 |
|
Deductieve diagnose
|
28 Okt '04 -
|
 |
Gisteren was best een aardige dag. De meiden van de
bakker waren niet onvriendelijk. Tenminste, zo stel ik mij dat voor.
Hun gezichten waren aan het wegrotten. Vlees of huid hadden ze
nauwelijks. Heb ik gisteren eigenlijk wel brood gegeten?
De slager, die lachte oprecht naar me. Hij was hard aan het werk.
Dat weet ik, omdat zijn schort doordrenkt was met bloed. Hij lachte
naar me, met wijdopengesperde ogen en zijn tanden fonkelden onder de
felle verlichting. Niet zo heftig als de hakbijl in zijn hand, maar
toch. Ik zag heel duidelijk een bloedspetter aan één van zijn
voortanden kleven. Ik wilde er wat van zeggen, maar besloot het niet te
doen. Zijn rechterarm zwaaide mechanisch omhoog en kliefde vastberaden
door een dun hondennekje. Ik denk dat het een keeshondje was, want het
hoofdje dat voor mijn voeten rolde was klein, overbehaard en in het
midden stak een miniscuul rood dingetje naar buiten. Keffen deed het mormel nog wel en behoorlijk hard ook.
Het viel mij toen pas op dat ik mijn schoenen was vergeten. Dat mijn
teennagels wel weer eens aan een knipbeurt toe waren, dacht ik meteen.
De slager hakte onverstoorbaar verder in het kleine, harige lijfje
terwijl straaltjes bloed ritmisch uit de aders van zijn doorgesneden
nek sprietsten. Een pootje, de rechter, trilde onophoudelijk. Ik denk
dat het trillen na zes keer hakken uiteindelijk ophield. Was het
eigenlijk wel een keeshondje? Ik weet helemaal niks van honden.
Ik kwam mijn vader nog tegen. Hij had niks bijzonders te melden.
Uiteindelijk pakte ik hem bij zijn kraag en trok hem uit de gracht. Ik
begon te tieren, brulde dat ik hem een kolerelijer vond en dat ik
gekwetst was door zijn onvermogen mij voor vol aan te zien. Hij
reageerde nogal lauwtjes, vond ik. Niet eens zo onlogisch, want de
helft van zijn hoofd leek weggeslagen. Alsof er een container vol
Chinezen op geland was. Het deed me denken aan een kapotgebeten lolly,
of anders een gekraakte walnoot. Nu ik er zo over nadenk weet ik niet
meer zo zeker of hij het wel was. Ik zal hem zo eens bellen en
vertellen dat hij een egoïstische hufter is. Mij een beetje in de waan
laten dat hij wel eens een duik in de gracht neemt. Vuile trekpop.
De verplegers waren niet zo aardig voor me. Ik mocht 's avonds
geen televisie meer kijken omdat het mij - volgens zeggen -
'buitenproportioneel agressief' maakte. De verpleger die mij dit kwam
vertellen had een gezicht als een houten plank. Ik wilde er meteen een
sigaret op uitdrukken, maar ik rook allang niet meer. In plaats daarvan
haakte ik mijn vingers in zijn oogkassen en trachtte het vlees van zijn
jukbeenderen te knagen. De lol was er snel vanaf. Voor straf werd ik
plat op mijn buik op een massagetafel gebonden, met m'n pyamabroek rond
mijn enkels. Ik kan het aantal keren dat de stroomstok in mijn rectum
geramd werd jammer genoeg niet meer herinneren. Eigenlijk vergeet ik dat
elke keer weer.
Ik hou van deze kamer. De schuimrubberen matjes aan de muren
werken rustgevend. Ze doen me denken aan mini-donsbedjes. En aan zachte
tanden. Hihihi. Vandaag. Vandaag kan nog best aardig worden.
|
 |
|
|
|
Verkwikkend!
|
26 Okt '04 -
|
 |

Schijnt wonderen tegen katers te verrichten. |
 |
|
|
|
Vreugdevol
|
21 Okt '04 -
|
 |
immense dalen
falen als leidraad
vraat sans toelage
jagen op rioolratten
kratten gesorteerd vocht
doorwrocht gesmeed
alarmkreet op glanspapier
vier vaten vol jolijt
|
 |
|
|
|
Binnenwaartse drukbal
|
19 Okt '04 -
|
 |
's Ochtends, half zes.
Dauwdruppels en een beekje dat aan het zicht onttrokken wordt door de
laaghangende nevel. Perfect. Nog enkele minuten en de helsoranje lucht
zal langzaam overgaan in helder blauw. Geen mens op straat te
bekennen. Een betere gelegenheid zal ik vandaag niet krijgen.
Ik heb 'em. Eindelijk dan. Na ontelbare dubbele diensten, van zes tot
twee en daarna van vijf tot één 's nachts, achtenveertig weken
achtereen ben ik dan eindelijk zover. Ik heb drie weken vrijaf genomen
om hier uitgebreid van te gaan genieten. Heel even, eventjes maar,
dacht ik eraan om een enorme terreinwagen aan te schaffen maar ik wilde
niet dat men ging denken dat ik zo'n wagen nam ter compensatie. Dus in
plaats daarvan heb ik een blits sportwagentje gekocht.
'Heehee-heee! Kijk es, kijk es, kijk-es-an. Als dàt Simon niet is! Met een kèk wagentje nog wel.'
Niels. Dronken. Op zondagochtend. Er bestaat geen God.
Niels loopt op m'n auto af, laat zijn vingers bewonderend langs de lak
glijden. Rooddoorlopen ogen kijken mij woest verlangend aan. 'Da's echt een mooi karretje man! GeeTeeVeetje eh?'
Ik knik.
'Alfaatje, niks mis mee man. Dat ken je wel overlaten an die kut-Italianen. Auto's bouwen en centen verbrassen.'
Ik knik weer, voel de bui al hangen.
'Mag ik effe? Jèwel toch?'
Niels wacht mijn antwoord geeneens af en stapt alvast in aan de bestuurderskant. Er bestaat werkelijk waar geen God.
Mijn borstkas zwelt op voor de zucht die er zodirect nodig uit moet.
Niels helt over naar de passagiersstoel, opent het portier en wuift me
grijnzend naar binnen. Ik ga zitten en gesp mezelf vast. Niels verspilt
geen moeite aan zo'n futiliteit, draait het contactsleuteltje om dat ik
er alvast in had gestoken. Altijd handig, nietwaar? Mijn hart mist een
tel op het moment dat hij met brullende wielen wegscheurt. Inderdaad
een snel wagentje.
Ik kende Niels uit Het Café. Handige jongen, goed van de tongriem
gesneden en bovenal, hondsbrutaal. Zelden iemand meegemaakt met zo'n
totaal gebrek aan angst voor wat dan ook. Eigenlijk niemand. Behalve
hij dan. Ik mocht hem niet, maar tegen zijn babbel kon ik niet op. Meer
dan eens zette hij mij straal voor lul en bij voorkeur als er dames
bij betrokken waren. Ik besloot hem ditmaal uit te laten razen, dan kon
ik hem op een later tijdstip ergens afzetten, zodat ik de rest van de
dag tenminste voor mijzelf had. Nu ertegenin gaan was zinloos.
'Whiiiiiiiiiiiiiiiehoe!'
De GTV maakt een piepende bocht, neemt een heuveltje met een klein
sprongetje en hij houdt het stuur vast met zijn linkerpink. Zijn
rechterhand leunt losjes op de versnellingspook en tussen zijn vingers
klemt een brandende peuk met een enorme askegel. Ik staar er verwonderd
naar, ben niet bij machte om er wat van te zeggen. In de eerste
instantie was het mij niet opgevallen dat hij er één opgestoken had -
ikzelf rook niet - maar ik besluit er niks van te zeggen. Ternauwernood
missen we een bezopen fietser die vervaarlijk naar links slingert
terwijl wij met (.... 135) honderdvijfendertig kilometer per uur voorbij
vliegen. De askegel ligt inmiddels tussen de bekerhouder en de asbak
in. 'Kijk maatje, het leven zoals wij dat kennen, kan alleen maar gedomineerd worden door doorzetters.' Het laatste woord dat hij uitspreekt klinkt als "doorsjetters". Terwijl ik mij dit bedenk passeert Niels voor de vijfde keer een rood stoplicht. Met honderdvijfenzestig inmiddels.
'Wist je dat we vroeger een voetbalkast hadden staan in Het Café? Waar nu de gokkasten staan.'
Ik knik, maar eerder om hem maar gelijk te geven. Ik heb liever dat hij
zich op de weg concentreert - op die andere auto op de voorrangsweg
bijvoorbeeld!!!! - dan dat hij naar mij kijkt, wachtend op een
antwoord. Van een voetbalkast staat mij inderdaad vaag iets bij, nu ik
erover nadenk.
'Die kast, dat was mijn territorium. Ongenaakbaar was ik op dat ding.
Avonden lang stond ik erachter, een pilsje, een brandende joint
en een rij uitdagende guldens aan het hoofdeinde. Prachtig. Tot
die lullenbijter binnenkwam. Met zijn rooie krulletjes. En zijn
sproetjes. En zijn dikke lijf. En die stinkglimlach van 'em. Maar het
ergst van alles; die handschoentjes. Die godvergeten vingerloze, leren
handschoentjes! Van, ... van ..., ... van die homofiele
wielrenhandschoentjes! En om het nog erger te maken, maakte hij me af.
Elke keer weer. De eerste keer had ik net een "winning streak" van
zestien achter de rug, toen hij uitdaagde. Ik weet nog dat ik dacht:
'Hah, die rooie hep handschoentjes.'
Ik sla mijn handen instinctief voor mijn ogen als we een uitvoegende
stadsbus op een haar na missen. Niels vertelt onverstoorbaar verder,
steekt er nog eens een peuk bij op.
'Die gast ging staan - ik weet nog dat ik quasi-nonchalant op mijn
stangen leunde, een slokje bier nam en hem een "prettige wedstrijd"
wenste - en tien ballen later was het alweer voorbij. Tien - nul! Ik
had werkelijk geen schijn van kans! Ik besloot het er niet bij te
laten zitten, haalde een piek uit m'n broekzak en duwde deze in de gleuf
van de kast. Een andere kerel langs de kant waagde het nog te protesteren, iets in de
trant van: "Hé, maar mijn gulden was eerder?" Hij
deinsde snel
genoeg terug, waarschijnlijk omdat hij in mijn ogen las dat ik op het
punt stond mijn bierglas in zijn muil te schuiven. Er lagen nog meer
guldens aan het hoofdeinde, maar niemand die zijn beurt kwam opeisen.
De rest van de avond hebben alleen ik en die rooie dikzak de kast
bezet. Het werd geen tien - nul meer, maar scoren deed ik nog altijd
niet. Wat ik ook probeerde, schuivertje van binnen naar buiten, tikkie
van de onderste naar de middenpop en uithalen, klemmen en faken naar
buiten en dan binnenwaarts knallen, klemmen en schuiven - welke van de
vier dan ook - het hielp allemaal niks. Zelfs die lelijke schuine
ballen probeerde ik! Nee, tien - nul werd het niet meer die avond, maar
meer omdat ik wat vaker "via" riep.'
Ik kijk even opzij omdat Niels al een paar minuten niks meer zegt,
langzamer is gaan rijden en hoop op een inzakker. Ik wil zelf ook nog
rijden vandaag. Hij kijkt nergens naar, lijkt het. Hij drukt de peuk
uit in de asbak (wat me weer meevalt van hem) en steekt een nieuwe op.
De auto staat inmiddels aardig blauw. 'Elke avond weer,' mompelt hij
plots. 'Elke avond weer kwam HIJ langs. En elke avond weer stonden we
daar, aan die tafel. Als gladiatoren. Met het verschil dat ik, naarmate
de avond vorderde, er steeds meer uit ging zien als een aan stukken
gereten slaaf. Ik ben technische boeken erop na gaan slaan, het
internet ben ik opgegaan, ik las zelfs Amerikaanse methodieken om
ook maar iets te kunnen vinden waarmee ik zijn wil kon breken.
Het mocht allemaal niet baten. Ik heb mij op een gegeven moment erbij
neergelegd, van die man kon ik niet winnen. In Het Café kwam ik voorlopig
niet meer, ik was het allemaal zat. Wekenlang heb ik mijn gezicht daar
niet meer laten zien. Het vrat aan me. Tot ik het opeens had.'
We zijn inmiddels in een bouwput aangekomen. Het lijkt Niels niet op
te vallen. Zand stuift op terwijl hij een langgerekte bocht met honderd
neemt, stuur losjes in zijn linkerhand. Een askegel valt van zijn
gezicht op zijn schoot, de sigaret zelf hangt tussen zijn lippen.
'Ik kwam weer terug, in Het Café en hij stond daar nog altijd. Die
vette, opgeblazen rooie pad. Alsof hij nog steeds sinds de laatste keer stond te wachten
op mij. Hij trok zijn
handschoentjes nog wat strakker aan en een zelfvoldane grijns lichtte
op tussen zijn sproeten, blij als hij was mij weer te zien. Ik liep op
de tafel af en vroeg of hij zin had in een potje. Dat had hij
wel. Tijdens de eerste bal begint hij opeens te kletsen. Dat hij
respect voor mij had, zich ervan bewust was dat ik de eerste was in
deze tent, dat hij nog geen gelijkwaardige tegenstander was
tegengekomen in de tussentijd en blablabla. Ik knik slechts en probeer
met minimale inzet te scoren bij hem. Hij lijkt zich in te houden,
soort van vriendschappelijk opstellen naar mij toe. Het sterkt mij
alleen maar in mijn voornemens. Bij balletje drie is het zover. Met de
Deutsche Meister - in tegenstelling tot de Tournament - kun je
balletjes opwippen. De research heeft toch nog zijn vruchten
afgeworpen. Een filmpje, gevonden op het internet, toont hoe je het
balletje via je keeper en verdedigers op de rug van een poppetje kunt
krijgen. Een verdediger dus. Normaliter is een simpele polsbeweging
genoeg om hem dan over het veld heen in het doel van de
tegenstander te werken. In plaats daarvan wip ik de bal over de zijkant
van de kast zodat deze een paar maal op de tegelvloer stuitert.'
'Ik hoor die rooie het nog zeggen terwijl hij bukt om het balletje op te rapen: "Leuke truuk gabber, dat deed je geinig. Jammer dat'ie mislukte." Dat was voor mij de druppel.'
Ik kijk opzij naar zijn gezicht. Het ziet er vlak uit en geeft me een
onbehaaglijk gevoel. Stom genoeg concentreer ik mij niet meer op de
weg. Niet dat hij zich er iets van zou aantrekken, mijn eventuele
adviezen. Had ik dat nu wel gedaan, dan had ik geweten dat er wel
degelijk gewerkt wordt op zondag.
'Met m'n rechterhand pakte ik de stang van de keeper stevig vast,
wachtte op het juiste moment en ramde het ding dwars door zijn schedel
terwijl hij juist overeind kwam. De stang ging door zijn
slaap
en kwam er aan de andere kant weer uit. Bloed, stukjes huid en bot
druppelden aan de andere kant eruit. Hij wilde nog vragen hoeveel
het stond, maar op een of andere manier interesseerde hem dat niet
meer. Laat staan mij. Mooi man! Zijn ogen puilden van verbazing uit -
of anders wel door een metalen stang die ze naar buiten dwong.'
Terwijl Niels hardop lacht zie ik opeens een vijf-tons shovel in mijn
ooghoek verschijnen. 'Pas op!', gil ik nog. Te laat. De shovel
ramt ons met zijn grijper, wipt de wagen overdwars en de wereld tolt voor
mijn ogen. Ik sluit ze in blinde paniek. Als ik ze weer open ligt mijn
geliefde Alfa Romeo GTV 2.0 op zijn rug in een greppel, met alleen mij
als passagier. Miraculeus genoeg staat Niels buiten de auto, knielend
en kijkt naar binnen via mijn raam. Hij grijnst, steekt weer een peuk
op en vertelt mij nog dit: 'Die dikke had zich niet kwetsbaar moeten
opstellen, dat was uiteindelijk zijn fout. Hij had moeten doorzetten, net zoals ik dat deed. Anders domineer je niet meer. Raar luchtje Simon, je moet die wagen van je eens na laten kijken.'
Zijn woorden komen vervormd binnen vanwege het dichte raam, maar tot
mijn
ontzetting ruik ik duidelijk brand, zie rookpluimen zich vormen aan de
binnenkant. Iets in de wagen piept, ik voel dat het mijn eigen adem
is. Ik gok dat een afgebroken stuk ribbenkast zijn weg naar één van mijn
longen gevonden heeft. Ondanks de pijn begin ik te worstelen, probeer
mijn riem los te krijgen
maar het blijkt onvermurwbaar. Ik begin te roepen om hulp, vraag Niels
mij eruit te laten. Bloedspatjes uit mijn mond besprenkelen het raam in
een sierlijk patroon. Hij kijkt mij meewarig aan en voegt iets toe over
"nodig moet gaan slapen. Lange nacht gehad." Hij
spreekt langzaam om zo duidelijk mogelijk te articuleren. Tot slot
knipoogt hij naar me, steekt zijn duim op en loopt weg. Ik gil nu de
vlammen aan de buitenkant te zien zijn. Ik gil nog harder, bonk op
het raam, ruk aan mijn gesp, zie de shovelbestuurder verbijsterd Niels
nakijken die op zijn gemak ergens naar toe sloft. Ik gok naar huis, om
te slapen. Door de rook en de vlammen kan ik nog net een stukje van de
buitenlucht zien. Het ziet er helderblauw uit.
|
 |
|
|
|
Randgroepjongere
|
14 Okt '04 -
|
 |
Onder de overkapping van het benzinestation,
geflankeerd door zijn schaduw stond hij daar. Handen in de zakken van
zijn spijkerjack, rug tegen de muur, de enkels gekruist en een brutale
frons op zijn voorhoofd. Nonchalanter kon hij bijna niet leunen, tegen
de muur. Eens in de zoveel tijd stapte hij naar voren en beschimpte hij
enkele argeloze passanten, maar keek snel weg zodra er ook maar één
geïrriteerd reageerde. Uiteindelijk verviel hij dan in zijn oude pose,
tegen de muur. Soms wisselde hij min of meer van houding, door
bijvoorbeeld één hak van zijn sportschoenen tegen de muur te planten en
beide handen op zijn heupen te plaatsen. Zo had hij genoeg te doen, op
die koele, maar heldere tweede avond van de nevelmaand. Auto's
om bij te tanken arriveerden er eigenlijk nauwelijks. De exploitant, een
veertiger met zwarte, lange krullen, imposante buik en een hangsnor
moest het voornamelijk hebben van het passerende uitgaanspubliek.
Onverschillig keek hij naar buiten, beurtelings naar de slungelige
jongeman die de hele avond al tegen zijn muur aangeleund stond
en naar een onzichtbare punt, gesitueerd ver voorbij de inrit van zijn
tankstation. Hij krabte nog eens aan zijn massieve buik, dwars door zijn
hawaïshirt. Met een diepe zucht ging hij weer zitten, en pakte de krant
op voor de vierde maal deze dag. Een kleine kleurentelevisie waarvan
het volume zacht stond achter hem op tafel toonde lachende, mooie jonge
mensen op een strand. Een sinaasappel was schijnbaar de reden van hun
hilariteit. Dit zou een lange avond worden.
De slungelige jongeman wisselde even van positie, om de druk op zijn
standbeen te ontlasten. Hij keek naar links. Niemand. Naar rechts. Ook
niemand. Hij taste in zijn binnenzak en haalde er een verfrommeld
sigarettenpakje uit. Zachtjes kneep hij de verpakking open in de palm
van zijn hand, onder de felle verlichting boven hem. Leeg. Hij wilde
het lege pakje op de grond gooien, maar een zijdelingse blik naar het
winkelgedeelte van het tankstation weerhield hem hiervan. De dikke man
keek niet op, geen moment, en toch besloot hij het alsnog niet te doen.
In plaats daarvan liep hij erop af. De tankstationexploitant keek even
op van zijn krant, van het speurdersgedeelte, en wist dat het zover
was. Hij stond op, ging in het midden van het kogelvrije glas staan
waar de afrekenlade zich bevond en plantte beide handpalmen op de
toonbank. De toegangsdeuren zoemden zachtjes open. Onwennig en
knipperend met zijn ogen tegen het scherpe tl-licht stapte de jongeman
de zaak binnen. Hij liep niet meteen naar het kogelvrije glas, maar
veinsde interesse in een aantal magazines uit het bladenrek. Uit het rek
nam hij een blad - vanaf de voorkant schreeuwde een blondine in bikini
hem toe dat Yamaha Motoren de beste waren - en ging met zijn vingers
door de bladzijden. Af en toe stopte hij eventjes met bladeren omdat
hij dacht iets bloots gezien te hebben, wat dan weer een hand met
daaraan een motorhelm bleek te zijn. De dikke man stond nog altijd
voorovergebogen over zijn toonbank, de handpalmen plat op het tafelblad
en de benen wijd uit elkaar. In deze houding oogde hij eerder massief.
De jongeman waagde het erop. Het blad legde hij terug in het rek,
behoedzaam, stak zijn handen in de zakken van zijn spijkerjack en
stapte onzeker op de toonbank af.
'Pakje Camel, alstublieft.'
De man keek hem aan, zei niks. Wel ging hij recht overeind staan, met zijn armen gekruist voor de borstkas.
'Pakje Camel, alstublieft?' vroeg de jongeman nogmaals.
Zwijgend reikte de man achter hem naar het sigarettenrek en plukte
routineus een pakje Camel van de muur. Met een zwaai van zijn pols
haalde hij het item langs de glazen plaatje, gemonteerd in de toonbank,
tot een "piep" weerklonk. Hij krabte nog eens aan zijn
buik, door het hawaïshirt heen en liet de jongeman geen moment los met
zijn ogen tijdens deze handelingen.
' .... kost dat?" vroeg de jongeman.
Een vingerwijzing naar de kassadisplay verklaarde het geheel, precies drie euro negentig.
'Heeft u geen vijfentwintig stuks pakjes meer?'
De man bewoog zijn hoofd langzaam van links naar rechts, om zijn ontkenning kenbaar te maken.
'Oh. Oké.'
Aarzelend griste de jongeman wat kleingeld uit de broekzak van zijn
versleten jeans en telde er vier euro uit. Deze legde hij in de
afrekenlade en de rest stak hij terug in zijn broekzak. Hij bleef de
man aankijken, maar niet in de ogen. In plaats daarvan fixeerde hij
zijn blik op man's shirt, en dan de kraag ervan. Hij zag pas dat zijn
kleingeld en een pakje sigaretten aan zijn kant van de lade lag toen
hij deze hoorde terugschuiven. Voorzichtig pakte hij zijn wisselgeld en
sigaretten uit de lade en draaide zich om. Een paar stappen later stond
hij opgelucht buiten en liep wat zelfverzekerder terug naar zijn
plekje. Binnen ging de dikke man weer zitten, vouwde zijn krant open en
begon voor de vijfde maal deze dag het sportkatern na te lezen.
'Nozem.' mompelde hij voor zich uit.
De wikkel van het pakje liet snel los, en deze wierp hij - samen met
het verfrommelde oude pakje - in de daarvoor bestemde prullenbak. Hij
pulkte er één uit de nieuwe verpakking, leunde weer tegen de muur en
stak deze in zijn mondhoek. Het pakje zelf verdween in de binnenzak van
zijn spijkerjack. Instinctief plantte hij de hak van zijn sportschoen
tegen de muur en ging zijn zakken na voor een aansteker. Niks? Hij
voelde nog eens, ditmaal uitvoeriger. Hij voelde in zijn binnenzakken,
haalde het pakje, een sleutelbos, een speelgoed mobiele telefoon en een
lege wikkel van een chocoladereep eruit, maar nog steeds geen
aansteker. Uit de andere binnenzak haalde hij niks, want deze
spijkerjack had er maar één. Een beetje mismoedig stopte hij zijn
bezittingen weer weg. Voetstappen, een tiental meters links van hem
deden hem opkijken. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes om de eigenaar,
of eigenaresse van de voetstappen te kunnen onderscheiden in het
donker. Hij telde - op zichzelf na - één persoon in de duisternis. Hij veerde op uit
zijn gebruikelijke pose, liep op de persoon af en realiseerde zich dat
het een senior was. Een dame. Een paar meter voor haar stopte hij. De
tankstationexploitant keek even belangstellend op van zijn krant.
Achter hem verklaarde Marco Bakker op de televisie dat hij nu wel
genoeg was gestraft voor dat akkefietje met zijn cruisecontrol. Marco
zag er ontspannen uit, met een halfvol glas wijn voor hem op een
formica tafel. De oudere dame bleef even verbijsterd staan terwijl ze
de jongeman een paar meter voor haar zag stilstaan. Haar hand had ze
gewoontegetrouw in de buitenste zak van haar jas gestoken. Een bus traangas klemde ze in haar vuist.
'Mevrouw, hep u een vuurtje?'
'Nee jong, sorry.' Haar hand om de bus ontspande enigszins. 'Of wacht,
misschien heb ik nog lucifers.' Met haar vrije hand graaide ze wat rond
in haar geopende handtas, tot ze met een mapje lucifers tevoorschijn
kwam. 'Geen idee of ze het nog doen?'
'Da's goed mevrouw. Dank u.'
De dame overhandigde de jongeman het mapje lucifers en vervolgde haar
weg, opgelucht. De jongeman nam zijn plek tegen de muur weer in, ging
weer in zijn originele houding staan, leunend. De sigaret bungelde in
zijn mondhoek. Hij streek een lucifer af aan de zijkant van het mapje.
De lucifer sloeg niet aan. Probeerde er nog één. Werkte ook niet. De
man in de winkel was inmiddels alweer verzonken in de sportuitslagen
van zijn krant. Achter hem probeerde Marco Bakker nog eens aan de
interviewer uit te leggen dat hij vond dat hij flink geschoffeerd werd,
destijds. Dat het niet meeviel, zo verder te moeten leven. Hij nam een
slok wijn en vroeg om een nieuw glas.
Buiten poogde de jongeman weer een lucifer aan te strijken, zonder succes. Vermoeid woog hij het mapje in zijn handpalm.
Dit kon wel eens een lange avond worden.
|
 |
|
|
|
Serotoninereceptorantagonisten
|
06 Okt '04 -
|
 |
Van alle dagen ervoer Matthias de donderdag als de
zwaarste van de week. Hoewel de maandag behoorlijk dicht in de buurt
kwam, ging de vergelijking compleet mank en met name vanwege de heftige
migraineaanval die hij van 's ochtends tot 's avonds laat moest ondergaan.
Elke week weer. Alle soorten triptanen ten spijt - van naratriptan tot
frovatriptan - de donderdag moest hij maar zien te overleven. Zo was de
stand van zaken al vanaf zijn achttiende verjaardag, en met alweer de
veertigste verjaardagsvlaai op komst werd geen moment de indruk gewekt
dat dit ook maar enigszins zou wijzigen. Bijkomend nadeel was de nasleep van
deze helse donderdag welke - met een beetje mazzel - afnam rond het
middaguur van de volgende dag. Het was rond dit tijdstip dat Matthias
nog altijd geteisterd werd door een knagend beestje in zijn
voorhoofdsholte die de omvang van een volwassen tasmaanse duivel leek
te hebben. Een woeste tasmaanse duivel die zijn weg naar buiten
probeerde te vinden dwars door diezelfde voorhoofdsholte. Althans,
zoiets vermoedde hij aangezien hij de juiste medische kennis ontbeerde
en dus op zijn gevoel af moest gaan. En op je gevoel afgaan terwijl een
volgroeide mastodont je hersenschors eraf probeert te pulken en een
roedel St. Bernards tegelijkertijd een paar rondjes aan het
skippyballen zijn valt niet mee. Zeg maar gerust lastig.
Desondanks probeerde hij een beetje monter door het leven te struinen,
en dat ging hem niet eens zo slecht af. Zo werd hij - doelloos
rondstruinend langs de smerige winkelpromenade - bijna omver gereden
door een gehandicapt mannetje in een driewielscooter, maar Matthias
bleef hoffelijk. Het mannetje verloor drie meter verderop een pakketje,
maar was door zijn grotesk gevormd lichaampje niet bij machte dit weer
op te rapen. Zonder dralen snelde Matthias op hem af, raapte het pakje
op en probeerde het onder één van de kromme armpjes te klemmen. Dit
werkte niet helemaal - niettemin bedankte het mannetje hem voortdurend,
overlaadde hem met loftuitingen, probeerde zijn hand te schudden, maar
zag daar wegens falend fysiek meteen weer vanaf. Tenslotte kreeg
Matthias het voor elkaar het pakje tussen een kuit en de onderkant van
het zitgedeelte van de driewielscooter te klemmen. Het mannetje bedankt
hem nog maar eens, zegende hem uitgebreid en vervolgde uiteindelijk
zijn weg. Tijdens het uitzwaaien werd hij voor de zoveelste keer
getroffen door een pijnscheut, één waarvan elke willekeurige passant
van geschrokken moest zijn, want naar het hem leek trok zijn hoofd
ervan krom. Hij haastte zich naar de overkant van de straat, om nog net
op tijd voorlangs een drietal passerende dienders te sluipen. Flarden
van het gesprek waarvan vooral de woorden "dat mag natuurlijk niet" en "mensen moeten beter nadenken"
het meest bleven hangen, als hongerige meeuwen rondom een paar
kruimeltjes brood. De agenten waren jong - rond de twintig - en hadden
gelukkig meer oog voor hun eigen beeltenis in de etalages tijdens hun
gesprek dan een of andere burger die voorlangs kroop. De schittering
van fel gepoetste knopen op hun uitrusting irriteerde Matthias, deed
hem zelfs een kort moment zelfmoord overwegen, maar hij liet de
opwelling voorbijgaan en stak een sigaret op. Niks in de buurt waarmee
hij zichzelf van kant kon maken ook. Hij besloot maar eens huiswaarts
te keren. Misschien zouden een paar nodeloze hijgtelefoontjes naar
nietsvermoedende studentes hem weer opfleuren. Ja, dat idee had wel
potentie. En op deze wijze kon hij zijn tijd volmaken voordat hij de
bestellijn ging bellen voor een dubbeldikke pizza met louter kaas. Was
het eigenlijk wel vrijdag vandaag?
|
 |
|
|
|
Een nieuwe liefhebberij!
|
04 Okt '04 -
|
 |

Amateur hardcore filmpjes fabriceren. Uiteraard te allen tijde veilig. |
 |
|
|
|
 |