De hut, waar het allemaal eigenlijk begint
Het Mausoleum, voor al uw oude koeien
Tattoo-Log, sommigen kunnen niet zonder
Inteelt, bij de gratie van

  

 

Prehistorisch

01 Okt - 31 Okt 2005
01 Aug - 31 Aug 2005
01 Jul - 31 Jul 2005
01 Jun - 30 Jun 2005
01 Mei - 31 Mei 2005
01 Feb - 28 Feb 2005
01 Dec - 31 Dec 2004
01 Nov - 30 Nov 2004
01 Okt - 31 Okt 2004
01 Sep - 30 Sep 2004
01 Aug - 31 Aug 2004
01 Jul - 31 Jul 2004
01 Jun - 30 Jun 2004
01 Mei - 31 Mei 2004
01 Apr - 30 Apr 2004
01 Mrt - 31 Mrt 2004
01 Jan - 31 Jan 2004
01 Dec - 31 Dec 2003
01 Nov - 30 Nov 2003
01 Okt - 31 Okt 2003
01 Sep - 30 Sep 2003
01 Aug - 31 Aug 2003
01 Jul - 31 Jul 2003
01 Jun - 30 Jun 2003
01 Mei - 31 Mei 2003
01 Apr - 30 Apr 2003
01 Mrt - 31 Mrt 2003
01 Feb - 28 Feb 2003
01 Jan - 31 Jan 2003
01 Dec - 31 Dec 2002
01 Nov - 30 Nov 2002
01 Okt - 31 Okt 2002
01 Sep - 30 Sep 2002

 
 
 
 
 

 

Iets kwijt?

 
 
 
 

 

Al deze vervuiling mede dankzij

PIVOT
DIGIZAAL

 

Iets op uw lever?

 

Reclame!

 

 

Tattoo Johnny Tattoo Designs World Famous Tattoo Design Gallery - Thousands of Tattoo Designs - Created by top tattoo artists and illustrators

 

 

Download Tattoo Designs for every Lifestyle

 

 

 

Het gaat niet geheel onopgemerkt

Deductieve diagnose
28 Okt '04 -
Gisteren was best een aardige dag. De meiden van de bakker waren niet onvriendelijk. Tenminste, zo stel ik mij dat voor. Hun gezichten waren aan het wegrotten. Vlees of huid hadden ze nauwelijks. Heb ik gisteren eigenlijk wel brood gegeten?
 De slager, die lachte oprecht naar me. Hij was hard aan het werk. Dat weet ik, omdat zijn schort doordrenkt was met bloed. Hij lachte naar me, met wijdopengesperde ogen en zijn tanden fonkelden onder de felle verlichting. Niet zo heftig als de hakbijl in zijn hand, maar toch. Ik zag heel duidelijk een bloedspetter aan één van zijn voortanden kleven. Ik wilde er wat van zeggen, maar besloot het niet te doen. Zijn rechterarm zwaaide mechanisch omhoog en kliefde vastberaden door een dun hondennekje. Ik denk dat het een keeshondje was, want het hoofdje dat voor mijn voeten rolde was klein, overbehaard en in het midden stak een miniscuul rood dingetje naar buiten. Keffen deed het mormel nog wel en behoorlijk hard ook. Het viel mij toen pas op dat ik mijn schoenen was vergeten. Dat mijn teennagels wel weer eens aan een knipbeurt toe waren, dacht ik meteen. De slager hakte onverstoorbaar verder in het kleine, harige lijfje terwijl straaltjes bloed ritmisch uit de aders van zijn doorgesneden nek sprietsten. Een pootje, de rechter, trilde onophoudelijk. Ik denk dat het trillen na zes keer hakken uiteindelijk ophield. Was het eigenlijk wel een keeshondje? Ik weet helemaal niks van honden.
 Ik kwam mijn vader nog tegen. Hij had niks bijzonders te melden. Uiteindelijk pakte ik hem bij zijn kraag en trok hem uit de gracht. Ik begon te tieren, brulde dat ik hem een kolerelijer vond en dat ik gekwetst was door zijn onvermogen mij voor vol aan te zien. Hij reageerde nogal lauwtjes, vond ik. Niet eens zo onlogisch, want de helft van zijn hoofd leek weggeslagen. Alsof er een container vol Chinezen op geland was. Het deed me denken aan een kapotgebeten lolly, of anders een gekraakte walnoot. Nu ik er zo over nadenk weet ik niet meer zo zeker of hij het wel was. Ik zal hem zo eens bellen en vertellen dat hij een egoïstische hufter is. Mij een beetje in de waan laten dat hij wel eens een duik in de gracht neemt. Vuile trekpop.
 De verplegers waren niet zo aardig voor me. Ik mocht 's avonds geen televisie meer kijken omdat het mij - volgens zeggen - 'buitenproportioneel agressief' maakte. De verpleger die mij dit kwam vertellen had een gezicht als een houten plank. Ik wilde er meteen een sigaret op uitdrukken, maar ik rook allang niet meer. In plaats daarvan haakte ik mijn vingers in zijn oogkassen en trachtte het vlees van zijn jukbeenderen te knagen. De lol was er snel vanaf. Voor straf werd ik plat op mijn buik op een massagetafel gebonden, met m'n pyamabroek rond mijn enkels. Ik kan het aantal keren dat de stroomstok in mijn rectum geramd werd jammer genoeg niet meer herinneren. Eigenlijk vergeet ik dat elke keer weer.
 Ik hou van deze kamer. De schuimrubberen matjes aan de muren werken rustgevend. Ze doen me denken aan mini-donsbedjes. En aan zachte tanden. Hihihi. Vandaag. Vandaag kan nog best aardig worden.

link to this.. | 09:11 | dreadloki | 22 hadden wat

 

 

Verkwikkend!
26 Okt '04 -
Fris! Fruitig!

Schijnt wonderen tegen katers te verrichten.

link to this.. | 11:09 | dreadloki | 24 hadden wat

 

 

Vreugdevol
21 Okt '04 -
immense dalen
falen als leidraad

vraat sans toelage
jagen op rioolratten

kratten gesorteerd vocht
doorwrocht gesmeed

alarmkreet op glanspapier
vier vaten vol jolijt

link to this.. | 22:43 | dreadloki | 26 hadden wat

 

 

Binnenwaartse drukbal
19 Okt '04 -
's Ochtends, half zes.
Dauwdruppels en een beekje dat aan het zicht onttrokken wordt door de laaghangende nevel. Perfect. Nog enkele minuten en de helsoranje lucht zal langzaam overgaan in helder blauw. Geen mens op straat te bekennen. Een betere gelegenheid zal ik vandaag niet krijgen.
Ik heb 'em. Eindelijk dan. Na ontelbare dubbele diensten, van zes tot twee en daarna van vijf tot één 's nachts, achtenveertig weken achtereen ben ik dan eindelijk zover. Ik heb drie weken vrijaf genomen om hier uitgebreid van te gaan genieten. Heel even, eventjes maar, dacht ik eraan om een enorme terreinwagen aan te schaffen maar ik wilde niet dat men ging denken dat ik zo'n wagen nam ter compensatie. Dus in plaats daarvan heb ik een blits sportwagentje gekocht.

'Heehee-heee! Kijk es, kijk es, kijk-es-an. Als dàt Simon niet is! Met een kèk wagentje nog wel.'
Niels. Dronken. Op zondagochtend. Er bestaat geen God.
Niels loopt op m'n auto af, laat zijn vingers bewonderend langs de lak glijden. Rooddoorlopen ogen kijken mij woest verlangend aan. 'Da's echt een mooi karretje man! GeeTeeVeetje eh?'
Ik knik.
'Alfaatje, niks mis mee man. Dat ken je wel overlaten an die kut-Italianen. Auto's bouwen en centen verbrassen.'
Ik knik weer, voel de bui al hangen.
'Mag ik effe? Jèwel toch?'
Niels wacht mijn antwoord geeneens af en stapt alvast in aan de bestuurderskant. Er bestaat werkelijk waar geen God. Mijn borstkas zwelt op voor de zucht die er zodirect nodig uit moet. Niels helt over naar de passagiersstoel, opent het portier en wuift me grijnzend naar binnen. Ik ga zitten en gesp mezelf vast. Niels verspilt geen moeite aan zo'n futiliteit, draait het contactsleuteltje om dat ik er alvast in had gestoken. Altijd handig, nietwaar? Mijn hart mist een tel op het moment dat hij met brullende wielen wegscheurt. Inderdaad een snel wagentje.

Ik kende Niels uit Het Café. Handige jongen, goed van de tongriem gesneden en bovenal, hondsbrutaal. Zelden iemand meegemaakt met zo'n totaal gebrek aan angst voor wat dan ook. Eigenlijk niemand. Behalve hij dan. Ik mocht hem niet, maar tegen zijn babbel kon ik niet op. Meer dan eens zette hij mij straal voor lul en bij voorkeur als er dames bij betrokken waren. Ik besloot hem ditmaal uit te laten razen, dan kon ik hem op een later tijdstip ergens afzetten, zodat ik de rest van de dag tenminste voor mijzelf had. Nu ertegenin gaan was zinloos.
'Whiiiiiiiiiiiiiiiehoe!'
De GTV maakt een piepende bocht, neemt een heuveltje met een klein sprongetje en hij houdt het stuur vast met zijn linkerpink. Zijn rechterhand leunt losjes op de versnellingspook en tussen zijn vingers klemt een brandende peuk met een enorme askegel. Ik staar er verwonderd naar, ben niet bij machte om er wat van te zeggen. In de eerste instantie was het mij niet opgevallen dat hij er één opgestoken had - ikzelf rook niet - maar ik besluit er niks van te zeggen. Ternauwernood missen we een bezopen fietser die vervaarlijk naar links slingert terwijl wij met (.... 135) honderdvijfendertig kilometer per uur voorbij vliegen. De askegel ligt inmiddels tussen de bekerhouder en de asbak in. 'Kijk maatje, het leven zoals wij dat kennen, kan alleen maar gedomineerd worden door doorzetters.' Het laatste woord dat hij uitspreekt klinkt als "doorsjetters". Terwijl ik mij dit bedenk passeert Niels voor de vijfde keer een rood stoplicht. Met honderdvijfenzestig inmiddels.

'Wist je dat we vroeger een voetbalkast hadden staan in Het Café? Waar nu de gokkasten staan.'
Ik knik, maar eerder om hem maar gelijk te geven. Ik heb liever dat hij zich op de weg concentreert - op die andere auto op de voorrangsweg bijvoorbeeld!!!! - dan dat hij naar mij kijkt, wachtend op een antwoord. Van een voetbalkast staat mij inderdaad vaag iets bij, nu ik erover nadenk.
'Die kast, dat was mijn territorium. Ongenaakbaar was ik op dat ding. Avonden lang stond ik erachter, een pilsje, een brandende joint en een rij uitdagende guldens aan het hoofdeinde. Prachtig. Tot die lullenbijter binnenkwam. Met zijn rooie krulletjes. En zijn sproetjes. En zijn dikke lijf. En die stinkglimlach van 'em. Maar het ergst van alles; die handschoentjes. Die godvergeten vingerloze, leren handschoentjes! Van, ... van ..., ... van die homofiele wielrenhandschoentjes! En om het nog erger te maken, maakte hij me af. Elke keer weer. De eerste keer had ik net een "winning streak" van zestien achter de rug, toen hij uitdaagde. Ik weet nog dat ik dacht: 'Hah, die rooie hep handschoentjes.'
Ik sla mijn handen instinctief voor mijn ogen als we een uitvoegende stadsbus op een haar na missen. Niels vertelt onverstoorbaar verder, steekt er nog eens een peuk bij op.

'Die gast ging staan - ik weet nog dat ik quasi-nonchalant op mijn stangen leunde, een slokje bier nam en hem een "prettige wedstrijd" wenste - en tien ballen later was het alweer voorbij. Tien - nul! Ik had werkelijk geen schijn van kans! Ik besloot het er niet bij te laten zitten, haalde een piek uit m'n broekzak en duwde deze in de gleuf van de kast. Een andere kerel langs de kant waagde het nog te protesteren, iets in de trant van: "Hé, maar mijn gulden was eerder?" Hij deinsde snel genoeg terug, waarschijnlijk omdat hij in mijn ogen las dat ik op het punt stond mijn bierglas in zijn muil te schuiven. Er lagen nog meer guldens aan het hoofdeinde, maar niemand die zijn beurt kwam opeisen. De rest van de avond hebben alleen ik en die rooie dikzak de kast bezet. Het werd geen tien - nul meer, maar scoren deed ik nog altijd niet. Wat ik ook probeerde, schuivertje van binnen naar buiten, tikkie van de onderste naar de middenpop en uithalen, klemmen en faken naar buiten en dan binnenwaarts knallen, klemmen en schuiven - welke van de vier dan ook - het hielp allemaal niks. Zelfs die lelijke schuine ballen probeerde ik! Nee, tien - nul werd het niet meer die avond, maar meer omdat ik wat vaker "via" riep.'
Ik kijk even opzij omdat Niels al een paar minuten niks meer zegt, langzamer is gaan rijden en hoop op een inzakker. Ik wil zelf ook nog rijden vandaag. Hij kijkt nergens naar, lijkt het. Hij drukt de peuk uit in de asbak (wat me weer meevalt van hem) en steekt een nieuwe op. De auto staat inmiddels aardig blauw. 'Elke avond weer,' mompelt hij plots. 'Elke avond weer kwam HIJ langs. En elke avond weer stonden we daar, aan die tafel. Als gladiatoren. Met het verschil dat ik, naarmate de avond vorderde, er steeds meer uit ging zien als een aan stukken gereten slaaf. Ik ben technische boeken erop na gaan slaan, het internet ben ik opgegaan, ik las zelfs Amerikaanse methodieken om ook maar iets te kunnen vinden waarmee ik zijn wil kon breken. Het mocht allemaal niet baten. Ik heb mij op een gegeven moment erbij neergelegd, van die man kon ik niet winnen. In Het Café kwam ik voorlopig niet meer, ik was het allemaal zat. Wekenlang heb ik mijn gezicht daar niet meer laten zien. Het vrat aan me. Tot ik het opeens had.'

We zijn inmiddels in een bouwput aangekomen. Het lijkt Niels niet op te vallen. Zand stuift op terwijl hij een langgerekte bocht met honderd neemt, stuur losjes in zijn linkerhand. Een askegel valt van zijn gezicht op zijn schoot, de sigaret zelf hangt tussen zijn lippen.
'Ik kwam weer terug, in Het Café en hij stond daar nog altijd. Die vette, opgeblazen rooie pad. Alsof hij nog steeds
sinds de laatste keer stond te wachten op mij. Hij trok zijn handschoentjes nog wat strakker aan en een zelfvoldane grijns lichtte op tussen zijn sproeten, blij als hij was mij weer te zien. Ik liep op de tafel af en vroeg of hij zin had in een potje. Dat had hij wel. Tijdens de eerste bal begint hij opeens te kletsen. Dat hij respect voor mij had, zich ervan bewust was dat ik de eerste was in deze tent, dat hij nog geen gelijkwaardige tegenstander was tegengekomen in de tussentijd en blablabla. Ik knik slechts en probeer met minimale inzet te scoren bij hem. Hij lijkt zich in te houden, soort van vriendschappelijk opstellen naar mij toe. Het sterkt mij alleen maar in mijn voornemens. Bij balletje drie is het zover. Met de Deutsche Meister - in tegenstelling tot de Tournament - kun je balletjes opwippen. De research heeft toch nog zijn vruchten afgeworpen. Een filmpje, gevonden op het internet, toont hoe je het balletje via je keeper en verdedigers op de rug van een poppetje kunt krijgen. Een verdediger dus. Normaliter is een simpele polsbeweging genoeg om hem dan over het veld heen in het doel van de tegenstander te werken. In plaats daarvan wip ik de bal over de zijkant van de kast zodat deze een paar maal op de tegelvloer stuitert.'

'Ik hoor die rooie het nog zeggen terwijl hij bukt om het balletje op te rapen: "Leuke truuk gabber, dat deed je geinig. Jammer dat'ie mislukte." Dat was voor mij de druppel.'
Ik kijk opzij naar zijn gezicht. Het ziet er vlak uit en geeft me een onbehaaglijk gevoel. Stom genoeg concentreer ik mij niet meer op de weg. Niet dat hij zich er iets van zou aantrekken, mijn eventuele adviezen. Had ik dat nu wel gedaan, dan had ik geweten dat er wel degelijk gewerkt wordt op zondag.
'Met m'n rechterhand pakte ik de stang van de keeper stevig vast, wachtte op het juiste moment en ramde het ding dwars door zijn schedel terwijl hij juist overeind kwam. De stang ging door zijn slaap en kwam er aan de andere kant weer uit. Bloed, stukjes huid en bot druppelden aan de andere kant eruit. Hij wilde nog vragen hoeveel het stond, maar op een of andere manier interesseerde hem dat niet meer. Laat staan mij. Mooi man! Zijn ogen puilden van verbazing uit - of anders wel door een metalen stang die ze naar buiten dwong.'
Terwijl Niels hardop lacht zie ik opeens een vijf-tons shovel in mijn ooghoek verschijnen. 'Pas op!', gil ik nog. Te laat. De shovel ramt ons met zijn grijper, wipt de wagen overdwars en de wereld tolt voor mijn ogen. Ik sluit ze in blinde paniek. Als ik ze weer open ligt mijn geliefde Alfa Romeo GTV 2.0 op zijn rug in een greppel, met alleen mij als passagier. Miraculeus genoeg staat Niels buiten de auto, knielend en kijkt naar binnen via mijn raam. Hij grijnst, steekt weer een peuk op en vertelt mij nog dit: 'Die dikke had zich niet kwetsbaar moeten opstellen, dat was uiteindelijk zijn fout. Hij had moeten doorzetten, net zoals ik dat deed. Anders domineer je niet meer. Raar luchtje Simon, je moet die wagen van je eens na laten kijken.'
Zijn woorden komen vervormd binnen vanwege het dichte raam, maar tot mijn ontzetting ruik ik duidelijk brand, zie rookpluimen zich vormen aan de binnenkant. Iets in de wagen piept, ik voel dat het mijn eigen adem is. Ik gok dat een afgebroken stuk ribbenkast zijn weg naar één van mijn longen gevonden heeft. Ondanks de pijn begin ik te worstelen, probeer mijn riem los te krijgen maar het blijkt onvermurwbaar. Ik begin te roepen om hulp, vraag Niels mij eruit te laten. Bloedspatjes uit mijn mond besprenkelen het raam in een sierlijk patroon. Hij kijkt mij meewarig aan en voegt iets toe over "nodig moet gaan slapen. Lange nacht gehad." Hij spreekt langzaam om zo duidelijk mogelijk te articuleren. Tot slot knipoogt hij naar me, steekt zijn duim op en loopt weg. Ik gil nu de vlammen aan de buitenkant te zien zijn. Ik gil nog harder, bonk op het raam, ruk aan mijn gesp, zie de shovelbestuurder verbijsterd Niels nakijken die op zijn gemak ergens naar toe sloft. Ik gok naar huis, om te slapen. Door de rook en de vlammen kan ik nog net een stukje van de buitenlucht zien. Het ziet er helderblauw uit.

link to this.. | 09:06 | dreadloki | 86 hadden wat

 

 

Randgroepjongere
14 Okt '04 -
Onder de overkapping van het benzinestation, geflankeerd door zijn schaduw stond hij daar. Handen in de zakken van zijn spijkerjack, rug tegen de muur, de enkels gekruist en een brutale frons op zijn voorhoofd. Nonchalanter kon hij bijna niet leunen, tegen de muur. Eens in de zoveel tijd stapte hij naar voren en beschimpte hij enkele argeloze passanten, maar keek snel weg zodra er ook maar één geïrriteerd reageerde. Uiteindelijk verviel hij dan in zijn oude pose, tegen de muur. Soms wisselde hij min of meer van houding, door bijvoorbeeld één hak van zijn sportschoenen tegen de muur te planten en beide handen op zijn heupen te plaatsen. Zo had hij genoeg te doen, op die koele, maar heldere tweede avond van de nevelmaand. Auto's om bij te tanken arriveerden er eigenlijk nauwelijks. De exploitant, een veertiger met zwarte, lange krullen, imposante buik en een hangsnor moest het voornamelijk hebben van het passerende uitgaanspubliek. Onverschillig keek hij naar buiten, beurtelings naar de slungelige jongeman die de hele avond al tegen zijn muur aangeleund stond en naar een onzichtbare punt, gesitueerd ver voorbij de inrit van zijn tankstation. Hij krabte nog eens aan zijn massieve buik, dwars door zijn hawaïshirt. Met een diepe zucht ging hij weer zitten, en pakte de krant op voor de vierde maal deze dag. Een kleine kleurentelevisie waarvan het volume zacht stond achter hem op tafel toonde lachende, mooie jonge mensen op een strand. Een sinaasappel was schijnbaar de reden van hun hilariteit. Dit zou een lange avond worden.

De slungelige jongeman wisselde even van positie, om de druk op zijn standbeen te ontlasten. Hij keek naar links. Niemand. Naar rechts. Ook niemand. Hij taste in zijn binnenzak en haalde er een verfrommeld sigarettenpakje uit. Zachtjes kneep hij de verpakking open in de palm van zijn hand, onder de felle verlichting boven hem. Leeg. Hij wilde het lege pakje op de grond gooien, maar een zijdelingse blik naar het winkelgedeelte van het tankstation weerhield hem hiervan. De dikke man keek niet op, geen moment, en toch besloot hij het alsnog niet te doen. In plaats daarvan liep hij erop af. De tankstationexploitant keek even op van zijn krant, van het speurdersgedeelte, en wist dat het zover was. Hij stond op, ging in het midden van het kogelvrije glas staan waar de afrekenlade zich bevond en plantte beide handpalmen op de toonbank. De toegangsdeuren zoemden zachtjes open. Onwennig en knipperend met zijn ogen tegen het scherpe tl-licht stapte de jongeman de zaak binnen. Hij liep niet meteen naar het kogelvrije glas, maar veinsde interesse in een aantal magazines uit het bladenrek. Uit het rek nam hij een blad - vanaf de voorkant schreeuwde een blondine in bikini hem toe dat Yamaha Motoren de beste waren - en ging met zijn vingers door de bladzijden. Af en toe stopte hij eventjes met bladeren omdat hij dacht iets bloots gezien te hebben, wat dan weer een hand met daaraan een motorhelm bleek te zijn. De dikke man stond nog altijd voorovergebogen over zijn toonbank, de handpalmen plat op het tafelblad en de benen wijd uit elkaar. In deze houding oogde hij eerder massief. De jongeman waagde het erop. Het blad legde hij terug in het rek, behoedzaam, stak zijn handen in de zakken van zijn spijkerjack en stapte onzeker op de toonbank af.

'Pakje Camel, alstublieft.'
De man keek hem aan, zei niks. Wel ging hij recht overeind staan, met zijn armen gekruist voor de borstkas.
'Pakje Camel, alstublieft?' vroeg de jongeman nogmaals.
Zwijgend reikte de man achter hem naar het sigarettenrek en plukte routineus een pakje Camel van de muur. Met een zwaai van zijn pols haalde hij het item langs de glazen plaatje, gemonteerd in de toonbank, tot een "piep" weerklonk. Hij krabte nog eens aan zijn buik, door het hawaïshirt heen en liet de jongeman geen moment los met zijn ogen tijdens deze handelingen.
' .... kost dat?" vroeg de jongeman.
Een vingerwijzing naar de kassadisplay verklaarde het geheel, precies drie euro negentig.
'Heeft u geen vijfentwintig stuks pakjes meer?'
De man bewoog zijn hoofd langzaam van links naar rechts, om zijn ontkenning kenbaar te maken.
'Oh. Oké.'
Aarzelend griste de jongeman wat kleingeld uit de broekzak van zijn versleten jeans en telde er vier euro uit.  Deze legde hij in de afrekenlade en de rest stak hij terug in zijn broekzak. Hij bleef de man aankijken, maar niet in de ogen. In plaats daarvan fixeerde hij zijn blik op man's shirt, en dan de kraag ervan. Hij zag pas dat zijn kleingeld en een pakje sigaretten aan zijn kant van de lade lag toen hij deze hoorde terugschuiven. Voorzichtig pakte hij zijn wisselgeld en sigaretten uit de lade en draaide zich om. Een paar stappen later stond hij opgelucht buiten en liep wat zelfverzekerder terug naar zijn plekje. Binnen ging de dikke man weer zitten, vouwde zijn krant open en begon voor de vijfde maal deze dag het sportkatern na te lezen. 'Nozem.' mompelde hij voor zich uit.

De wikkel van het pakje liet snel los, en deze wierp hij - samen met het verfrommelde oude pakje - in de daarvoor bestemde prullenbak. Hij pulkte er één uit de nieuwe verpakking, leunde weer tegen de muur en stak deze in zijn mondhoek. Het pakje zelf verdween in de binnenzak van zijn spijkerjack. Instinctief plantte hij de hak van zijn sportschoen tegen de muur en ging zijn zakken na voor een aansteker. Niks? Hij voelde nog eens, ditmaal uitvoeriger. Hij voelde in zijn binnenzakken, haalde het pakje, een sleutelbos, een speelgoed mobiele telefoon en een lege wikkel van een chocoladereep eruit, maar nog steeds geen aansteker. Uit de andere binnenzak haalde hij niks, want deze spijkerjack had er maar één. Een beetje mismoedig stopte hij zijn bezittingen weer weg. Voetstappen, een tiental meters links van hem deden hem opkijken. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes om de eigenaar, of eigenaresse van de voetstappen te kunnen onderscheiden in het donker. Hij telde - op zichzelf na - één persoon in de duisternis. Hij veerde op uit zijn gebruikelijke pose, liep op de persoon af en realiseerde zich dat het een senior was. Een dame. Een paar meter voor haar stopte hij. De tankstationexploitant keek even belangstellend op van zijn krant. Achter hem verklaarde Marco Bakker op de televisie dat hij nu wel genoeg was gestraft voor dat akkefietje met zijn cruisecontrol. Marco zag er ontspannen uit, met een halfvol glas wijn voor hem op een formica tafel. De oudere dame bleef even verbijsterd staan terwijl ze de jongeman een paar meter voor haar zag stilstaan. Haar hand had ze gewoontegetrouw in de buitenste zak van haar jas gestoken. Een bus traangas klemde ze in haar vuist.
'Mevrouw, hep u een vuurtje?'
'Nee jong, sorry.' Haar hand om de bus ontspande enigszins. 'Of wacht, misschien heb ik nog lucifers.' Met haar vrije hand graaide ze wat rond in haar geopende handtas, tot ze met een mapje lucifers tevoorschijn kwam. 'Geen idee of ze het nog doen?'
'Da's goed mevrouw. Dank u.'
De dame overhandigde de jongeman het mapje lucifers en vervolgde haar weg, opgelucht. De jongeman nam zijn plek tegen de muur weer in, ging weer in zijn originele houding staan, leunend. De sigaret bungelde in zijn mondhoek. Hij streek een lucifer af aan de zijkant van het mapje. De lucifer sloeg niet aan. Probeerde er nog één. Werkte ook niet. De man in de winkel was inmiddels alweer verzonken in de sportuitslagen van zijn krant. Achter hem probeerde Marco Bakker nog eens aan de interviewer uit te leggen dat hij vond dat hij flink geschoffeerd werd, destijds. Dat het niet meeviel, zo verder te moeten leven. Hij nam een slok wijn en vroeg om een nieuw glas.
Buiten poogde de jongeman weer een lucifer aan te strijken, zonder succes. Vermoeid woog hij het mapje in zijn handpalm.
Dit kon wel eens een lange avond worden.

link to this.. | 09:08 | dreadloki | 41 hadden wat

 

 

Serotoninereceptorantagonisten
06 Okt '04 -
Van alle dagen ervoer Matthias de donderdag als de zwaarste van de week. Hoewel de maandag behoorlijk dicht in de buurt kwam, ging de vergelijking compleet mank en met name vanwege de heftige migraineaanval die hij van 's ochtends tot 's avonds laat moest ondergaan. Elke week weer. Alle soorten triptanen ten spijt - van naratriptan tot frovatriptan - de donderdag moest hij maar zien te overleven. Zo was de stand van zaken al vanaf zijn achttiende verjaardag, en met alweer de veertigste verjaardagsvlaai op komst werd geen moment de indruk gewekt dat dit ook maar enigszins zou wijzigen. Bijkomend nadeel was de nasleep van deze helse donderdag welke - met een beetje mazzel - afnam rond het middaguur van de volgende dag. Het was rond dit tijdstip dat Matthias nog altijd geteisterd werd door een knagend beestje in zijn voorhoofdsholte die de omvang van een volwassen tasmaanse duivel leek te hebben. Een woeste tasmaanse duivel die zijn weg naar buiten probeerde te vinden dwars door diezelfde voorhoofdsholte. Althans, zoiets vermoedde hij aangezien hij de juiste medische kennis ontbeerde en dus op zijn gevoel af moest gaan. En op je gevoel afgaan terwijl een volgroeide mastodont je hersenschors eraf probeert te pulken en een roedel St. Bernards tegelijkertijd een paar rondjes aan het skippyballen zijn valt niet mee. Zeg maar gerust lastig.

Desondanks probeerde hij een beetje monter door het leven te struinen, en dat ging hem niet eens zo slecht af. Zo werd hij - doelloos rondstruinend langs de smerige winkelpromenade - bijna omver gereden door een gehandicapt mannetje in een driewielscooter, maar Matthias bleef hoffelijk. Het mannetje verloor drie meter verderop een pakketje, maar was door zijn grotesk gevormd lichaampje niet bij machte dit weer op te rapen. Zonder dralen snelde Matthias op hem af, raapte het pakje op en probeerde het onder één van de kromme armpjes te klemmen. Dit werkte niet helemaal - niettemin bedankte het mannetje hem voortdurend, overlaadde hem met loftuitingen, probeerde zijn hand te schudden, maar zag daar wegens falend fysiek meteen weer vanaf. Tenslotte kreeg Matthias het voor elkaar het pakje tussen een kuit en de onderkant van het zitgedeelte van de driewielscooter te klemmen. Het mannetje bedankt hem nog maar eens, zegende hem uitgebreid en vervolgde uiteindelijk zijn weg. Tijdens het uitzwaaien werd hij voor de zoveelste keer getroffen door een pijnscheut, één waarvan elke willekeurige passant van geschrokken moest zijn, want naar het hem leek trok zijn hoofd ervan krom. Hij haastte zich naar de overkant van de straat, om nog net op tijd voorlangs een drietal passerende dienders te sluipen. Flarden van het gesprek waarvan vooral de woorden "dat mag natuurlijk niet" en "mensen moeten beter nadenken" het meest bleven hangen, als hongerige meeuwen rondom een paar kruimeltjes brood. De agenten waren jong - rond de twintig - en hadden gelukkig meer oog voor hun eigen beeltenis in de etalages tijdens hun gesprek dan een of andere burger die voorlangs kroop. De schittering van fel gepoetste knopen op hun uitrusting irriteerde Matthias, deed hem zelfs een kort moment zelfmoord overwegen, maar hij liet de opwelling voorbijgaan en stak een sigaret op. Niks in de buurt waarmee hij zichzelf van kant kon maken ook. Hij besloot maar eens huiswaarts te keren. Misschien zouden een paar nodeloze hijgtelefoontjes naar nietsvermoedende studentes hem weer opfleuren. Ja, dat idee had wel potentie. En op deze wijze kon hij zijn tijd volmaken voordat hij de bestellijn ging bellen voor een dubbeldikke pizza met louter kaas. Was het eigenlijk wel vrijdag vandaag?

link to this.. | 09:09 | dreadloki | 190 hadden wat

 

 

Een nieuwe liefhebberij!
04 Okt '04 -
Minimaal 1 hobby heeft men nu eenmaal nodig!

Amateur hardcore filmpjes fabriceren. Uiteraard te allen tijde veilig.
link to this.. | 10:27 | dreadloki | 39 hadden wat