen van de
heks, dus behoedzaam naderde hij de vechtende kluwen teneinde de
barbaar een helpend handje toe te steken.
Tergend langzaam liep hij op het groepje af, en
fluisterde zachtjes iets richting de dichtsbijzijnde Feòrichudh. Het
onaardse beest draaide zich met een ruk om naar de magiër en schudde
zijn kop in ontkenning. Zijn lippen trokken weg en toonden machtige
slagtanden in al zijn glorie. Als een dolle olifant viel hij de enge
fluisteraar aan. Op een paar meter afstand genaderd stampte Ciarán
eenmaal op de grond en deze leek zich pijlsnel te splijten onder zijn
voet. De aarde opende zich als de mond van een hongerige baby en slokte
de Feòrichudh gulzig op. Deze wist zich nog net gillend vast te klampen
aan een rand van de gespleten grond, maar tijd om eruit te klauteren
kreeg hij niet. Net zo snel als de aarde zichzelf als de benen van een
hitsige prostituee gespreid had, zo snel sloot deze zich naadloos weer.
Alleen zijn klauwen staken krassend als bizarre trofeeën boven de
grond uit.
Oggy, op zijn beurt, zag dit alles in zijn ooghoek
gebeuren, maar hij was te druk bezet om er aandacht aan te schenken.
Een Feòrichudh, de brutaalste, dook naar zijn voeten en beet hem
hartstochtelijk in zijn dijbeen. Zijn tanden zonken diep weg in het
machtig gespierde barbarenvlees. Oggy gilde luid en vocht verbeten
tegen de tranen die in zijn ogen opwelden. Zijn ervaren, bewapende hand
deed wat hij moest doen, haast op de automatische piloot. Met een
blinde zwaai ontnam hij de tweede Feòrichudh een essentiële
lichaamsfunctie waardoor verder aanvallen praktisch onmogelijk geacht
werd. De steel van de bijl protesteerde en brak halverwege af. De
Feòrichudh wankelde achterover terwijl de gehavende bijl zijwaarts
vlak nèt onder het voorhoofd bleef zitten. Verblind door het plakkende
bijlblad met de halve steel rende het beest zonder overleg een kant op.
Uiteindelijk kwam hij struikelend tot stilstand bij zijn ruzieënde
soortgenoten. Dankbaar doken deze bovenop de vers aangeboden lunchmaaltijd.
Er werd geknaagd aan Cearnaigh, en hij was niet
direct bij machte dit te verhelpen. De gietijzeren arm, normaal
gesproken goed voor een verbrijzelde schedel hier en daar, woog teveel
voor zijn rap afnemende spierkracht. Hij zag geen kans overeind te
komen als gevolg van het vele bloedverlies en de Feòrichudh bleef maar
bijten. Pezen bezweken en hij kon ze horen knappen als strakgespannen
elastiekjes. Terwijl de loomheid hem overviel als een warm dekbed, keek
hij hulpeloos op naar de magiër. Ciarán vormde een denkbeeldig kommetje
met zijn handen, draaide ze rond en kneedde deze totdat hij de
gewenste uitkomst had. Hij keek de barbaar aan en glimlachte
geheimzinnig. Hij draaide zijn handen steeds sneller rond het
denkbeeldig kommetje. steeds sneller, en trok beide handen uit
elkaar met een venijnige ruk. Het monster dat aan Oggy's been hing
spatte als een bloederige zeepbel uiteen. Gelig drab spoot als een
overmaatse geiser over hem heen, en droop als een klonterige regenbui
over zijn gezicht. Vol walging spoog hij stinkende restjes druipend
vlees uit. Ciarán kwam naderbij en hielp de barbaar overeind. "En bedankt hè." Grijnsde Oggy de magiër toe, onderwijl de drab uit zijn ogen vegend.
De soldaten van Koning Áengus keken het schouwspel
huiverend aan vanuit de slaapkamer en zagen de magiër en de barbaar het
strijdtoneel verlaten. De barbaar strompelde moeizaam weg, gesteund
door zijn nieuwe kompaan. De overige Feòrichà in de achtergrond
probeerden verbeten elkaars eetlust te bevredigen.
Terwijl Ciarán de barbaar hielp zijn bloedende
wonden te stelpen beantwoordde hij zijn vragen zo gedetailleerd
mogelijk. Hij mocht de barbaar wel. Vrijwel alle leemtes van de
afgelopen drie dagen tussen hen werden zonder problemen opgevuld, op
één na. "Dit ding, - terwijl Cearnaigh naar het medaillon wees aan zijn riem - wat doet dat precies?"
"Geen idee? Ik vermoed dat het als een valstrik voor de Koning
fungeerde, maar de bijbehorende vloek deed haar waarschijnlijk het
verstand verliezen. Vermoed ik. Líadán kende ik, net zoals
jij, nog van eerdere tijden, en ze maakte daarstraks geen
heldere indruk op mij. Wie weet wat haar uiteindelijke doel was?
Alleenheerschappij? Verandering van spijs? Dood en verderf? Ze had
nochtans de moeite genomen om zich te transformeren in de Koning, nadat
zij hem zelf had vermoord. Dat duidt erop dat haar plannetje niet
verliep zoals het moest en daarbij had ze misschien niet gerekend
op zoveel tegenstand van jouw kant?"
Cearnaigh trok het medaillon van zijn riem en wierp
het opgelucht van zich af. Met een zacht plofje belandde het een paar
meter verderop in het mulle zand. De groene gloed van de scarabee
lichtte fel op onder de hete middagzon, en op de platte
zijde ervan werd het lachende gezicht van Líadán langzaam
zichtbaar. De twee mannen werden opgeschrikt door een krassend geluid
en keken omhoog. Krijsend klapwiekend dook Prònnasg de adelaar op het
medaillon af en griste het mee met zijn klauwen. Nijdige doorkliefde
hij het luchtruim, de mannen verbaasd achterlatend.
Ze keken elkaar grinnikend aan, terwijl
wederzijds begrip begon door te dringen. We spreken van het jaar 504,
waarin vele veranderingen de wereld onherstelbaar zou veranderen.
"Hee, even iets anders?" Vroeg Ciarán. "Vraag maar." Antwoordde Cearnaigh.
"Rook jij?"
Purificatie |
 |
|
|
|
Purificatie #25 - Verificatie!
|
24 Mrt '04 -
|
 |
Nee. Bangelijk uitgevallen was hij zeker niet. Zover
hij zich kon herinneren werd dat ook van je verwacht, als mannelijk
lid van de MacGeoghegan-clan. Hoe oud je dan ook mocht wezen. Zo
moest hij eens op zes-jarige leeftijd een paar emmers water halen bij
de rivier, opdracht van moeder Oigthierna. "En rap een beetje Cearnaigh, we gaan zo eten oké?"
"Goed mam, ik ben zo terug!" Kleine Oggy
griste twee emmertjes bij elkaar en rende zo vlug als zijn korte
beentjes hem konden dragen richting de rivierbedding, met dat
typerende kinderhupje wat zes-jarige kinderen altijd schijnen te
gebruiken als ze zich verplicht moeten haasten. Moeder Oigthierna keek
hem glimlachend na, en realiseerde zich dat de jongen inmiddels veel
van zijn tè vroeg overleden vader weg had. Vooral dat stoppelbaardje
deed het hem.
Oggy genoot altijd zoveel mogelijk van de heenweg,
want dan kon hij tenminste vrijelijk hupsen wat hij wilde. Hij had al
eens eerder uitgerekend dat het zo'n honderdtwintig keer hupsen was
richting de rivier. Met twee volle emmers terug richting huis kwam hij
uit op honderachtennegentig moeizame stappen, dus dat was een
significant verschil dat uitgebuit diende te worden. Om het minder
zwaar te laten lijken, zong hij op de terugweg altijd het liedje dat
zijn moeder hem ooit geleerd had. Nu was hij al zes, vrijwel een man,
dus zingen werd meestal niet gewaardeerd door de andere mannen. Hij
waakte er dan ook voor dat iemand hem ooit zou betrappen, luidkeels een
kinderliedje kwelend. Dus neuriede hij het zachtjes binnensmonds:
Twee emmertjes water halen
Twee emmertjes pompen
De meisjes op de klompen
De jongens op hun houten been
Rij maar door mijn poortje heen
Van je ras ras ras
Rijdt de koning door de plas
Van je voort voort voort
Rijdt de koning door de poort
Van je erk erk erk
Rijdt de koning naar de kerk
Van je één....twee....drie
Die dag werd hij door de bruine beer aangevallen.
Hij had er geen acht op geslagen, druk als hij was met het sjouwen van
de volle emmers. Normaliter zou hij kansloos geweest zijn, ware het
niet dat enkele clan-leden toevallig op dezelfde beer aan het jagen
waren. Desondanks had hij er flink van langs gekregen. Er waren zeven
clan-leden nodig geweest om het dier te doden, zodat ze de jongen
eindelijk in veiligheid konden brengen. Een gebroken rug, een op drie
plaatsen gebroken arm, diverse vleeswonden op zijn rug en benen,
dat was de uiteindelijke diagnose toen hij bij zijn wit
weggetrokken moeder werd gebracht. De beer had hem in een
dodelijke omhelzing genomen, maar de wilskracht van jongen had
verbluffend gebleken. Hij had zijn adem zo lang als hij kon ingehouden,
zodat de beer hem niet onmiddellijk kon doodknijpen. Hij kon zich niet
meer herinneren of hij daarna ooit nog water gehaald had.
Bruusk draaide hij zich om en keek recht in
het gelaat van een Feòrichudh. Nee. Bangelijk niet, nee. Maar deze
wezens waren met recht angstaanjagend te noemen. Waarvan hij in de
eerste instantie dacht dat het een paardenhoofd was bleek dus niks van
te kloppen. Het had misschien de vorm van een dravershoofd,
maar zijn grote lege ogen lagen diep in hun holle kassen en
daar ergens binnenin huisden twee kleine puntjes, als
bloeddoorlopen smeulende cigarettepeukjes in de nacht. Ze stonden
een flink eind uit elkaar en vlak daaronder grijnsde een rij
snijtanden hem gemeen aan als een stel slagersmessen. Het grotesk
gevormde lichaam - het had de dofgele kleur van overjarige kaas -,
gelardeerd met spieren als kabels verried bovendien een
bovenmenselijke kracht. De Feòrichudh zette aan en haalde doldriftig
uit met zijn bovenmaatse gekromde klauwen die eruit zagen alsof ze een
volwassen koe met een simpele hakbeweging konden onthoofden.
Oggy rolde achterwaarts en nam zijn bijl onderwijl
behendig in de vlucht mee. Dom mochten ze dan misschien wezen, maar de
Feòrichudh maakten dat ruimschoots goed met hun snelheid, kracht en
dierlijke woestheid. Het monster dook bovenop Oggy en probeerde hem te
bijten. Wederom bewees de gietijzeren creatie van O'Ciaragáin zijn nut.
Hij ramde de arm recht in het lelijke smoelwerk van zijn belager en
sloeg daarbij meerdere tanden eruit. Het misbaksel stiet een pijnlijke
kreet uit en begroef zijn klauw in de borstkas van Oggy.
"Zo zeg, dàt voelt onaangenaam aan."
Reflexmatig gooide hij zijn hoofd naar voren en gaf
het ondier een kopstoot, bovenop zijn lange paardeachtige snuit. Daarna
trok hij knie hard omhoog en wipte het beest over zich heen. Sommige
klauwen bleven afgebroken hangen in zijn borstkas terwijl de Feòrichudh
op zijn rug belandde. Pijlsnel kwam Oggy overeind, zwaaide met zijn
machtige bijl en splijtte de afzichtelijke kop secuur als een parmaham
in tweeën.
... Twee emmertjes water halen ...
Met een luid knallende scheet floepten de schamele hersenen naar buiten.
... Twee emmertjes pompen ...
Oggy trok de harde stukjes nagel een voor een uit zijn borstkas en
smeet ze als gebruikte luciferhoutjes van zich af. Zoals verwacht was
de vijand al gealarmeerd. Drie Feòrichà stormden brullend op hem af,
twee hadden slechts oog voor het sappige vlees waar ze al drukdoende
mee waren en twee andere gingen voor hun dode broeder. Van de vier
Feòrichà die eerder al druk bezig waren elkaar af te maken leefden er
nog maar één, en dan ternauwernood. Cearnaigh verstevigde de greep op
zijn bijl. "Van je ras ras ras ..."
Líadán glimlachte nog altijd, maar balde haar
vuisten beurtelings. Ciarán op zijn beurt probeerde haar kracht in te
schatten, welke gecombineerd met haar duidelijk aanwezige
krankzinnigheid waarschijnlijk buitenproportionele vormen had
aangenomen. Als twee revolverhelden keken ze elkaar strak in de ogen,
wachtend op de eerste beweging. De lucht in het vertrek was geladen met
electriciteit. Kopjes, bordjes en boeken trilden onrustig op hun
plek, alsof ze nog maar luttele seconden van een lancering verwijderd
waren. Ergens in de verte steeg er een kloterige kutreiger op.
"Milord, kan ik misschien nog iets voor u betekenen?" Een
bediende met in zijn handen een dienblad vol lekkernijen kwam
onaangekondigd de slaapkamer binnen. Líadán gilde alsof er een kan
ijswater in haar nek gegoten werd. "SERAFIM! DOOR MIJ!"
Het hoofd van de onwetende bediende werd van zijn schouders gerukt
met een zachte plop, "R" De Ruinart Rosé 1990 (hah!) bleef een halve
seconde aan het vier meter hoge plafond hangen en viel met een natte
bons op de vloer. Zjn lichaam vouwde zichzelf als een harmonica samen
en vormde tezamen met de gevallen lekkernijen een
onsmakelijke zelfbedieningsbuffet.
Ciarán sprak in sneltreinvaart zijn bezwering uit: "Uriël! Naast mij!" Líadán
spreidde haar armen en strekte haar vingers richting plafond. Een
enorme vuurbal raasde dwars door het raam naar binnen en trof Líadán.
Echter, de bal vloeide over haar heen als een pak yoghurt dat over
een bowlingbal gegoten werd en lichtte tegelijkertijd de kamer felgeel
op. Ze counterde onmiddellijk en wees met een priemende vinger in de
richting van de magiër. Deze werd met ontzagwekkende kracht tegen de
muur aangesmeten. Normaal gesproken genoeg om elke ruggegraat als een
dor sinaasappelkistje te versplinteren. Versuft krabbelde Ciarán
overeind en wierp zijn hoofd in zijn nek. Een brul
kroop onregelmatig rollend omhoog vanuit zijn keel. Zijn ogen
leken fel wit op te lichten zodra hij haar weer aankeek. Vertwijfeld
deinsde Líadán achteruit. Zonder het daadwerkelijk te roepen, weerklonk
zijn stem door het vertrek met een stem die de zijne niet was: "Càrn na cuimhne!"
Met een pijnlijke grimas greep Líadán naar haar gezicht en voelde met afgrijzen dat er dingen onder
haar huid leken te kruipen. Steeds dikker wordende en steeds
nadrukkelijker kronkelden ze rond totdat haar ogen ervan begonnen uit
te puilen. Met alle mogelijke macht probeerde ze ze terug te duwen,
daarbij uiteindelijk haar nagels gebruikend. Het duurde niet lang
voordat ze een van haar oogbollen lek prikte met haar scherpe nagels.
Oogvocht, vermengd met bloed spoot eruit, wat haar ertoe bewoog nog
harder te gaan gillen dan ze feitelijk al deed. Haar huid begon
scheurtjes te vertonen die allengs steeds groter werden. Ze kreeg nog
net de tijd om Ciarán te vervloeken voordat haar huid aan alle kanten
openbarstte en slierten vochtig vlees door de kamer slingerde. Als een
dronken reiziger die zich wanhopig vasthield aan het rek van een te
snel rijdende stadsbus zwaaide ze een paar maal heen en weer om
uiteindelijk met een doffe klap op de vloer te eindigen. Haar lichaam
bleef schokkend doorgaan met openbarsten terwijl vochtig roze, groen en
blauw onbestemd orgaanvlees aan alle kanten eruit sijpelde. "Ik ook van jou, schat."
Purificatie |
 |
|
|
|
Purificatie #24 - Rappel
|
21 Mrt '04 -
|
 |
De goden van het
heilige kruid hadden Ciarán niet bedot. De verborgen toegang tot
het kasteel was nog altijd valide en verschafte hem een
geruisloze binnenkomst in de vochtige kerkers. "Grappig, en
dan te bedenken dat het Líadán zelf was die mij ooit vertelde van
deze rechtstreekse route naar de koninklijke slaapkamer ... Ach, na die
nacht waarbij ik haar op alle denkbare manieren aan mijn donkere,
mahoniehouten slang reeg verhaalde ze uiteindelijk zèlfs van haar
intens vreugdevolle escapades met Griogair, de reptielachtige uit de
moerassen van Maol-Maldomaich. Bleek dus achteraf mooi dat die
lulhannes geruime tijd gonorroe had. En dus ik ook, na die
nacht. Sufkut."
De zon hing als een
felbrandend muntstuk aan de hemel en ontnam Oggy bijkans het zicht.
Niettemin ontwaarde hij een felle, doch ongelijke strijd aan de poorten
van Koning Áengus' kasteel. De belaagde leek veruit in de minderheid,
ervan uitgaande dat deze doorgaans eenzaam ten strijde trok tegen (twee, vijf, .. acht, elf) èlf afzichtelijke tegenstanders. Want wat wàren ze lelijk! Maar ook snel. En sterk. En ..... (wow!) ..
agressief. Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan steeg af, en
maakte behoedzaam een omtrekkende beweging richting de poorten, hierbij
handig gebruik makend van de beschutting van de bosrand. De arme
drommel had duidelijk het onderspit gedolven. Drie Feòrichà
trokken onbeheerst - onderwijl dierlijk naar elkaar grauwend -
aan het slappe gewicht van de dode krijger. Een arm was
hij al kwijt. De gelukkige zat een paar meter van het
tafereel verwijderd beaat het witte vlees in reepjes van het
bot te scheuren. Een rood lintje wapperde hulpeloos tussen de malende
tanden. Het beest had er geen erg in en trok een verse reep van de arm.
"Tormod. Vreemd. Je zou toch denken dat die beesten daar staan door
toedoen van de heks. Waarom dan de voorman van de Dimmuhnallaidh
laten afslachten?"
De evidente domheid van de
beesten bracht hem op een idee. Als een kat sloop hij terug richting
het paard, en nam een vreemdsoortig wapen uit een van de zadeltassen.
Hij kende het uit vroegere tijden, toen die goeie ouwe Luthais het
hem in een dronken bui demonstreerde. Eeuwig zonde dat Luthais de
uiteindelijke demonstratie toen niet overleefde. Wist hij veel dat die
ophaalbruggen toen al van metersdik metaal gefabriceerd werden. Hij
keerde terug bij zijn uitkijkpost (ah, ze zijn nog steeds aan het touwtrekken),
ging plat op zijn buik liggen, en zette het wapentuig tegen zijn
schouder. Hij spande de rubberen veer door middel van een hefboom aan
de bovenkant, en zette een vuistdikke metalen kogel in de houder.
De kogel verliet het
wapen geluidloos met hoge snelheid en trof één van de Feòrichudh hard
in het paardegelaat. Het deed hem flink pijn, te oordelen aan de
plotselinge aanval die deze pleegde op een van z'n soortgenoten.
Het eerdere gevecht om het voedsel leek hij volkomen vergeten te zijn,
getuige de drift waarmee hij met zijn afzichtelijk lange klauwen
probeerde zijn nieuwe tegenstander aan stukken te trekken. Deze liet
zich niet zomaar aan banden leggen en pareerde met een ijzersterke
strategie; zo mogelijk nóg kolerieker een uitval doen naar zijn
tegenstrever. De derde sleepte onmiddellijk het lijk van Tormod weg om
er eens lekker voor te gaan zitten. Oggy zou kunnen zweren dat hij hem
hoorde hinniken. "Het heeft eigenlijk wel wat weg van de hanengevechten die ik laatst in Coinneach zag." Het
ruziënde tweetal had het ondertussen klaar gespeeld om twee andere
Feòrichà te betrekken in hun onderonsje. Nu was dit niet ongewoon onder
de Feòrichudh. Zij maakten elkaar wel vaker af om het minste geringste,
en het verloop in hun kringen was dan ook ontstellend hoog. Oggy keek
het allemaal glimlachend aan vanuit zijn schuilplaats. Zwaar gehijg
achter hem deed hem de adem in de keel stokken.
"Dag lief zaadpompje van me. Hoe gaat het tegenwoordig met je?" Koning Áengus draaide zich geamuseerd om en antwoordde : "Ciarán, mijn potente paalmans. Dat is lang geleden." Ciarán glimlachte niet. "Nogal
ja. Ruim twintig jaar alweer, als ik mij niet vergis. Doe trouwens die
belachelijke vermomming af, zo'n bierbuik staat je niet. En begin ook
maar meteen met het uitleggen wat de bedoeling van dit alles is. Áengus
was een pedante papzak met een ongezonde drang naar een dagelijkse
portie bewustzijnsverlaging, maar hij deed zijn volk nooit kwaad!
Net zoals O'Ciaragáin!" Koning Áengus leek in de eerste
instantie als een warm puddinkje in elkaar te zakken, maar het was zijn
kleding en het onderliggende vel die als een handschoen
door een onzichtbare hand eraf werd gestroopt. Líadán stapte uit de
afgevallen huid en had nog altijd een speelse glimlach rond haar
lippen. Haar handen gleden wellustig langs haar tè brede heupen en
ze draaide haar ene knie voor de andere. "Zullen we weer eens rondje ketsen, Ciarán? Gewoon, voor het oude gevoel?" Haar
blauwe tong likte langzaam langs haar grotendeels zwart-geelgeblakerde
tanden die zich openbaarden als sinistere, lusteloze cancan-danseressen
terwijl ze dit zei.
"Okè, da's dus duidelijk. Ze is compleet krankzinnig." Bedacht Ciarán zich huiverend.
Purificatie |
 |
|
|
|
Cap de setmana!
|
19 Mrt '04 -
|
 |
 |
 |
|
|
|
Purificatie #23 - Vivarium
|
17 Mrt '04 -
|
 |
Tormod gaf zijn paard er flink van langs
hopende de heks zo snel mogelijk in te kunnen lichten. Zijn mannen
waren overduidelijk kansloos geweest tegen die gewetenloze barbaar, en
dat wekte geen vertrouwen voor de nabije toekomst. Terwijl het kasteel
in zicht kwam, maakte zijn maag een ongemakkelijke koprol, leek wel.
Tormod bemerkte iets bij zichzelf wat hij sedert tijden niet meer
gevoeld had. Pure doodsangst.
De laatste keer dat hij daardoor bevangen werd, was
inmiddels alweer méér dan twaalf jaar geleden. Hij herinnerde het zich
echter als de dag van gisteren. Koning Áengus, die laffe
dreutel, had hem tezamen met vier andere
krijgers voor een simpel karweitje op pad gestuurd. Verre van
simpel, zou achteraf blijken.
Het ene moment draafden ze allen nog vrolijk
lachend over een smal bospaadje, vastbesloten om diezelfde avond
vele liters drank soldaat te maken evenals wat overtollig zaad te
lozen, het volgende moment keek hij - vastgesnoerd op een
smoezelige ebbenhouten tafel - midden in het gezicht van het pure kwaad. Het kleine houten huisje (althans, het
behaaglijk knapperend haardvuurtje en de aandoenlijk gekleurde
motieven op de dichtgeslagen gordijntjes gaven hem de impressie
dat hij zich binnenshuis bevond) had meer weg van een
amateuristisch abattoir. Zijn vier maten hingen aan in het plafond
verankerde vleeshaken, en sommigen waren al voorbewerkt. Twee
losgehakte hoofden - uit één daarvan stak nog een groot vleesmes
- keken hem verwijtend aan van een tafeltje naast hem,
en een werkbank tegen de muur lag vol met ondefinieerbare,
vleeskleurige hompen. Eromheen verspreid lagen allerlei kleine, witte
dobbelsteentjes. Tot zijn afgrijzen realiseerde Tormod zich dat dit
tanden waren.
Alsof het bijna niet erger kon, prevelde de
donkere man met het normale postuur en de geknoopte haren precies op
dat moment : "U ziet, het lijden manifesteert zich in vele vormen
... En uw lijden zal voortaan bestaan uit een eindeloze herhaling van
al wat u aanschouwd heeft vandaag. U zult baden in uw eigen stinkende
zweet zodra de angstdromen u s'nachts visiteren. Dit is een
reminiscentie die u nimmer zult kunnen verdringen, net zoals ik uw gezicht nimmer zal vergeten, net zo min als u de mijne ......." Zijn ogen, bloedrood, keken hem honend aan, leken hem te verzwelgen.
"Ga nu heen, en vertel uw koning maar dat de godendrank NIET te koop is!" Terwijl
zijn kringspier dienst weigerde en aldus de dunne stront de tafel
ruikbaar bevloeide, zag Tormod dat het gezicht van de
donkere man begon te vervormen. Een huivering kroop van zijn
kruin naar zijn kringspier en voordat hij flauwviel begreep
hij nog net waar man's gezicht in veranderde. Een reusachtige, nachtmerrieachtige hagedissekop.
Hij vermande zich, slikte de prop watten in zijn keel weg en spoorde zijn ros nog eens aan.
Veel viel er verder niet te vertellen. Hij werd
een dag later voor de poorten van het kasteel gevonden, verregaand
bevuild en naakt, rillend als een angstig veldmuisje. Het had hem jaren
gekost om over zijn trauma heen te komen en schopte
het uiteindelijk zelfs tot leider van zijn geliefde
Dimmuhnallaidh. Koning Áengus had hem nooit meer gevraagd naar de
'godendrank' of naar hetgeen zich precies afgespeeld had in de bossen.
Tormod was nimmer voornemens het op te biechten. Diezelfde poorten
doemden nu onheilspellend op en het onbehaaglijke gevoel ging niet weg.
Plotseling gegrom van meerdere kanten uit de bosjes verergerde het
juist.
Nietsontziend vielen de Feòrichudh aan.
Purificatie |
 |
|
|
|
Purificatie #22 - Dubbel!
|
15 Mrt '04 -
|
 |
Hooglijk verbaasd keek Koning Áengus omlaag naar de
langwerpige dolk, ingelegd met prachtig zuivere edelstenen en gezegend
met een lemmet van minstens vijfentwintig centimeter lang. Althans,
zulks nam hij maar aan. Een centimeter of vijf van het nakende lemmet -
meer zal het niet geweest zijn - toonde zich triomfantelijk op wat eens
zijn machtige, koninklijke pens geweest moest zijn. Eventuele aanwezige
dronkenschap was spoorslags verdwenen. Zijn kleding begon al zwaarder
aan te voelen door het gestaag stromende plasma. De koude sensatie van
de stenen vloer tegen zijn billen gaf hem de indicatie dat hij op zijn
rug lag, in een steeds groter wordende plas bloed. Hij probeerde zich
op te richten, maar een stekende pijn rondom zijn navel verhinderde
dit. Een natte kuch rolde omhoog en bloed spatte uit zijn mond. Z'n
ogen tolden weg, zodat alleen het wit ervan onder zijn oogleden
zichtbaar werd.
Koning Áengus stierf uiterst zwijgzaam en liet ongewild een vochtige scheet.
"Een verre van vlekkeloze uitvoering van een weldoordacht plan, maar het is niet anders." Líadán bekeek de bloederige vetvlek met diepe minachting en betreurde haar eigen gebrek aan geduld. "Hij
was dronken en handtastelijk, maar hij had niet door mijn hand moeten
sterven. Geeft verder niks, dit vereist slechts een kleine aanpassing
van het originele plan." Met opvallend veel kracht tilde ze de
dode papzak uit het raam en liet hem laconiek tussen de Feòrichudh
vallen. Hongerig wierpen zij zich op het lijk en deden zich tegoed aan
de vele vetrandjes. Peinzend liep ze terug naar het midden van het
vertrek en beraadde zich op de uitkomst van deze feuilleton.
Líadán bekeek zichzelf nauwgezet in de spiegel en prevelde haar eeuwenoude, raadselachtige bezweringen.
"elken avond giet ik nen bak bier door m'n keel
ik mut maar één pint drinken of mijn ogen staan al scheel
maar denkt na zekers ni da'k daar voor schreeuw
want voor elke frisse pint zien kik er twee
'k zien alles dobbel,
'k zien alles dobbel,
en da komt ni door mijne wiskundige knobbel
ik zen oep school nooit gene krak in rekenen gewest
voor aftrekken en delen wazze kik altijd geflest
met oeptellen verloor ik mijnen tel
maar vermenigvuldigen met twee da kon ik wel
'k zien alles dobbel,
'k zien alles dobbel,
en da komt ni door mijne wiskundige knobbel
ik zen kik gisterenavond nog eens naar mijn lief gegaan
die zegt altijd da'k ni mag drinken maar daar trekma niks van aan
en gisteren dacht ik: waaaaw wat een wijf
mijn lief die hee vier beursten aan heur lijf"
Krap tien minuten later keek het perfecte evenbeeld van Koning Áengus grijnzend vanuit de spiegel terug. "De metamorfose is gelukt! Hah! Ik heb zelfs zijn dikke pens!"
Purificatie |
 |
|
|
|
Het vrijdagmiddaggevoel, hèh?
|
12 Mrt '04 -
|
 |
Zullen we daar eens lekker cryptisch over doen?
Gewoon, met z'n allen? Omdat het zo gezellig is?
Ja? |
 |
|
|
|
Het vrijdagmiddaggevoel, hèh?
|
|
 |
Zullen we daar eens lekker cryptisch over doen?
Gewoon, met z'n allen? Omdat het zo gezellig is?
Ja? |
 |
|
|
|
Het vrijdagmiddaggevoel, hèh?
|
|
 |
Zullen we daar eens lekker cryptisch over doen?
Gewoon, met z'n allen? Omdat het zo gezellig is?
Ja? |
 |
|
|
|
Het vrijdagmiddaggevoel, hèh?
|
|
 |
Zullen we daar eens lekker cryptisch over doen?
Gewoon, met z'n allen? Omdat het zo gezellig is?
Ja? |
 |
|
|
|
Het vrijdagmiddaggevoel, hèh?
|
|
 |
Zullen we daar eens lekker cryptisch over doen?
Gewoon, met z'n allen? Omdat het zo gezellig is?
Ja? |
 |
|
|
|
 |