 |
|
Vijftien minuten
|
28 Apr '04 -
|
 |
'UPC Klantenservice goedemorgen wat kan ik voor u doen?'
'Ja hallo, met de Vries.
Zeg, wat is er met mijn kabelaansluiting aan de hand?'
'Wat is uw postcode en huisnummer?'
'1072 TZ, 71'
'Moment alstublieft.'
Een luide klik, en de seksloze stem verdwijnt. In plaats daarvan tettert Kylie Minogue keihard "Kids" in mijn oren. Dat homojong naast haar blêrt opgewekt mee. Ik besluit de telefoon op de speaker te zetten. Op de televisie zie ik Lenny Kravitz spastisch dansen in zijn nieuwe videoclip. Het valt me ineens op dat hij glad haar heeft. Eng, lang, glad haar. Jermaine Stewart-achtig, eng, lang, glad haar.
'Kolere, heeft die man geen personeel of iets dergelijks dat hem ervan probeert te doordringen dat hij op een koelie lijkt? Hij kan zonder meer de hoofdrol vervullen in de eerstvolgende Bollywood productie! .... Aan de andere kant, iemand die zo nodig met zijn banketstaaf in dat bleke koffieroompotje van Nicole Kidman moet roeren, verdient dat eigenlijk wel. Wat zeg ik? Laat hem behalve dat kapsel ook maar meteen zijn huid bleken! En trek verdomme ook maar meteen een paar hoge hakken aan! Als je toch al bezig bent!
Had die lulhannes Kylie Minogue niet ooit genaaid? Die Kylie, da's trouwens wel een geile teef. Man man, tussen die smalle hammetjes van haar, daar behoort m'n tamp te hangen. En dan langzaam op en neer schuiven totdat ..... '
'Hallo meneer de Vries?'
'Jaja, ik ben er nog!'
'Uit onze gegevens blijkt dat u een openstaande rekening bij ons heeft uitstaan. De somma bedraagt vierhonderdtwintig euro, welke u per direct moet voldoen om uw internetaansluiting weer werkende te krijgen.'
De monotone stem irriteert me, maar het nette woordgebruik drijft mij tot razernij. Ik hou de hoorn een paar seconden bij mijn hoofd vandaan. Lenny staat nog steeds doelloos te headbangen met zijn slappe haartjes. Ik adem een paar keer diep in en uit, zet de hoorn weer tegen m'n oor en vraag:
'Okè, als ik nu vandaag nog betaal, doet mijn aansluiting het vanmiddag dan weer?'
'Niet vandaag helaas, zoiets heeft een week verwerkingstijd nodig.'
'Verwerkingstijd? Verwerkingstijd!!? Hoe bedoelt u, verwerkingstijd!!!!!!!!???? Zit er dan een standaard rouwperiode vast aan een afsluiting!? Hm!? Moeten er nog condoleance-registers geopend worden, hm!? Wat is dat voor nonsense!? Ik MOET mijn aansluiting vandaag nog aan de praat hebben, anders kan ik bepaalde werkzaamheden niet uitvoeren! HOORT U MIJ!!!!????
' .........'
'HALLO!!!!!!!???'
'....... ehm, ik vrees dat ik weinig voor u kan betekenen, meneer de Vries. Zo zijn nu eenmaal de regels. Ik bedenk ze niet, ik handhaaf ze slechts ....'
Hoezeer dit alles mij ook raakt, het doet me deugd nu te weten dat het een vrouwenstem is, aan de andere kant van de lijn.
'Da's dan mooi kut. En wat moet ik nu?'
'Nou, misschien heeft u ergens nog een oude inbelmodem liggen? Of anders een internetcafè?'
'Da's niet eens zo'n slecht idee .... Mooi. Ik wens u een borborygymie toe en stort u daarna maar fijn in mekaar.' Nijdig hang ik op.
De 'Easy Everything' vinden was een makkie. Reguliersbreestraat 22 binnenlopen, voldoende euro's in de machine deponeren - vijftien minuten moeten volstaan - machine uitkiezen, plaats nemen en gaan. Binnen anderhalve minuut heb ik hetgeen ik wil op mijn scherm flikkeren. Ik knoop m'n gulp open, haal mijn leuter tevoorschijn en leg met mijn andere hand de tissues klaar. Mijn handpalm doet zijn werk naar behoren. Pompend bloed vult mijn broeder in schunnige zaken. Het welbekende "flap flap flap flap" vormt alras een eentonig muziekbehangetje. Mensen naast me kijken gegeneerd weg, sommigen stappen meteen op. Nieuwsgierige paren ogen kijken boven de monitoren uit om te zien wat zich afspeelt. De manager, gealarmeerd door een ongeruste klant, komt aangelopen. "flap flap flap flap" Ik adem in korte pufjes, hortend en stotend. Het tempo wordt opgevoerd. "flapflapflapflap" Grommend en kreunend en onderwijl mijn lichaam vooruit stotend begin ik naar mijn orgasme toe te werken.
'Meneer, wilt u daar mee ophouden! En verlaat onmiddellijk dit pand!'
Steeds sneller bewerk ik mijn wormvormig aanhangsel - ik ben er inmiddels bij gaan staan - "flapflapflapflapflap" tot ik het niet meer kan houden. Vol afgrijzen moet de manager toezien hoe ik als een lekkende tuinslang mijn goedje over Kylie's digitale blozende billetjes druppel. Ze vindt het allemaal best, getuige haar enorme tandpasta-glimlach. Sommigen lachen, anderen spreken er schande van. Niemand die nog denkt aan zijn resterend internet-tegoed. Mensen verdringen zich voor de ramen om te zien wat er gebeurt. Met onvaste benen, maar uiterst bedaard veeg ik m'n piemel schoon, stop hem weg en knoop mijn broek dicht. Mijn pas geëjaculeerde warme zaad druipt tergend langzaam van de monitor. De manager, inmiddels geflankeerd door een tweetal bewakers, sommeert mij nogmaals het pand te verlaten. Geen van drieën denken ze eraan bij mij in de buurt te komen om die woorden kracht bij te zetten.
Meneer de Vries kijkt in het rond, naar alle toeschouwers, en daarna naar de manager. 'Telebankieren, daar doet u vast niet aan, eh?' Een antwoord krijgt hij schijnbaar niet van de verblufte manager, dus verlaat hij het pand, op zoek naar een theatervoorstelling. |
 |
|
|
|
Falco
|
23 Apr '04 -
|
 |
Falco moet keihard en op bijzonder pijnlijke wijze sterven!Of loop ik nu achter? |
 |
|
|
|
Winston
|
20 Apr '04 -
|
 |
"Rrrk, rrrk, rrrk, rrrk"
Ik pauzeer eventjes. Beenderen zijn toch uitermate lastig door te zagen, en al helemaal met een kapzaag. Het werkt wel secuur, zo'n kapzaag. Hoelang ben ik nu alweer bezig? Een uur? Twee uur? Te oordelen aan de vochtigheid van de vlekken iets daartussen in. En waarom ben ik ook alweer verwoed bezig de enkels van deze arme drommel eraf te zagen? Beter nog, WIE is die kerel in vredesnaam?
Aan die markante kop te oordelen - althans, wat er nog te identificeren valt - is het een Oost-Europeaan. Of is het een Turk? Feit is dat hij er flink van langs gekregen heeft. Terwijl mijn oog op de boksbeugel naast hem op de grond valt merk ik dat mijn rechterhand pijnlijk beurs aanvoelt. Alsof ik tien rondjes gespard heb met een bakstenen muurtje.

Ik vis een pakje cigaretten uit mijn borstzak en bekijk de verpakking met enig argwaan. 'Winston?' Met mijn linkerhand reik ik naar de achterzak van mijn versleten werkersbroek en voel ook daar een pakje zitten. 'Gauloises, dat klinkt meer als mijn merk.' Desondanks steek ik een Winston op. 'Gratis is niet duur,' is mijn motto altijd geweest. Of was het nu : 'Creatief denken en doen'?
Zes halen later smijt ik de peuk op de grond. Sissend sterft deze een bloedeloze dood. 'Gatver, smerige gewoonte ook.' Ik besluit me te richten op de werkzaamheden aangezien ik hier niet eeuwig kan blijven aankloten. En toch laat het me niet los wat ik hier doe of wie die man is.
"Rrrk, rrrk, rrrk, rrrk"
Zou ik een slijptol of eventueel een reciprozaag (werkt ook prima) bezitten? Zo ja, waarom ben ik dan verdomme vergeten zoiets mee te nemen! Ik ben pas door de eerste enkel heen!
Nugoed, gelukkig heb ik voldoende cigaretten bij me. Zachtjes fluit ik een wijsje. |
 |
|
|
|
Bij de dokter ....
|
16 Apr '04 -
|
 |
'De volgende,' klinkt het droog en nasaal door de wachtkamer.
Je staat op, een beetje zenuwachtig, want je tast volledig in het duister wat betreft je kwaal. Pijn, maar toch ook weer niet. En een onheilspellend gevoel, maar niet paranoïde.
De dokter begeleidt je vriendelijk doch koeltjes naar binnen en dirigeert je naar een ongemakkelijke stoel. Hij gaat beheerst en met geacteerde vermoeidheid zitten.
'Zo meneer , wat scheelt eraan?' Weer dat ergerlijke nasale.
'Nou dokter het zit zo ' Je begint onzeker te vertellen. 'Ik heb nu al een paar dagen last van pijn. En een gek gevoel.'
Plotseling besef je hoe stom dat klinkt. De dokter kijkt je strak aan. Je probeert de blik in zijn ogen te verstaan. Denkt hij dat je gek bent? Herkent hij deze vage symptomen? Stuurt hij je weg? Speelt hij het mee, omdat hij denkt dat het een grap is? Langzaam speelt de dokter met een pen, je nog steeds aankijkend. Hij balanceert de pen tussen twee vingers, tikt ermee op de duim van zijn andere hand.
'Kunt u dan misschien vertellen wáár het dan precies "pijn" doet?'
Verward stel je jezelf de vraag, alsof je dat nog niet eerder gedaan had.
'Ja, waar, ehm, ik denk ongeveer hier.'
Je wijst met je vlakke hand een gebied aan van je kruis tot aan je hoofd.
'En mijn armen en benen voelen ook raar aan.'
De dokter zucht.
'Nou laten we maar even kijken,' zegt hij, overduidelijk niet geamuseerd.
Hij pakt zijn orenkijker van zijn bureau.
'Gaat u maar even op de behandeltafel zitten,' zegt hij.
Je gaat zitten en de dokter port met het koude kijkding in je gehoorgang. Hij kijkt. En blijft zeker een minuut lang kijken. Je schraapt voorzichtig je keel.
'Ziet u iets dokter?'
De dokter blijft stil, maar haalt langzaam het geval uit je oor en doet een stap achteruit.
'Ehm ja, ik weet eigenlijk niet hoe ik dit moet zeggen.'
Dat zijn geen woorden die je graag van je huisarts hoort. Tot je grote schrik zie je dat zijn gezicht lijkbleek is en zijn handen zacht trillen.
De dokter vermant zich en zegt: 'U heeft nog maar vijf minuten te leven '
------- (timeout)
Welnu, hoeveel verschillende aflopen kan een verhaal-beginnetje opleveren? Goede vraag! Tot nu toe in ieder geval een stuk of zeven, en de laatste eindbijdrage is door uw gastheer (oei, dat klinkt smerig!) ondergetekende bijeen gedokterd(mwhaha!).
Waar? Waar!? Waaaaaaaar!? Nou, daar ongeveer. Bij Oersoep, u weet wel. Van wie het bovenstaande stukje tekst afkomstig is.
Nu, eerdere ervaringen hebben mij geleerd om vooral niet te vertrouwen op de beschikbaarheid van andermans plekje-op-het-internet-universum ... (ik noem geen namen) ... dus voor de volledigheid kunt u hieronder het vervolg lezen.
Hier nogmaals een compleet nutteloze verwijzing naar iemand die enorm dood moet ik erg hoog heb zitten.
------- (timeout out) (verder!) |
 |
|
|
|
Bushmills
|
15 Apr '04 -
|
 |
'Wat ik ervan denk? Dat ze allemaal dood moeten natuurlijk. Stuk voor stuk! En dan het liefst niet te zuinig met het zenuwgas.'
'Meen je dat nou?'
'Maar natuurlijk! Jij vraagt mij wat ik ervan denk, en ik vind dat ze dood moeten.'
'Maar ... maar overdrijf je niet een beetje?'
'Neehoor, hoezo?'
'Nou, zoals jij het nu stelt klinkt het een beetje cru.'
'Ja! Wat wil je nou!? Je vraagt het toch? En ik geef gewoon antwoord.'
'Weet ik wel, en toch ben ik van mening dat je zoiets niet zou doen.'
'WAAROM VRAAG JE HET DAN!?!'
Een Regelmatige Klant, te herkennen aan zijn vriend de Whisky-Kegel welke hem trouw vergezelt, wurmt zich tussen ons in. Moeizaam plant hij zijn rechterhand op de toog en probeert de aandacht van de barkeeper te trekken.
'Omdat ik oprecht in je mening geïnteresseerd ben. Echt waar. Maar dit kan ik niet serieus opvatten.'
'Je doet je best maar.'
'Neem anders nog een biertje van me.'
'Nee dank je. Ik heb het wel weer gezien in deze ballentent.'
De Regelmatige Klant draait zich verstoord om naar mij, en dat pafferige hoofd van hem spreekt boekdelen. Dit ìs geen ballentent, en ik kan het weten want ik kom hier al jáááááren! Ik kijk hem doordringend aan en zeg niks.
'Weet je zeker dat het niks te maken heeft met een diepgewortelde angst ofzo?'
'Je bedoelt of ik last heb van coulrofobie? Wie weet. Feit blijft dat ze wat mij betreft uitgeroeid mogen worden. Zeg nu zelf, het zijn en blijven walgelijke schepsels, of niet dan?'
'Mja, toch overdrijf je.'
'Ach vent, ga iemand anders lastigvallen!'
De barkeeper negeerde de Regelmatige Klant blijkbaar, want nog steeds stond hij daar, moeizaam op een hand steunend terwijl zijn bloeddoorlopen, drankvragende oogjes zijn aanstaande verstrekker lodderig volgden.
Mijn vrouw keert terug van het toiletbezoek, zichtbaar opgelucht en loopt op mij af.
'Zullen we?'
"Ja, we hebben nog vier minuten voordat de film begint.'
Terwijl wij het etablissement verlaten zwaait de man aan de bar ons vrolijk uit.
"Gelukkig maar. Wie was dat?'
'Een filmrecensent. En anders wel een aan lager wal geraakte psycholoog.'
'Wat wilde hij van je?'
'Geen idee. Ik vermoed een sluitend advies over het vakkundig afpersen van winkeliers, maar het kan net zo goed de wedstrijduitslag van Klein Zwitserland van afgelopen weekend geweest zijn.'
'Ik hou van je.'
Ik mompelde iets onverstaanbaars terug. |
 |
|
|
|
Rubberen Robbie
|
13 Apr '04 -
|
 |
'....... mais il ne pas mourir des causes normales.' Het witte krijtje vloog vakkundig over het schoolbord, en markeerde waar nodig de juiste zinsontledingen.
'Dus, samenvattend: .... il ... ne (kort voor n'est) ..... pas .......mourir .... '
Met een tergend zacht èn nat petsje raakte het propje de leraar précies in het midden van zijn kale, beschilferde kruin. Het was dusdanig overdadig met speeksel bewerkt dat deze niet meteen op de grond viel, maar langzaam van zijn hoofd rolde. Jaren geleden hadden speelgoedfabrikanten iets dergelijks gemaakt dat kinderen tegen de muur, of bij voorkeur een groot raam, konden smijten waarna de kleverige substantie op diezelfde karakteristieke wijze naar beneden rolde maar zich ondertussen hardnekkig aan de muur danwel raam probeerde te hechten. Wijzer geworden draaide Ewoud Gimmelfrinkkruizen zich niet meteen woedend om, maar wachtte bedaard totdat alle leerlingen eerst uitgegrinikt waren. Het propje droop sarrend traag van zijn kruin, leek voor het gevoel even te blijven hangen aan een weerbarstig sliertje spuug en belandde daarna geluidloos op zijn stoel. Een kloddertje speeksel, als ontredderde getuige van de laffe aanslag op zijn kruin, glom voelbaar vettig onder de onpersoonlijke tl-verlichting. Met de mouw van zijn ruitjesoverhemd veegde hij het weg en draaide zich langzaam om.
Vrijwel alle leerlingen van 4-Havo B keken hem besmuikt aan. Sommigen probeerden nog wanhopig hun gezicht in de plooi te houden, anderen deden daarentegen geen enkele moeite om hun leedvermaak te maskeren en grijnsden breed. Allemaal, op één na. Dat was Onno Versteeg. Die keek zo onverstoorbaar als zijn "coolheid" het toestond door het raam naar buiten, naar een niet-bestaande punt in de lucht. Ewoud was niet op zijn kruin gevallen, hij wist heus wel dat het Onno was die geconcentreerd bovenop het propje had zitten rochelen. Het was namelijk altijd Onno.
Die keer dat zijn bureaulade volgepist was? Onno. Lag zijn tas, nadat hij terugkeerde van een sanitaire stop, plots open en bloot op het schoolplein zodat alle nagekeken proefwerken van de afgelopen week ongehinderd door de wind alle kanten opdwarrelden? Onno. Ranzige pornofoto's die de binnenzijde van zijn schoolbord sierden zodra hij deze opende? Onno, ongetwijfeld. Dit was nu wat men noemde een ettertje van het zuiverste water en deze was er trots op om waar mogelijk zijn talenten te etaleren. Slechts eenmaal kwam het tot een handgemeen, op de vrijdagse soos, maar ook daarin moest Ewoud het onderspit delven. Die etter was hem met zijn zeventien jaar ook fysiek de baas, maar wellicht erger, zijn lesgevende collega's staken geen vinger uit om hem te helpen. De rector zei het destijds zelfs als volgt, terwijl Ewoud de ijszak steviger tegen zijn dichtgeslagen, pulserende linkeroog drukte : 'Het is heel simpel, Gimmelfrinkkruizen, je zal wat steviger van leer moeten trekken tegen die jongen. Laat je toch niet zo makkelijk overbluffen man! Het is een kind! En jij bent een volwassen vent! Zorg dat je hem een lesje leert dat hij nooit meer vergeet, dan kan iedereen zich weer met de dagelijkse dingen bezighouden. Ja? Mooi.'
Schamper keek de rector nog even om naar het smalle gestalte van zijn Frans leraar terwijl hij het kantoortje uitliep. Nu was Ewoud niet uit het sterkste hout gesneden, een blik op hem was dan ook voldoende om tot die conclusie te komen. Onno daarentegen, was meermalen jeugdkampioen kickboksen en kreeg van huis uit een harde, met klappen gelardeerde opvoeding van zijn vader. Vader Versteeg, kapitein-luitenant ter zee Versteeg van de Koninklijke Marine. Ewoud Gimmelfrinkkruizen was de nakomende (en enige) zoon van een achtkoppig boekhoudersgezinnetje, waar de zaterdagse mens-erger-je-niet sessie het dichtst bij sport in de buurt kwam. Hij had eerder een grammetje vet te weinig op zijn botten, rossig piekhaar, tè grote voortanden en tè ver uit elkaar staande ogen. Onno terroriseerde en ridiculiseerde de leraar continue en was geenszins van plan deze activiteiten te staken. Zijn huidige vriendin, Naomi van der Keur, vroeg wel vaker of hij daar alsjeblieft mee wilde stoppen, maar Onno was onvermurwbaar. Dit was zijn ding, en het voelde goed aan, zijn ding doen terwijl hij al die nutteloze tijd op school moest doorbrengen. En helemaal bij die rubberen Robbie van de Franse uurtjes. Geen zinlozere taal dan Frans, was zijn volle levensovertuiging dan ook. Nuja, eigenlijk die van zijn vader, maar hij werd thuis dan ook gedegen gedrild. Daarbij moedigde zijn vader zulke praktijken aan, aangezien ruggegraatloze mannen aangepakt dienden te worden, net zolang totdat ze wat weerbaarder werden. In feite bewees Onno de onfortuinlijke leraar dus gewoon een dienst.
Ewoud stond die bewuste avond op punt van breken en probeerde zich sterk te houden in dat kantoortje. Hij moest dat kamertje ooit verlaten en het liefst op een waardige manier, zover dat mogelijk was na zo'n rechtse directe van een schoolgaande knaap. 'Hee Ewoud man, niet zo kniezen hoor!' Luuc Kasterman, leraar Biologie, was binnengekomen met twee pilsjes in zijn handen en bood de gehavende leraar er één aan. Hij zag er behoorlijk dronken uit. Ewoud mocht hem wel, bewonderde hem zelfs diep om zijn opvallend losse manier van omgang met de leerlingen. Luuc had een vrij vlotte babbel en een jeugdig voorkomen, maar bovenal rookte hij wel eens een jointje met de leerlingen in het fietsenhok. 'Hier, neem dit maar. Met een half uurtje voel je je een stuk beter en vooral: relaxed.'
Met enige argwaan bekeek hij het aangereikte, met wit poeder gevulde cellofaantje. 'Wat is het dan?'
'GHB, een gram' fluisterde Luuc samenzweerderig en maande hem het verdachte pakketje weg te stoppen. 'Luister Ewoud, laat je niet zo stangen, en neemt het ervan vanavond. Morgen heb je het waarschijnlijk toch te druk met je dwingend kater om alle vervelende dingen te herinneren, oké? Hou je haaks en ik spreek je later.' Heupwiegend verliet Luuc het kantoor. Schouderophalend leegde Ewoud de complete inhoud van het cellofaantje in zijn biertje en wist nog net op tijd het lege omhulsel in zijn borstzak weg te stoppen voordat Naomi binnenkwam. 'Dag meneer Ewoud, gaat het weer inmiddels?'
Naomi was een stoot, een eerste klas pretslet, maar wel één met een goed hart. Hij begreep niet waarom zo'n lief meisje als zij zo nodig met dat typhusjong om moest gaan, maar zo waren er wel meer dingen in het leven die hij niet bevatte. Ze was overduidelijk dronken. Een sinister idee borrelde op in zijn hoofd. 'Slokje, Naomi?'
Dat was vorig jaar, en nu keek hij wederom naar zijn immer aanwezige plaaggeest die er maar niet genoeg van kon krijgen hem op zijn nummer te zetten. Toch leek Onno er niet helemaal met zijn hoofd bij te zijn. Alsof het leraartje-pesten een verplicht nummertje was, ware het een chocoladekoekje wat niet helemaal smaakte zoals het hoorde te smaken maar goed genoeg was om te verorberen. Ewoud stond op het punt om wat van het propje te zeggen, tot opeens de bombastische ringtoon "Voorbij" van blotebillen kop Borsato zijn genakende woordenstroom onderbrak. Merkbaar gejaagd beantwoordde Onno onmiddellijk zijn mobieltje. 'Ja!? Ja? Ja, ok. Ik kom eraan!'
Zonder ook maar iets van een verklaring te uiten rénde Onno bijna het klaslokaal uit en stapte in zijn opgeknapte Citroën BX. Nog geen tien minuten later trof hij de ouders van Naomi van der Keur in het gangenstelsel van het lokale ziekenhuis. Vader van der Keur keek zijn aanstaande, minderjarige schoonzoon misprijzend aan, moeder van der Keur eerder wanhopig.
'En? Hoe staat het ervoor?' vroeg Onno met lichte aarzeling in zijn stem. Vader van der Keur bromde dat de arts al onderweg was. Een vrouwelijke verpleegster, naar later bleek, arriveerde bij het drietal met in haar armen een bundeltje handdoeken. 'Gefeliciteerd! U bent de vader? U heeft een gezonde zoon!'
Vol verwachting keken ze gedrieën in de wirwar van zachtkatoenen handdoeken. Een baby, met rossig haar en ver uit elkaar staande ogen huilde hen tegemoet. In het klaslokaal keek Ewoud de Frans leraar glimlachend uit het raam naar een niet bestaande punt in de lucht. |
 |
|
|
|
Nu ook in aardbeiensmaak verkrijgbaar!
|
09 Apr '04 -
|
 |
 |
 |
|
|
|
Cor Potkamp
|
07 Apr '04 -
|
 |
Kanaal 1. Politiek. Doodserieus uitziende mannen in pak, gedreven door een oerconservatieve ideologie uit de jaren vijftig voornamelijk gestoeld op gezag en disciplinering die ingrijpende beslissingen moeten nemen voor een volk dat diezelfde jaren vijftig al tijden ontgroeid is. Een van hen - hij lijkt verdacht veel op een gereanimeerde marmot - probeert hakkelend zijn punt achter de microfoon te maken. Anderen onderbreken hem waar mogelijk en proberen hem in te laten zien dat hij uit zijn nek staat te kletsen. Medestanders beamen de tegenargumenten heftig knikkend. Een vrouw geeuwt hardop.
Kanaal 2. Nieuws. Paard verkracht met houten stok en daarna doodgestoken. Rottende ingewanden hangen obsceen buiten de bruine, opengesneden vacht. Een boer staat ernaast en kijkt mismoedig naar het eens zo trotse dier. Hij probeert zijn tranen binnen te houden. De camera zoomt in op het getekende gelaat.
Kanaal 3. Een opinieprogramma. Gezwollen ego's die menen het beter te weten dan de ander. Onderwerp van gesprek is een oorlog in een land, mijlenver verwijderd van hun veilige, glanzende gesprekstafel. Niemand laat elkaar uitspreken. Op de achtergrond toont een groot scherm aan de wand beelden van dode kinderen uit datzelfde land. Sommige ogen kijken glazig de zaal in, terwijl hersenen en bloed uit hun kapotgeschoten hoofden sijpelen. Moeders lijken huilend aan de camera te vragen hoe dit allemaal in vredesnaam mogelijk is.
Zuchtend zet Cor Potkamp de televisie uit. Uit de keuken komt een constante woordenbrij van zijn kakelende vrouw. Het klinkt als een op hol geslagen roeicoach. Er valt niets coherents uit op te maken, voornamelijk omdat hij al jaren niet meer luistert. "Ja, en gisteren, .. de buuv' langs ............ denk je wat ze zei? Nou .....jongen van de overkant, ............. al jaren aan de drugs ......... niks verbazen ......... hond gemarteld ............ Stella belde nog ...............kerstdiner ....... pas in april! ......."
En harde bonk onderbreekt de woordenstroom. In zijn gedachten ziet hij zijn vrouw zomaar, uit het niets, flauwvallen, en hoe ze met dat domme kakelende hoofd van haar op de punt van de keukentafel beland. Een adertje, net achter haar ogen, knapt in slowmotion. Als een mini-olievlekje verspreid het bloed zich en vult haar hoofd net zolang totdat het in straaltjes uit haar neus en oren loopt. Een epileptische aanval lijkt haar lichaam over te nemen, stuiptrekkend begint ze langzaam te stikken, ongetwijfeld door een ingeslikte tong. Haar convulsies worden gaandeweg steeds trager. Haar ogen stralen opperste verbazing uit. Tot ze niet meer beweegt. Het zwart-wit patroon van de keukenvloer lijkt haar te willen omhelzen. Eindelijk rust.
"MORGEN WIL IK ........ MARKT! ..... KOMT OOK............ DAARNA ......... MOOI STUKJE STOF ............ HA-HA-HA! ........ toch?
Een barstende hoofdpijn kruipt langzaam omhoog naar zijn slapen, als rottende, pulserende verstandskiezen. Voorzichtig staat hij op. Het leder van de goedkope driezitsbank knerpt als een winderige dromedaris. Luid blaffend springt de hond - die voordien de illusie wekte diep te slapen in zijn mand -tegen hem op. Cor pakt de riem en zijn jas van de kapstok en knielt om de hond aan te lijnen. Plichtmatig roept hij in de richting van de keuken dat hij zo weer terug is. Pijnscheuten vullen zijn hoofd als een zwerm bijen.
Striemende regen slaat wild tegen zijn gezicht op het moment dat hij de voordeur opent. Een paraplu zeilt hulpeloos voorbij en blijft eventjes hoopvol aan de takken van de kale iep hangen. Een schier onmogelijke opgave zal blijken, en de paraplu geeft zich gewonnen. De wind draagt hem verder weg als een kind dat al voetballend met een blikje door de straat rent. Terwijl Cor zich door de geselende windstoten worstelt, fantaseert hij over vervlogen tijden. Het lijkt allemaal zo lang geleden, maar in zijn beleving was er ooit een gelukzalige tijd voordat hij destijds zijn ja-woord gaf. De donkerblauw gekleurde straten omsingelen hem. Ze lijken allemaal eender. Een baken van licht in de verte effent een pad voor hem. Glimlachend wrijft hij de hardnekkige druppels uit zijn ogen, opent de deur en laat zich verwelkomen door de lucht van verschaald bier en roestige peuken. Luid scandeert de barman zijn naam. Geluk openbaart zich in vele vormen. Deze nacht zal hij zijn geluk wederom opeisen. |
 |
|
|
|
Zenderhoppen
|
05 Apr '04 -
|
 |
'Eet dit!'
En blijf eeuwig slank! Jaja, ook u! Ook al lijdt u al járen aan obesitas, en is langer dan vijf minuten op uw weerzinwekkende klompvoetjes blijven staan een foltering die zijn weerga niet kent voor uw vetgeribbelde enkels en de banden die dit slappe zooitje overeind moeten houden! Dat geeft helemaal niks! Met dìt product BLIJFT u namelijk slank! Met dit product kunt-ook-u eruit zien als dit goedlachse, zestig-kilo wegend, strak afgetraind, bloedheet mokkeltje! Nou en of!
Nu handig apparaatje dat regelmatige stroomstootjes van honderdtien volt door uw buikspieren (die ergens diep in dat corpulente lijf van u verborgen zitten) heen jast en derhalve nul komma nul resultaat opleveren terwijl u lui achterover leunend op de zitfauteuil kilo's van dit spul zit te verstouwen bij aankoop van zesentachtighonderd zakken. Spaar allereerst de complete series Filipino's. (Niet voor consumptie geschikt.)
'Drink dit!'
En wees verzekerd van uiterst hippe vrienden, die natuurlijk exact hetzelfde drankje drinken. Sterker nog, tezamen zult u een hip epicentrum vormen waarbij elk ander persoon dat zich in de nabijheid van uw hippe cirkel vertoont verschrompelen tot een grijs, nikszeggend muisje. Tenzij deze bereid is hetzelfde drankje te nuttigen. Dus doe mee, en dans gezellig mee op dit nikszeggende popdeuntje!
Nu verkrijgbaar met hip, mouwloos t-shirt met hippe Japanse tekens die zich ruwweg vertalen naar: "Ik ben een dom vadsig, kapitalistisch Westers zwijn dat graag flaneert met nietszeggende Japanse tekens."
'Spuit dit dagelijks op!'
En vrouwen zullen u waar mogelijk bespringen! U komt net uit het riool gekropen? Al zes jaar achtereen niet gedouched? Zojuist intensief drie zweterige potjes rugby afgewerkt met 'de mannen' en haastig op weg naar een zinneprikkelende afspraak? Geen nood. Eén wolkje van dit goedje en elk beschikbaar stukje vrouwenvlees zal zich gewillig en watervalachtig vochtig voor u openen zodra de geur van dit magistrale middel hun neusvleugels kietelt.
Nu in handig knijpflesformaat. Af te halen bij uw lokale visboer. Literverpakkingen ook mogelijk.
'Smeer dit op uw gezicht!'
En niemand zal ooit nog met gepaste walging hun gezicht van u afwenden. Met alcohol, dus ook al teistert de constitutionele eczeem u al sedert uw jeugd, deze staat garant voor een regelrechte oplossing! Veel water is een vereiste, dus houdt de wastafel in de buurt. Planchet-vriendelijk. Houd buiten bereik van open vuur.
Nu met gratis waarschuwing en educatief beeldverhaaltje op de achterzijde. |
 |
|
|
|
Rectificatie!
|
02 Apr '04 -
|
 |
(Speciale editie (u weet wel) gefabriceerd voor uwen leesvertier door vrind Oersoep!)
Andreas mcGeorges ademhaling versnelde en hij voelde
een verlangen dat hij niet vaak voelde: beuken, rammen, slaan, stompen
en misschien zelfs zagen, steken, schieten, in brand steken. Deze
gevoelens waren nieuw voor hem. Dit normaal zo rustige jongetje had nog
nooit gevochten. Anderen hadden wel met hem gevochten, maar hij vocht
nooit terug: het zat niet in zijn natuur. Hij hield er meer van om
mensen te overrompelen met redeneringen. Maar ja, als je daar te vroeg
mee komt hebben de andere kinderen uit groep zes daar natuurlijk
geen boodschap aan. Die stompten het jongetje met de tweedehands kleren
juist omdat hij ze dom liet lijken.
Maar nu was deze knul, blond haar en blauwe ogen
achter een klein, rond brilletje, voor het eerst écht boos. Want wat ze
nu gedaan hadden ging gewoon te ver. Oké, Andreas vond het meisje met
de beugel aan haar been óók raar, maar dat was geen reden om haar in
elkaar te slaan en uit te kleden. Ze bloedde zelfs!
Het naakte meisje keek huilend naar hem op. Hij wist niet hoe ze
heette, hoewel ze al bijna een maand bij hem in de klas zat. Ze praatte
nogal vreemd en hij had haar naam nog nooit verstaan. Ook de leraar
sprak haar naam niet duidelijk uit en Andreas was te verlegen om door
de klas te roepen dat hij haar naam niet verstond en of ze het kon
herhalen. Straks dachten ze allemaal dat hij verliefd op haar was! Dat
was niet de bedoeling. Maar dit was anders. Zijn blik werd grimmig en
de wereld om hem heen werd rood. Met donkere vlekken van gestold bloed.
Van de drie jongens voor hem kende hij er maar een,
en niet eens van naam. Het was een jongen uit groep acht. Een echte
etterbak. Daar was de hele school het over eens. De andere twee kende
hij niet, en hij vermoedde dat ze allang niet meer op de basisschool
zaten.
“Laat haar met rust!” riep Andreas.
De jongens begonnen te lachen.
“Wil jij misschien ook even?” vroeg één van hen, en Andreas zag nu pas
dat de jongen zijn broek aan het dichtknopen geweest was. Hij stopte
hiermee en haalde zijn penis tevoorschijn. Het was groter dan Andreas
ooit had gezien en leek bloed aan te zitten. Het meisje kromp inéén en
begon zacht piepend te huilen. Haar embryohouding gaf Andreas zicht op
haar bebloede kruis. Hij snapte er weinig van, maar snapte wel dat het
verkeerd was. Heel erg verkeerd.
Andreas vloog uit de startblokken en ging voor het grijnzende gezicht van de jongen met de grote piemel. Kapot! Kapot! Kapot! Dat was het enige waar Andreas aan kon denken. Dat gezicht moest kapot! Hij
plantte zijn nagels in het gezicht en klauwde in alles wat te klauwen
was. Hij scheurde een wang door zijn duim in een mondhoek te steken.
Hij krabte, scheurde en trok en negeerde het gesjor van de andere twee
jongens. Bloed liep langs zijn polsen naar beneden. En nog wat anders,
toen Andreas’ duim een oog had gevonden. De klappen op zijn hoofd en
het gesjor van de anderen ontging hem volledig, net als het feit dat
zijn slachtoffer inmiddels op zijn rug in het zand lag te krijsen.
Andreas werd bij beide armen gegrepen en achterover gesleurd. Hij had
een bloedsmaak in zijn mond, want hij had op zijn wang gebeten. Die
smaak maakte hem gek. Twee knieën rustten nu op elke arm en hij werd
geestdriftig gestompt waar mogelijk. Grommend probeerde hij zich los te
worstelen om verder te klauwen op het gezicht van de piemel.
Deze lag intussen krijsend zijn gezicht te betasten en rolde
voorzichtig op zijn buik, om op zijn knieën te komen. Zijn broek zakte
verder naar beneden en Andreas zag dat de piemel intussen een stuk
normaler van grootte was geworden. Maar dat was niet genoeg. Kapot zou
hij hem maken! Andreas voelde zich sterker dan wie dan ook.
Zijn rechterhand vond iets hards. Te hard om zijn
nagels in te zetten. Veel zag Andreas niet meer. Hij zag de bloedrode
waas vermengd met sterren, want hij kreeg de ene stomp na de andere in
zijn maag. Hij pakte de steen stevig beet en met een kracht die velen
malen groter was dan dat van een normale tienjarige rukte hij zijn arm
los en plantte hem tegen het hoofd van de jongen uit groep acht. Deze
boog zijn hoofd en hief zijn handen beschermend omhoog. Andreas hakte
nog drie keer door en schold vreemde woorden of namen, die door de waas
toegefluisterd schenen te worden.
“Caernaigh Oigthierna! Ciarán! Moirrey Malane!” Eén naam bij elke klap.
Ze gaven hem barbaarse kracht, magie en die laatste fatale klap gaf hen
de zoete, bloederige smaak van een wraak van lang, lang geleden. Toen
de mens nog kracht had.
Michel ramde en beukte in op het vervelende mannetje
dat zijn beste vriend verwond had. Misschien wel blíndgemaakt had! Keer
op keer haalde hij uit op het fragiele gezicht van dat studiebolletje.
Maar dat ettertje scheen het niet eens te merken. Het interesseerde hem
niet dat zijn neus bloedde als een kraan. Hij scheen niets anders te
willen dan Bastiaan te mollen. Hij haalde nog een uit, maar voelde het
kinderarmpje onder zijn knieen onverbiddelijk bewegen. Een honderste
tel vlogen zijn gedachten rond en daarna plofte hij op zijn rug in het
zand. Wat hij zag deed zijn gedachten stoppen.
De steen doorboorde de schedel van zijn broertje met
een geluid uit een film. Het mannetje schreeuwde iets onverstaanbaars
en bij de volgende klap was hij sterker. Spieren rolden onder zijn
gekrompen t-shirtje. Hoewel er fysiek niets veranderd was zág Michel de
kracht. Bloed spatte op.
Het kind schreeuwde een tweede woord en zijn stem leek niet alleen.
Niet alleen het hoge stemmetje van een opgewonden jongen. Het was ook
de stem van een man die dingen had gezien. Dingen had gedaan. De
wereldgeschiedenis kon veranderen.
De klap kwam aan met sissend geweld. Het bloed dat spatte scheen te
roken. De steen die de jongen in zijn vuist liet werken scheen nu te
gloeien, als het uiteinde van een sigaret. De geur van marihuana
prikkelde Michels neus. Nog steeds kon hij niets doen. Hij was
veroordeeld tot het toekijken bij de executie van zijn broertje.
Hij sloot zijn ogen en stak zijn vingers in zijn oren. Hij hoorde alles
haarfijn in zijn hoofd. Weer een woord - het leek een meisjesnaam
gevolgd door het scheuren en nu ook schroeien van zijn eigen vlees en
bloed.
Andreas Oggy voelde na de eerste klap dat hij niet
meer alleen was. Hij voelde de kracht van zijn voorvaderen. Na de
tweede klap was de geroepene ook gekomen. Ciarán, de magiër.
Na de derde klap en de derde naam was er niemand gekomen. En deze
leegte dreef hem dieper de roodheid in. Als een beest sprong Andreas op
met de gloeiende en schijnbaar groeiende steen boven zijn hoofd
geheven. Toen het op Bastiaans voet neerkwam, was het een volmaakte,
withete bijl geworden. Als een mes door warme boter gleed het blad net
onder de enkel door het been en schroeide de wond direct dicht.
Met een subtiel rukje trok Andreas de bijl uit de grond en grinnikte.
Bastiaan zag niets meer; zijn ogen waren vermoedelijk permanent buiten
dienst, maar het gloeiende silhouet van Andreas zag hij dwars door zijn
zintuiglijke beperkingen heen. En het deed meer pijn dan zijn voet.
Totdat Oggy zijn honderdvijftig kilo op Bastiaans balzak neerzette. De
pijn piekte met de twee zachte ploppen die zijn ballen achtereenvolgens
lieten horen.
Michel had toegekeken nog steeds geknield hoe het
jongetje op was gesprongen en voetstappen achterliet die groter en
dieper waren dan de voeten van de knul. Hij zag hoe hij de voet van
zijn beste vriend Bastiaan afkapte met wat zojuist nog een stuk
stoeptegel was geweest. Hij zag hoe dat monster stond te lachen en hem
vervolgens behalve zijn ogen, uiterlijk en zijn voet ook nog eens zijn
mannelijkheid afnam. Hij tastte naar wat hij eerst niet had durven
gebruiken: zijn vlindermes.
Hij begon met het mes te zwiepen vlinderen noemde hij het in zichzelf,
als hij op zijn slaapkamer oefende en het jongetje draaide zich om.
“Eindelijk, een krijger!” dacht een zware mannenstem in Andreas’ hoofd.
Hij liep behoedzaam op de krijger toe, die onzeker met zijn mesje stond
te wapperen.
Michel haalde uit, maar Andreas week net genoeg achteruit om ongedeerd te blijven.
Michel haalde nogmaals uit en dit keer stak Andreas zijn linkerhand
afwerend uit. Zonder geluid sneed het mes door de huid van enkele
vingers. Geschrokken, maar gefascineerd, alsof hij zich iets
herinnerde, keek de barbaar in Andreas naar zijn hand. Bloed drupte uit
de ondiepe snee en drie vingers vielen erachteraan. Ze leken uit
zichzelf los te hebben gelaten, en de stompjes op zijn hand schroeiden
vanzelf dicht.
Hoopvol door deze meevaller haalde Michel nog eens uit. Ditmaal hief
Andreas simpelweg zijn linkerarm, vervaarlijk grijnzend. Michel trof
doel, en zijn mes viel in scherven uiteen.
Ditmaal zwiepte Andreas’ gietijzeren arm zwaar en log door de lucht,
langszij en met een uppercut breekt hij zowel onder- als bovenkaak, nek
en schedel van de jongen met de slechte vriend en het dode broertje.
Toen Michels lichaam als een zak botten op de grond
plofte, plofte de rode waas uit Andreas’ hoofd. Hij was weer alleen.
Zijn vingers zaten er weer aan en wat hem betrof had er net zo goed
niets gebeurd kunnen zijn... afgezien van die bloederige ravage dan.
Voorzichtig nadenkend over wat er gebeurd was, keek hij rond. Het
meisje was gestopt met huilen. Lijkbleek keek ze hem met grote ogen
aan.
“Kom op, Morrey, ” zei Andreas.
“Ik kom, ” zei Morrey en ze stond op. Een paar meter verderop lag de
beugel voor haar been, maar die had ze niet meer nodig. Andreas reikte
haar haar gescheurde jurkje aan en toen hij nog een laatste maal
onbeschaamd naar het tengere, naakte meisjeslichaam keek, zag de
barbaar in zijn hoofd de rondborstige vrouw die erin schuilging. |
 |
|
|
|
 |