 |
|
Het is hier reuzegezellig!
|
26 Aug '04 -
|
 |

Volgens de overlevering vindt de herrijzenis plaats over één week. |
 |
|
|
|
Ik sta
|
18 Aug '04 -
|
 |
ik sta roerloos
voor jouw raam
staar slechts naar binnen
en zeg niks
ik sta nog steeds
roerloos
voor jouw raam
kijk dwars door jouw huis
en zeg niks
ik sta alweer
een dag of twee
voor jouw raam
en ik stink
een uur in de wind
ik sta nu
een klein weekje
voor jouw raam
en ik denk
is daar iemand? |
 |
|
|
|
De val van Mezüăl.
|
12 Aug '04 -
|
 |
De eenzame reiziger was reeds zes dagen onderweg. Zes dagen ploeteren door deze snikhete woestijn. Zes dagen vol ontberingen, waaronder het gemis van een degelijke toiletbril toch wel het meest schrijnende was. Maar uiteindelijk diende het allemaal een hoger doel, en de statige torens van het stadje Mezüăl aan de horizon vervulde zijn hart met blijdschap. Een halve dag reizen zou volstaan.
De Mezüălanen hadden geen uitgesproken doel in het leven. Tenzij men gezapig van dag tot dag leven een doel zou noemen. Een geloofsovertuiging kenden ze niet. Geen gangbare in elk geval. Met hun kaalgeschoren hoofden, grijze gewaden, stompige lijven en nietszeggende blikken deden ze eerder denken aan een groep ontsnapte verstandelijk gehandicapten, dan een harmonieus volkje. Voor de eenzame reiziger was het zonneklaar, al deze bewoners verdienden het simpelweg om te sterven. Stuk voor stuk. En waarom? Deed dat er toe dan? De eenzame reiziger was nu eenmaal wars van verspilling.
Een paar uur later vond hij het nodige. Een kleine oase met wat losse plantjes en een lullig vijvertje, maar bovenal; een kokerboom. Na zichzelf uitgebreid gelaafd te hebben aan het verkwikkende water klom hij in de boom en zaagde de grootst mogelijke tak met zijn mes eraf. Beneden aangekomen trok hij zijn gewaad omhoog tot kniehoogte, zakte op de grond in kleermakerszit en legde de tak op zijn schoot. Met chirugische precisie schilde hij eerst de schors eraf, daarna elke onvolkomenheid die hij tegenkwam totdat de tak de vorm kreeg die hij voor ogen had. Pas halverwege de middag kon hij met voldoening constateren dat de vorm eindelijk reëel was. Prachtig. De rauwheid ervan. Zijn pure eenvoud. Het vervaardigen van de fluit was inmiddels een routineklus voor hem geworden, en toch kon hij keer op keer van zijn schepping genieten. Voordat hij met hernieuwde energie zijn weg weer vervolgde at hij eerst een paar dadels die hij meegenomen had uit een eerdere oase. Wat extra energie is nooit weg.
Aan het einde van de middag arriveerde hij eindelijk in Mezüăl. De gesteldheid van deze stad irriteerde hem mateloos. Meteen. Waar men doorgaans zou verwachten dat een stad in de woestijn één grote stofbende zou moeten zijn, constateerde hij dat dat hier niet het geval was. Sterker nog, het schurkte tegen het smetteloze aan. Alle gebouwen - hoog en laag - hadden diezelfde dorre zandkleur, alsof de bouwmeester's creativiteitsbotje inzake kleurencomposities leed aan een acute zandverzuring. Wellicht dat ze de God van Het Geregeld Leven aanbaden. De inwoners leken het treurspel kracht bij te willen zetten getuige de wijze waarop zij (doelloos) sjokten van het een naar het ander gebouw. En weer terug. En weer heen. Geen moment wekten zij de indruk dat ze op weg waren naar een gezellige familiebijeenkomst, of een gemoedelijk café om hun dorst te lessen. Onbegrijpelijk eigenlijk dat de naamgever van hun stad vergat te kijken naar de mentale beperkingen van zijn ingezetenen. Zelfs de kinderen speelden niet. Met holle ogen sleepten zij hun voeten lusteloos over de secuur afgemeten zandpaadjes. Nergens zag hij zand speels opdwarrelen, als ware het dat het uit respect voor de netheid van de stad eerbiedig bleef liggen.
Slechts een brug over de omringende gracht fungeerde als toegang voor de stad. Muren waren er niet, dus eenieder kon de aantocht van de eenzame reiziger gadeslaan. De reiziger nam plaats op een hoog rotsblok - in kleermakerszit -, vlak naast het punt waar de brug begon en tuurde het stadje in. Het verwonderde hem nauwelijks dat diezelfde vale kleur als een masker op de gezichten van de inwoners lag. Met moeite kon hij een walging onderdrukken. Hij pakte de fluit onder zijn gewaad vandaan, zette deze aan zijn mond en begon te spelen. De klanken die hij voortbracht waren zacht, maar talrijke paren zwarte knikkers keken met een ruk zijn kant uit. Geen herkenning, eerder een soort ... fascinatie. De reiziger speelde door, begon in zijn element te raken aangezien hij het dus nog steeds 'kon'. Een van de dolende kinderen begon langzaam in zijn richting te lopen. Vanaf deze afstand kon hij met geen mogelijkheid zeggen welk geslacht het bezat. Zijn vingers dansten ondertussen steeds sneller langs de schacht van de fluit en de tonen volgden elkaar steeds sneller op. 'Affrettando!' zou zijn oude muziekleraar voorheen door de klas schreeuwen. Het kind liet hem niet los met haar lege blik. Meerdere bewoners begaven zich nu in zijn richting. De sierlijke klanken leken de lucht boven hem te vullen en vormden een soort vacuüm. De complete stad leek inmiddels uitgelopen te zijn voor deze vreemdeling met zijn hemelse muziekinstrument. Geestdriftig speelde hij verder. De sloffende meute hield echter vlak voor de gracht halt. Zij verroerden zich verder niet, maar de starende blikken lieten hem geen ogenblik los.
Hij stopte met spelen en keek vragend naar de samenscholing voor de gracht. Niets duidde op een aanstaand protest omdat de klanken niet meer te horen waren. Ze bleven daar maar staan. Wezenloos. Hij begon weer te spelen, maar nog steeds verroerden zij zich niet, noch viel er een reactie te ontwaren. Hij stopte weer met spelen en keek alsof hij te maken had met een onoplosbaar vraagstuk. Hoe kon dat zo? Had de oude baas hem niet goed voorgelicht? Het liedje klopte, de inwoners reageerden er duidelijk op, maar het sorteerde niet het juiste effect. Ondertussen maakten sommigen zich alweer los uit de groep en gingen weer verder met hun eerdere bezigheden. Lamlendig rondsjokken. Verdomd. 'Compleet nutteloos volk, verdomd.' bedacht hij zichzelf. De groep toehoorders druppelde langzaam uit elkaar. Ontgoocheld borg hij de fluit weer op onder zijn gewaad en verliet zijn rotsblok. Hoofdschuddend liep hij terug naar de oase en probeerde het gesprek met de oude baas weer te overdenken. Hij keek even over zijn schouder en zag dat de situatie weer exact hetzelfde was. Alsof de film weer opnieuw afgespeeld werd na een korte pauze, met het verschil dat deze lieden hun eigen hoofdrolspelers waren.
Bij de oase ging hij onder de kokerboom zitten en ging alles weer opnieuw na. Alle tekens klopten, de muziek klopte, de reacties klopten - op het plotsklaps stilstaan van de meute na -, dus wat deed hij fout? Moest hij tussen hen in gaan staan? Kon hij zich niet voorstellen, dat zou teveel afwijken van het principe. Nee, het was iets anders. De oude baas kon hij nu niet meer consulteren, aangezien de eenzame reiziger zodanig in hem had gesneden dat deze aan shock was bezweken. De dorre woestijn zou voortaan naar de rest van zijn weeklagen luisteren, maar antwoorden hoefde hij niet meer te verwachten. Laat staan prangende vragen. Dit moest hij zelf op zien te lossen. Peinzend keek hij omhoog naar de sterren die een voor een aanfloepten, als fotocamera's in een stadion. Wat had de oude baas nog meer gezegd voor hij stierf? Iets over een offer brengen om te kunnen offeren. Wat bedoelde hij daar precies mee? Hij stond op, liep naar het vijvertje en knielde om zijn waterfles bij te vullen. Gedachteloos tuurde hij over het water terwijl zijn fles borrelend volliep. Zijn blik bleef hangen bij twee schorpioenen die even verderop in een hevige territoriumstrijd verwikkeld waren. Hun pantsers glansden merkbaar dof onder het oranje schijnsel van de ondergaande zon. De een was duidelijk aan de winnende hand, daar hij zijn tegenstander klem gezet had met een van zijn machtige scharen. Behendig greep hij de giftige staart van zijn tegenstrever vast, en kantelde hem op zijn kromme rug als een volleerd hefboomartiest. De verliezer spartelde nog wanhopig tegen, maar zag geen kans meer overeind te komen. Onbarmhartig begon de ander op hem in te knippen met zijn andere schaar. En toen drong het besef bij de eenzame reiziger binnen. Hij begreep wat hem te doen stond.
Tegen de tijd dat hij zijn werkzaamheden voltooid had was de andere kant van de nacht al gearriveerd. Zijn rotsblok met uitzicht op de stad had hij rond het middaguur bereikt. Hij klom erop, trok zijn gewaad omhoog en ging zitten. Met lichte irritatie zag hij een onveranderd schouwspel - bewoners die nog steeds nikszeggend rondsukkelden. Onverdroten nam hij zijn blaasinstrument opnieuw ter hand en begon te spelen. Als zombies begonnen de inwoners onmiddellijk weer zijn richting uit te lopen, zijnde onderdeel van een perfect uitgevoerde choreografie. Huiveringwekkend gedwee. En ditmaal stopten ze niet. Een voor een liepen ze de gracht in. De grond liep schuin af het water in en sommigen liepen achteroverleunend de wal af totdat ze eerst tot hun middel in het water liepen, daarna op nekhoogte voordat ook hun kruin onder het wateroppervlak verdween. Kleine belletjes borrelden op aan het oppervlak en spatten meedogenloos uit elkaar. Vermengden zich met de zoete klanken van zijn fluit. Geen van hen struikelden. Ze lieten netjes ruimte voor elkaar over om rij aan rij het water in te lopen, alsof zij nog altijd rekenschap af moesten leggen aan hun God van Het Geregeld Leven. Het was misselijkmakend om te zien. Niemand die verzaakte. Sommigen hielden even hun pas in voordat het hun beurt was om hun lichaam aan de gracht te doneren. Kinderen keken de eenzame reiziger recht aan - gelijk de volwassen mannen en vrouwen - voordat hun openhangende mond volliep met water, maar een beschuldiging kon je er niet in terugvinden. Een hond had nog meer expressie in zijn ogen.
Dit ging zo door totdat ook de laatste inwoner zich zwijgend bij zijn stadsgenoten had gevoegd. De vrijwillige verdrinking had bij elkaar niet meer dan twee uur in beslag genomen. De eenzame reiziger stopte met spelen, klom van de rots, stak de brug over en zoog de rust van het stille stadje op. Een rij netjes (uiteraard) verzorgde loofbomen verschafte hem schaduw terwijl hij ervoor plaatsnam. Hij tilde eerst zijn gewaad op tot kniehoogte voordat hij ging zitten. Met een zucht van verlichting nam hij een aantal slokken van zijn waterfles. Het klopte achteraf gezien dus wel wat de oude baas hem verteld had. Terwijl hij zijn waterfles weglegde keek hij nog eens naar zijn blaasinstrument. Zijn nieuwe blaasinstrument. 'Een offer brengen om te kunnen offeren'. mompelde hij zachtjes voor zich uit terwijl hij dromerig keek naar de opgedroogde bloedstolsels op de stomp waar eens zijn scheenbeen zat. |
 |
|
|
|
Welja!
|
10 Aug '04 -
|
 |
| Welnee. |
 |
|
|
|
Hotel Pacifico
|
04 Aug '04 -
|
 |
Vrijwel elke bewoner van deze onberispelijke buurt maakte dankbaar gebruik van zijn diensten - welke hij iedere dag toegewijd uitstalde in zijn nagenoeg smetteloze vitrinekast. De zondagen niet uitgezonderd. "De beste pasta van de buurt." zong het rond terwijl pasgeboren ouders tevreden zijn nering verlieten, met in hun handen de netjes in papier en plastic verpakte oogst van een gezellig halfuurtje watertanden. Menigeen overdreef het soms door boud te declameren dat Onofredo Gagliarducci de beste pasta van heel de stad maakte. Typerend karaktertrekje.
Iedere fijnproever zal je vertellen dat Pasta di Mamma de onbetwiste nummer één is. Maar "Fredje" - zoals hij liefkozend genoemd werd - was een ware Italiaan die de kunst van het pasta kneden tot in de puntjes beheerste en eerlijk is eerlijk ; zijn pasta was erg goed.
Onofredo was een kleine, tengere man. Het grijs van zijn slapen zegevierde inmiddels over de kruin waar de ravenzwarte lokken eens fier prijkten. Hij sprak nog altijd met een zachte tongval en hoewel hij de indruk wekte elk Nederlands woord te begrijpen, gebruikte hij nog altijd veel Italiaanse woorden. Zo sprak hij iedere mannelijke klant steevast aan met "Signore" en elke vrouwelijke klant - logischerwijs - met "Signora". Elk door hem gemaakt gerecht werd ook uitgesproken zoals het hoorde. Luister maar.
"Gor-gon-zola."
Mee eens? Dat dacht ik ook. Dat klinkt tenminste als een Napolitaanse villanella die luchtig voorbij drijft. Niet alsof er iemand staat te tongzoenen met het aarsgat van een aan diarree-lijdend varken. Soms twijfelde ik. Kòn hij echt geen Nederlands spreken, of was het gewoon een foefje van zijn kant? Een geslaagde poging om zijn authenticiteit te bewaren zeg maar. Hoe dan ook, het werkte. Over klandizie had hij geen moment te klagen.
Nu was Fredje geen aantrekkelijke man. Allerminst zelfs. Niet eens beminnelijk afgaande op de eerste indruk. Dat kwam deels door zijn gestalte - ik schatte hem zo'n één meter zestig - , maar zijn markante gelaatstrekken waren daar voornamelijk debet aan. Hij leek nog wel het meest op de hoofdrolspeler van "Delicatessen", u weet wel, die magistrale film met de man die zijn zaag zo prachtig kon laten zingen. Maar dan met vijftien kilo minder vlees op de botten. En terwijl deze Fransman continue rond liep met een tragikomische uitdrukking, leek Fredje verdomde veel ... nouja ... op een fret. Daarbij liep er een grof litteteken van zijn rechterwenkbrauw over de zijkant van zijn gezicht naar zijn keel, eindigend nèt onder hetgeen door moest gaan voor zijn kaaklijn. Maar lekkere pasta kon hij maken als geen ander.
Het zal op een dinsdagmiddag geweest zijn, alhoewel de kalender net zo goed woensdag aan had kunnen geven. Fredje maakte op dat moment drie gerechten klaar voor een jong stel dat zijn winkel voor de eerste keer aandeed. De geur van verbrande knoflook dreef door het kleine pand als een eigentijds parfum. Gesneden tomaatjes met Mozarella en tijm, kalfsvlees met tonijnmayonaise en zijn voortreffelijke eigengemaakte pasta. Prettig pittig van smaak met veel knoflook en peterselie. Hij had het kalfsvlees en de pasta net uit de oven gehaald, vroeg hen servicegericht of zij misschien nog gestrooide kaas over de pasta wilden toen het belletje van de voordeur tingelde. Twee mannen - de een wat dikker, de ander wat langer - in lange regenjassen en met gleufhoed stapten de winkel binnen. De snit van hun maatpakken daaronder verried dat deze handgemaakt waren door een top-couturier.
Hij maakte de bestelling compleet, vulde de plastic tasjes, rekende af en wenste de jongelui een prettige middag verder. 'Buon, grazie e ciao voi due.' De jongedame keek nog even op naar de nieuwe klanten op weg naar buiten, maar aangezien zij hier geen vaste klant was zou ze niet kunnen zeggen of ze deze heren hier ooit eerder gezien had. Wel dat hun gezichten griezelig vlak leken. Emotieloos. En dat ze daar rillingen van kreeg. Haastig trok ze de voordeur tingelend achter zich dicht. Nauwgezet als Onofredo altijd was veegde hij eerst zijn toonbank schoon en droogde daarna zijn handen af met de handdoek naast de gootsteen. Ogenschijnlijk viel het hem niet op dat een van de mannen het bordje aan de voordeur zodanig positioneerde dat men aan de buitenkant CHIUSO kon lezen. Fredje draaide zich om.
'Buono Signores, come posso servirlo?'
('Goed heren, wat kan ik voor u doen?')
De andere man - niet de dikke bordjesomdraaier - deed een stap naar voren en keek eventjes belangstellend naar de uitgestalde waren in de vitrine en daarna recht in de ogen van Fredje. Het maakte hem nerveus.
'Si, die Lasagne Verdi, maakt u die met courgette?'
'Sicuro Signore!'
'Buono, buono. Scusa, ma siete a caso ... Alfredo Carducci?'
('Excuseer mij, maar bent u toevalligerwijs ... Alfredo Carducci?')
'Nee meneer, mijn naam is Onofredo Gagliarducci? Wie is die Alfredo ... (Carducci) .. Carducci waar u van spreekt?'
De man repliceerde niet, maar keek even om naar zijn dikke kompaan. Die knikte bevestigend. Zonder dralen stapte de bordjesomdraaier achter de toonbank en dwong Fredje naar de achterkant van zijn zaak te lopen. Daar aangekomen herhaalde de vragensteller zijn vraag opnieuw. 'Begrijp ik het goed, u beweert dus dat u niet Alfredo Carducci alias De Uitbener bent?'
'Nee meneer?'
'U bent dus niet degene die Carlo Guareschi's keel doorsneed en zijn tong via het gat eruit probeerde te trekken?'
'Nee meneer?'
'U bent dus niet degene die de voeten van Tommaso Deledda er afzaagde, hem vervolgens bloedend en kermend liet rondkruipen voordat u twaalf kogels door zijn hersenpan joeg?'
'Nee meneer. Ik ken al die personen niet?'
De lange regenjas haalde een pakje foto's tevoorschijn en toonde er één van. 'Deze meneer hier, met de opengesneden buik, heeft u dus nooit eerder gezien?'
'No Signore?'
De bordjesdraaier stapte inmiddels op hem af, en stak zijn rechterhand in de binnenzak van zijn regenjas. Het wapen zag er echt genoeg uit. Alsof het besef als een emmer ijswater over hem heen spoelde, deinsde Fredje angstig achteruit. Hij vouwde zijn handen biddend in elkaar en vroeg een octaaf hoger: 'Maar .. maar, .. heren alstublieft! Ik ken die man echt niet! Ik .. ik .. ben slechts een arme Italiaan die poogt een eerzaam bestaan op te bouwen in dit land! Alstublieft! Ik smeek het u!'
De bordjesdraaier greep hem bij zijn kraag en trok hem dichterbij. 'Waar komt u dan wel vandaan!?' Zijn gezicht zag er beduidend minder vlak uit terwijl hij deze vraag stelde.
'Livorno Signore. Livorno! Uit het Toscaanse land!'
'Op je knieën, kakkerlak!'
'Signore, per favore!'
Fredje zakte door zijn knieën.
'Dat was mijn beste vriend, kakkerlak! Nu, vandaag heb ik weinig geduld, dus ik raad je aan om de waarheid snel te vertellen!'
'Signores, io pregare!'
De lange man knikte wederom naar zijn dikke metgezel. Fredje zag de klap met de kolf niet aankomen en zeeg naar de grond.
.........
Bij het ontwaken realiseerde hij zich dat hij aan zijn armen opgehangen was. Voor hem stonden de twee mannen druk te discussiëren. Buiten was de zon al geruime tijd geleden ondergegaan. De dikste van de twee maakte zich los van hun conversatie, liep op hem af, stak zonder waarschuwing een hand in zijn mond en gaf een ruk aan zijn wang zodat Fredje zijn mond wel open moèst doen. Een langwerpig apparaat ter grootte van een doodgewone tondeuse werd ruw in de openstaande mond gepropt en Fredje hoorde iets knetteren. De herkenning lichtte onmiddellijk op in zijn ogen. De pijn was tè intens - nergens mee te vergelijken. Het geknetter binnen die afstand klonk oorverdovend. Stroom teisterde zijn tanden, trilde ze onverbiddelijk los, zijn tong trok meteen pijnlijk strak tot ver in zijn keel en hij hoorde - nee, rook - brandblaasjes zo groot als een kwartje zich sissend vormen op zijn tandvlees. Zijn ogen puilden uit van de pijn. De sessie duurde nog geen twee seconden, voor hem leken het uren. Uit zijn linkeroor liep een straaltje bloed. Het apparaat werd teruggetrokken. Fredje braakte vrijwel meteen op zijn eigen vloer. Hijgend en huilend smeekte hij zijn belagers alsjeblieft hiermee te stoppen. Ze hoorden zijn woorden niet door de gehavende staat van zijn mond maar begrepen hem wel. Fredje kon niks anders meer dan huilen. Machteloos liet hij een straaltje urine ontsnappen. De lange man streek een lucifer af aan de muur en voorzag zichzelf van een vuurtje. Het oranje puntje van zijn cigaret lichtte eventjes fel op in de onverlichte zaak. Hij riep de dikzak bij zich. De twee mannen gingen weer in conclaaf.
'We zitten niet goed.'
'Hoe weet je dat zo zeker? Alles wijst erop!'
'Toch zitten we niet goed.'
'Angelo, de informatie klopt! Dít is de man die jouw neef heeft opengesneden en zijn ingewanden bij wijze van geintje om zijn nek knoopte!'
De lange man keek eventje peinzend naar Fredje die nog steeds aan het huilen was. Nam een laatste trek van zijn cigaret en gooide deze op de grond. Hoofdschuddend wendde hij zich weer tot de dikzak.
'Nee, dit is niet de juiste man. Het voelt niet goed aan. Onze man zou nu achtendertig moeten zijn - deze man ziet er minimaal uit als vijfenvijftig. Onze man had ook geen litteteken over zijn wang lopen. Nee, dit is een oude baas.'
'En het kogelgat in zijn buik?'
'Zit er niet.'
'Plastische chirurgie?'
'Kan.'
'Je weet wat we ons op de hals halen als we hier niet mee doorgaan he?'
'Jawel. De echte Alfredo Carducci zou ons opzoeken, onze beide hoofden eraf zagen en deze verwisselen, puur omdat dat grappig zou staan. Maar dit is niet de juiste man. Kijk nou, hij weegt nog geen zestig kilo!'
'Pfff. Ook geen kogel? Voor de zekerheid?'
'Nee, laat maar. Hij zal niks durven. En anders kost het nog meer tijd om de troep op te ruimen.'
'Vooruit dan maar, als jij het zegt.'
'Maak hem maar los.'
Drie minuten later tingelde de voordeur alweer, maar ditmaal was Fredje de enige aanwezige in de zaak. Liggend in een plasje eigen kots en urine. Nog eens een kwartiertje later stond hij moeizaam op en liep naar de toiletruimte. De tl-buis knipperde. Hij schrok zich wild van zijn beeltenis in de spiegel. Zwellingen liepen van de onderkant van zijn kaak over zijn wangen tot onder zijn ogen. Sommige werden al paarsblauw van kleur. Met moeite opende hij krakend zijn mond en zag een paar donkere gaten waar eerder op de dag nog tanden hadden gezeten. Het rechteroog kreeg hij niet open. Hij rook brand. Te zien aan de dikke klodders opgedroogd bloed in zijn neusgaten begreep hij dat de lucht van zijn verbrande neusharen afkomstig moest zijn. Hij draaide de kraan open en depte voorzichtig zijn gezicht. Hij bukte onder de wastafel door en verschoof een loszittend paneel. Uit een plastic zak haalde hij een dubbelloops jachtgeweer, twee pistolen, twee paar handboeien, een doos ammunitie en vijftien patronen. Het paneel schoof hij weer terug voordat hij de toiletruimte verliet. Bij zijn toonbank stond hij even stil, knielde met knallende knieën om iets op te rapen. 'Ik word echt oud,' mompelde hij glimlachend tegen zichzelf terwijl hij het luciferdoosje aandachtig bekeek. "Hotel Pacifico.", stond er in kleurige letters op het doosje.
Hij stond weer op, liep naar zijn kookeiland en pakte een hakmes van 615 gram van de muur. 'Hoofden verwisselen, dat klinkt inderdaad grappig.' Voor de laatste keer deze dag tingelde zijn voordeur. |
 |
|
|
|
 |