 |
|
Gerzonimus, illusionist extra-ordinaire
|
29 Dec '04 -
|
 |
Een raam kijkt uit op een brandtrap. Drie uur 's nachts, weinig volk op
straat, op de verdwaalde zuiplap na. Met de grootst mogelijke moeite
zwalkt hij over straat, beurtelings van de trottoirband de weg op en
weer terug. Aan de overzijde van de straat, met uitzicht op de
brandtrap houdt hij even stil voor een drinkpauze. Hij mompelt zuur
voor zich uit voordat hij de flacon tegen zijn lippen zet. Kado van
zijn zoon, maart negentienachtennegentig. Zijn slokdarm krijgt amper de
kans om zich te laven aan de derderangs whisky, want het raam boven de
brandtrap spat zonder waarschuwing en met veel misbaar uiteen. Scherven
vallen rinkelend langs de brandtrap op het wegdek. Een donker gestalte
springt door het raamijzer, grijpt de buitenste paal van de brandtrap,
glijdt als een volleerd brandweerman naar beneden en landt geluidloos
op het plaveisel. Een halve seconde, of wellicht minder kijkt de lenige
man even naar de overkant van de straat, naar de zuiplap. Hij draagt
een nauwsluitend zwart pak en een bijbehorend masker.
En weg is hij, de hoek om.
'Tis verdomme een ninja, híer, in ons landje, .....' murmelt de
zuiplap terwijl de whisky over zijn kraag loopt, want hij maakt dan wel
aanstalten om een volgende slok te nemen, de flacon is nog altijd tien
centimeter van zijn mond verwijderd. Nog meer geluiden bovenaan de
brandtrap. Twee mannen in uniform klimmen moeizaam door hetzelfde raam,
speuren gejaagd de straat af en rennen daarna zo snel mogelijk de trap
af naar beneden. Eén steekt de straat over en spreekt de
zuiplap aan. De ander zet de zijkant van zijn hand tegen zijn
voorhoofd, tuurt in de verte en zwaait met een pistool in zijn andere
hand. 'Hee jij, heb jij iemand hier net voorbij zien komen!?! Met een
zwart pak aan!'
'Ehr, .... nou .... ah verdomme! Me whisky!' Geschrokken houdt hij zijn
flacon weer rechtop. Hij veegt het vocht van zijn kraag en likt het van
zijn handpalm.
'Ik vroeg je wat, oetlul!' De bewaker grijpt de man bij zijn revers
terwijl hij hem dit toeschreeuwt. Zijn collega is er inmiddels ook bij
komen staan, nog altijd zwaaiend met een pistool.
'Jaja, hou je gemak man. Je ziet toch dat ik aan het knoeien ben!? Hij verdween net om de hoek daar.'
De andere is al onderweg. 'Hee, wat had ie gedaan, trouwens? En vanwaar dat pakkie? Ninja's zijn toch al uitgestorven?'
Een antwoord krijgt hij niet, beiden zijn al om de hoek verdwenen.
'Ach, kan mij het ook rotten. Potverdorie de helft van m'n borrel pleite, gedoe ook allemaal ..... '
Anderhalve kilometer daar vandaan stapt de gemaskerde man in een
sportwagen met geblindeerde ramen. Hij neemt even de tijd om op adem te
komen, trekt dan zijn masker af en bekijkt zichzelf in de spiegel.
'Hah, goed gedaan weer knul.' Hij grijnst jongensachtig en knipoogt
naar
zichzelf. Voorzichtig vouwt hij een fluwelen zakje met veters open op
zijn schoot. Zelfs in het duister fonkelen de edelstenen als
zonnestralen op een stil meertje. 'Dit was overigens kantje boord,
volgende keer wel iets alerter wezen,' houdt hij zichzelf voor. De
bolide ronkt, en spurt weg. De nacht bedekt de stadsgeluiden
met zijn alomvattende cape.
'Goedemiddag, Zonneveld Verzekeringen, u spreekt met Ellen Laroque, de
secretaresse van de heer Zonneveld wat mag ik voor u betekenen? Jahoor,
dat is geen probleem. U kunt .... even de agenda van meneer Zonneveld
erop naslaan, ..... dinsdag de achttiende, schikt u dat? Ja? Ja, om
half elf, da's prima. Fan-tas-tisch, zien we u dan. Dààg, tot ziens!'
De deur naast de secretaresse zwaait open, een oudere,
gesoigneerde heer stapt er doorheen met in zijn kielzog een joviaal
ogende man. Hij grijnst jongensachtig. Ferm schudt hij de oudere heer
de hand en wuift hem de hal uit. Buitengekomen kijkt de senior
glimlachend op naar het warme zonnetje alvorens hij een bolhoed opzet
en monter zijn weg vervolgt. Hij draagt een valies met daarin een -
onzichtbaar voor de buitenwereld - dichtgeknoopt fluwelen zakje. Een
oplettend iemand zou de weerkaatsing van de zon op de handboei om zijn
pols wellicht opgevallen zijn, waarvan het andere eind aan het handvat
van de koffer bevestigd is. Maar het valt niemand op, dus de oudere
heer vervolgt ongehinderd zijn weg.
De joviale man, midden dertig en het uiterlijk van een Europese versie
van Harrison Ford ziet het aan en loopt dan terug naar de
ontvangstruimte, nog altijd grijnzend. Niet verwonderlijk, met de gage
voor zijn laatst geklaarde klus in zijn zak. 'Ellen, lieve schat,
vertel het mij. Verleidt mij!' Met een overgedreven gebaar gaat hij op de rand van het bureau van zijn secretaresse zitten. Ze giechelt.
'Ooh, meneer Zonneveld, een deugniet, dat bent u!'
'Ach, m'n beeldschone Ellen, ik zie de wereld slechts als een
zoetgeurende appel die erom vraagt geplukt te worden. Maar vertel mij,
welke werkzaamheden heb ik vandaag nog in het vooruitzicht voordat ik
weer aan de vodka-lemon mag nippen aan het terras van Sonetti? Komaan, vertel mij en toon mij de verlokkingen van deze dag!'
'Ehm, ... om kwart voor twaalf, ene meneer ... Juozapas? Vreemde naam?'
'Hm, klinkt Oost-Europees. Wie is dat?'
'Geen idee meneer Zonneveld, hij belde vanochtend vroeg al, zei dat hij
u vandaag moest spreken. Eigenlijk kon hij niet wachten, maar ik liet
hem geen keus. U kent hem dus niet?'
'Nee, nooit van gehoord. Geeft niks, daarna geen afspraken meer?'
'Nee meneer Zonneveld.'
'Mooi zo, je bent een schat. Mooie jurk trouwens. Prada?
'Hihihi, Donna Karan.'
'Achzo. Staat je fabuleus.'
'Dank u.'
'Geen dank.' Met een schalkse knipoog verdwijnt Guy Zonneveld, eigenaar
van een goedlopende verzekeringsmaatschappij, weer zijn kantoor in.
Hoofdschuddend, maar evenwel blozend gaat Ellen verder met haar
werkzaamheden van de dag. Een radio, bevestigd aan haar monitor
knettert zachtjes. Een nieuwsbericht over heftige demonstraties bij
de poorten van Somnitex, een pharmaceutisch bedrijf gespecialiseerd in
het ontwikkelen van aminozuren die het immuunsysteem van de mens
(schijnbaar) vele malen zal versterken. Volgens de woordvoerder van de
firma een baanbrekend product waar iedereen op de lange termijn van zal
profiteren. 'De ozonlaag wordt er namelijk ook niet jonger op, haha.'
Een demonstrant echter beweert dat dat een glasharde leugen is, want
het bedrijf experimenteert aantoonbaar met giftige,
milieu-onvriendelijke stoffen en test deze uit op schapen en volgens de laatste geruchten zelfs op me-
Ellen klikt de radio uit en staat op om een kop koffie te halen.
Elf uur negendertig. Ellen schrikt op. Een man die zij niet heeft horen
binnenkomen staat plots voor haar bureau. 'Eh, ... goedemiddag meneer,
wat mag ik voor u betekenen?' Ze kijkt hem aan, maar slaat snel haar
ogen neer. Koude ogen, een granieten kin. De mond een smalle streep in
het gelaat boven een zwart designer kostuum. Hij antwoordt niet meteen,
maar verkent de kamer aandachtig. De behaaglijke ontvangstruimte lijkt
een aantal graden in temperatuur gedaald te zijn. Ze rilt eventjes.
'Eh, ... meneer?'
'Juozapas, kwart voor twaalf.' Het klinkt alsof hij iemand condoleert.
'Ohja, natuurlijk. U had een afspraak met meneer Zonneveld. Moment
alstublieft, neemt u daar maar plaats.' Ze wijst naar een grijze
fauteuil in de hoek van de kamer. De man verroert zich niet. 'Eh, .. ik
roep hem wel even op.' Ze drukt op de knop van de intercom, en houdt de
man in de gaten. 'Eh, meneer Zonneveld, de heer Juozapas voor u.'
'Prima Ellen, laat meneer maar verder komen,' klinkt het blikkerig uit de intercom.
'U kunt verder meneer.'
Met een nauwelijks zichtbare knik van verstandhouding loopt de man
langs Ellen het kantoor in. Opgelucht ontspant ze weer enigszins. 'Enge
vent,' mompelt ze terwijl ze zich weer concentreert op de stapel paperassen op
haar bureau.
Guy Zonneveld legt een apparaatje dat eruitziet als een zakmes - maar
met geavanceerde functies - weg in zijn bureaulade voordat hij opstaat
en de man een hand geeft. 'Guy Zonneveld, aangenaam.' De hand voelt
koud aan, vormeloos.
'Juozapas.'
'Neemt u plaats, alstublieft.' Onwillekeurig veegt Guy zijn hand af aan
zijn broek, alsof hij iets smerigs vastgepakt heeft. 'Iets te drinken?
Mineraalwater, koffie?'
De man schudt ontkennend en gaat zitten. Een mentholsigaret, bungelend
tussen zijn lippen terwijl Guy niet het idee heeft dat hij de man er
één zag pakken, steekt hij aan.
'Ellen, wees eens zo goed en breng meneer een asbak.' Hij drukt de
intercom weer uit en vraagt : 'Meneer, wat kan ik voor u doen?'
'Ik heb via via vernomen dat u een adequate klusjesman bent. Welnu, ik
heb een klus voor u. Met een vorstelijk honorarium, mits u de klus
succesvol voltooit.'
'Klusjes? Hoe bedoelt u? Permiteert u mij te informeren naar het
lijdend voorwerp? Gaat het om onroerend goed, of anders diefstal? Wij
hebben bijzonder voordelige polissen ter inzage, afhankelijk van de
voorwaarden die u aan het verzekerde object stelt en-'
'Daar doel ik niet op. U weet namelijk heel goed wat ik wel bedoel.'
Ellen komt binnen met een metalen designer asbak. Guy bedankt haar en
beantwoordt haar bezorgde blik met een geruststellend knikje. Hij wacht
met verder praten tot ze de deur achter zich dichttrekt. Met een flinke
dosis argwaan vervolgt hij de conversatie.
'Wie bent u en hoe bent u bij mij terechtgekomen? Eerder ga ik niet met u in conclaaf.'
De vreemdeling glimlacht, wat Guy onmiddellijk aan vermorzelde duiven
onder een stadsbus doet denken, en stelt : 'Dat is niet van belang,
meneer Zonneveld. Wat wel van belang is voor u, is het bedrag
dat ik en mijn partners bereid zijn u te bieden voor deze klus. Laten
we zeggen dat uw verrichtingen niet geheel onopgemerkt voorbij zijn gegaan. En
laten we zeggen dat uw nevenactiviteiten bepaalde instanties irriteren,
instanties die wij zonder problemen kunnen inlichten. Instanties die
maar wat graag een ordinaire dief in de kraag willen vatten. Een
uiterst inventieve dief, daar niet van, maar wel een dief.' De man
glimlacht nog altijd.
'Eruit. Mijn kantoor uit en ik wil u hier niet meer zien!' Guy is
inmiddels gaan staan. Juozapas drukt zijn sigaret uit en gaat even
verzitten.
'De heer Culemborch, die kent u vast nog wel, niet? Uiteraard kent u
hem, want hij verliet nog geen uur geleden uw kantoor met in zijn bezit
een koffertje. De inhoud ; een handvol edelstenen ter waarde van
achthonderdduizend euro, ruwe diamanten naar ik meen. Gisternacht
ontvreemd, en vandaag nog op weg naar de juiste persoon om het geheel
professioneel te bewerken. Kunnen we nu wel zaken doen?'
Guy ploft weer terug in zijn bureaustoel.
's Nachts, half twee. Op het dak van een pakhuis snelt iemand soepel
naar een in het midden gelegen mangat. Guy heeft zich wederom in zijn
zwarte outfit gehesen, en bestudeert het mangat. In het aangrenzend
kantoorpand branden enkele lichten en er is beweging achter de ramen.
SOMNITEX, roept een groot logo op driekwart hoogte van het gebouw. Hij
moet opschieten. Uit een rugzak pakt
hij een vijftig centimeter lange stang met inklapbare weerhaken. Een
lang touw met een metalen uiteinde en een haak hangt hij in de
uitsparing van de stang.
Het deksel tilt hij vrij gemakkelijk van het mangat met behulp van een
inklapbare koevoet. Zoals verwacht loopt er geen ladder van het mangat
naar de ruimte daaronder. De begane grond schat hij iets minder dan
twintig
meter lager. De ladder aan de zijkant van het pand waarlangs hij
zijn weg naar boven vond is later aangebracht en het prikkeldraad op
vijf meter hoogte - aangebracht om inbrekers te ontmoedigen - was geen
partij voor de metaalknipper die in het zakmes zit. De metalen stang
legt hij overdwars op het mangat, klikt hem vast met de weerhaken en
laat zich langzaam zakken via het touw. 'Tweehonderdvijftigduizend,
da's eigenlijk niet slecht voor een uurtje werk. Eén bewaker, want
niemand weet blijkbaar wat er in kist nummer twaalf zit. Stempelcode
JCD3355SH #12, te vinden in het "Uitheemse Goederen"-vak. Easy money, toch?'
Op anderhalve meter hoogte van de grond springt hij van het touw en landt katachtig op de houten vloer.
Een zwart-wit televisie springt van sneeuw naar beeld en terug. Guido,
de nachtwaker, geeft een harde klap op het dak van toestel. Het helpt,
maar amper één minuut later danst de ruis alweer over de beeldbuis.
Kloteding. Hij draait zich weg van het toestel en haalt een pakje
kaarten uit zijn borstzak. Routineus begint hij de kaarten te schudden.
Daarna coupeert hij de stapel, neemt de stapel in een handpalm, spreidt
ze allemaal uit, gaat met een andere hand over de kaarten heen en vouwt
een compleet nieuw pak open in zijn andere hand. Daarna vouwt hij beide
handen in elkaar, blaast erover en houdt dan slechts één kaart omhoog tussen
wijsvinger en duim. 'Schoppen Aas.'
Guido is nu nog nachtwaker van beroep, maar over niet al te lange tijd zal hij bekend staan als "Gerzonimus, illusionist extra-ordinaire!" Goochelen,
dat is geen hobby meer, maar een levensovertuiging. Vingers, die moet
je soepel houden. En dat deed hij dan ook. Keer op keer op keer. Elke
avond (of nacht), kaarten erbij en oefenen maar. Zonder te
kijken schudt hij de kaarten nog eens, ditmaal in één hand. Hij spreidt
de kaarten weer uit, zwaait even en draait ze om. Allemaal Schoppen
Aas. Nog eens zwaaien en .... allemaal Klaver Drie. De televisie doet
even kortstondig waar het ooit voor aangeschaft was en toont een
verslaggeefster. Ze oogt serieus. Geen geluid, maar een groot kader
onderaan kopt :
ILLEGALE EXPERIMENTEN PHARMACEUTISCH BEDRIJF BEWEZEN
DIRECTEUR IN HECHTENIS GENOMEN
De ruis neemt het beeld weer over en Guido balt zijn andere hand, en
blaast erin. Hij opent zijn vuist en vouwt daarin het complete spel
open terwijl hij de andere hand geopend toont. Leeg. Hij bereidt de
volgende truc voor, maar een geluid onderbreekt hem. Hij stopt zijn
handelingen en concentreert zich om de bron te achterhalen. Niet
binnen. Nee. Buiten. Gegil. Honden? Hij stopt de kaarten onbewust terug
in zijn borstzak en staat op. Beweging, in zijn ooghoek. Door het raam,
het pand aan de overkant. Vage silhouetten, derde verdieping zo te
zien. Maar of het gegil daar vandaan komt valt niet te bepalen. Of ...
? Geen geluiden meer. Guido wacht nog vier hartslagen en besluit dan om
een kop koffie te halen. Hij loopt het vertrek uit en ziet daardoor
niet dat de televisie weer tijdelijk beeld geeft. De verslaggeefster
heeft een belangrijke mededeling, maar het geluid staat nog altijd uit.
Verwonderd gluurt Guy door de spleet van een zijdeur. Hij heeft het vak
met de juiste goederen nog niet gevonden, maar ook hij werd gealarmeerd
door het gegil. Dat was een paar minuten geleden. Voor één van de ramen
ziet hij duidelijk een persoon langsschuifelen. Het lijkt alsof hij
iets meesleept voordat hij achter de muur verdwijnt om bij het volgende
raam weer tevoorschijn te komen. Een sissend geluid, dichterbij.
Misschien zes meter verderop.
In het keukentje blaast de koffieautomaat stoom af en koffie
stroomt uit het tuitje. Een plastic bekertje, vernuftig gepositioneerd,
vangt het op. Guido draait een shaggie in afwachting. Het melkreservoir
is sinds mensenheugenis defect, maar de koelkast puilt uit van de
instant poedermelk. De koelkast heeft zijn beste tijd gehad, dus
zodra Guido hem opent begint de motor als een razende te draaien, alsof
hij op het punt staat om door te branden. Zes jaar geleden deed hij dat
voor het eerst. Uit angst dat hij daadwerkelijk zou doorbranden had
Guido hem uitgezet. Twee weken, daarna zette hij hem weer aan, want de
storingsdienst liet nog altijd op zich wachten. Een dag later viel het
hem niet eens meer op. Vandaag hoort hij vanwege datzelfde geluid het
gerinkel van een raam, pal aan de overkant niet. Guy hoort het wel,
terwijl hij op weg was naar het gesis en daarna die hardnekkige brom.
Halverwege concludeerde hij al min of meer dat het keukengeluiden waren,
maar het geraas van glasscherven niet. Dat kwam weer van buiten.
Vreemde nacht. Hij sloop weer terug, naar de spleet in de deur en
gluurde weer naar buiten. Kapot raam, derde verdieping. Kronkelde er nu
iets op straat, daar vlak onder? Niet zijn zaken. Hij had een klus te
klaren, één met een aardige bezoldiging tegoed.
'Ehr, ... hallo? Zeg, wat doet u hier?'
Kut.
Een rol ductape, altijd handig om mee te nemen. Guido, vastgesnoerd in
zijn eigen stoel. Bewusteloos, gevolg van de hieltrap waardoor zijn
linkeroogkas al opzwelt. Guy die een ram op de tv geeft. Hij heeft
ongehinderd een rondje door het pand kunnen maken, maar nergens een "Uitheemse
Goederen"-vak te bekennen. Wel een afgesloten deur. Geen sleutel, ook
niet in het kantoortje. Achter de Playmate 2001 Kimberley
Stanfield-poster? Ook niks. Wel een kastje vol rukblaadjes. Hij geeft
nog eens een ram op het toestel. Niks, alleen maar ruis. De tijd begint
te dringen. Guido kreunt, hij komt bij. Het gaat Guy niet snel genoeg,
dus geeft hij hem een klap met de vlakke hand. Guido schrikt wakker en
probeert te focussen. Hij zwaait heen en weer alsof hij dronken is.
'De sleutel, snel!'
Weer gerinkel buiten. Het begint hem op de zenuwen te werken. Hij geeft Guido nog een mep.
'DE SLEUTEL, NU VERDOMME!'
Guido schudt zijn hoofd in ontkenning. Guy bukt zich, pakt een injectiespuit uit zijn rugtas en laat hem aan Guido zien.
'Nog één keer, ..... DE SLEUTEL!'
Guido kijkt naar zijn voeten. Met een diepe zucht legt Guy een hand op
zijn schouder en ramt met de andere de spuit in zijn oor.
'HmMMmMmmmMM!' Guido schudt heftig zijn hoofd heen en weer, probeert
zijn hoofd weg te draaien. Bloed druipt langs de schacht. Spetters vliegen in het rond. Guy trekt de spuit uit zijn oor.
'De volgende keer vul ik hem met zoutzuur, zeg het maar?' Met een ferme ruk trekt hij de ductape van zijn mond.
'Rrghaaaah! ... Aaaahrghaa ... hhahuuhuuu .. ah, ... ah, ... nie ..
niet .... niet meer doen, .. man, ... alsjeblieft ...
alsjeblieftalsjeblieft ... in mijn broek .. broekzak ... niet meer,
.... alsjeblieft .... '
Dom. Natuurlijk in zijn broekzak, waar anders.
Luttele ogenblikken later is het hem gelukt. De sleutel was inderdaad
de juiste en achter de deur vond hij het bewuste vak. En het begeerde
pakket. Guy bestudeert de inhoud aandachtig, maar hij kan er niks mee.
Het ziet eruit als een relikwie, een beeltenis van een godheid uit een
onbekend verleden. Het heeft wat weg van een Peruviaanse Tumi, zonder
de karakteristieke halve maan. Hij haalt zijn schouders lichtjes op en
stopt het weg in zijn rugzak. Het geluid van gierende banden nu, naast
het gegil dat weer duidelijker te horen valt. Opgewonden stemmen.
In het kantoortje is de televisie weer helder van beeld en er valt
een hoop te zien. Een camera filmt van binnenuit een busje. De bus
remt, de cameraman springt eruit en richt zijn lens op een
industriepand. Het SOMNITEX -logo houdt hij eventjes in beeld. De
verslaggeefster, ze ziet er danig opgewonden uit, springt voor de
camera, botst even met haar gezicht er tegenaan, vermant zich en neemt
de juiste positie in. Achter haar het SOMNITEX -gebouw, ramen liggen
aan diggelen, iemand springt uit het raam, een pijnlijke aanraking met
Moeder Aarde in het vooruitzicht. De verslaggeefster praat, nee,
schreeuwt bijna in de camera en kijkt vaak over haar schouder. De
camera zoomt in op een tafereel, vlak voor de ingang van het gebouw.
Een paar mensen staan gebogen over een persoon en doen .... iets met
diegene. Het kader onderaan beeld verschijnt weer en kopt ditmaal :
EPIDEMIE BIJ PHARMACEUTISCH BEDRIJF UITGEBROKEN, OORZAAK ONBEKEND
Guy komt het kantoor weer binnenrennen en oogt angstig. Guido zit met
grote ogen alles op het scherm te volgen, de ductape verhindert
eventuele mededelingen van zijn kant. Hij draait zich om naar de
inbreker, en murmelt paniekerig. Guy begrijpt het wel, maar zit te
dubben of hij de nachtwaker wel los moet maken. Op tv is te zien dat
het gezicht van de verslaggeefster ongewoon dicht op de lens zit. Ze
roept iets, herhaalt het, en dan nog eens. Bij de derde keer realiseert
Guy zich dat ze roept dat we hier weg moeten ....... Het beeld
maakt weer plaats voor sneeuw. Guido murmelt nog eens dat hij losgemaakt wil worden.
Guy twijfelt nog steeds. De klus zou normaliter geslaagd zijn als hij
hier weg weet te komen, zonder bemoeienis van een nachtwaker die de
politie zou kunnen bellen. Maar dan dit. Deze gebeurtenissen zijn niet
normaal. De omstandigheden zijn anders. Het beeld springt weer aan. De
camera filmt zijwaarts. Een donkere druppel loopt over de
lens. Een paar benen op de grond, schoppend. Iemand rent vanuit de
ingang in de richting van de camera, ongewoon snel. Guy deinst terug,
Guido murmelt nog harder. 'Godskolere!' Als een razende begint Guy de
nachtwaker los te maken. Het was geen mens dat in de richting van de
camera rende. Misschien ooit, in een ver verleden. Maar een (normaal)
mens beweegt doorgaans niet zo snel, en heeft geen oogbol dat aan een
dun draadje tegen een wang aanwiebelt tijdens het rennen. Een (normaal)
mens heeft geen groot gat in het voorhoofd waar de schedel achter
glimt. Een (normaal) mens mist geen stukken schedeldak. Een (normaal)
mens zwaait niet rond met een afgescheurd stuk arm alsof het een trofee
is.
Guido is vrij en overlegt kortstondig met de inbreker. Er is een
achterdeur, aan de andere kant van het pand. Vlak in de buurt daarvan
staat de auto van de inbreker geparkeerd. Ze besluiten geen tijd meer
te verspillen en ervoor te gaan als het geraas van een deur die
vermorzeld wordt hun onderbreekt. Snelle voetstappen in de gang.
Gehuil, gegrom, geluiden die niet thuis te brengen zijn. Guy graait in
zijn rugtas, haalt er een klein kaliber vuurwapen uit. Hij heeft een
hekel aan pistolen, maar hij is blij dat hij eraan gedacht
heeft. Behoedzaam loopt hij naar de deuropening, Guido vlak achter hem.
Aanvankelijk denkt Guy dat het weer stil is, stapt de gang in en wordt
onmiddellijk besprongen. Het wapen vliegt uit zijn handen. Guido kijkt
in ontzetting toe, verlamd, en ziet hoe drie .... figuren ..... Guy te
grazen nemen. Ze grommen als beesten, scheuren zijn maag open, graaien
tussen zijn ingewanden, trekken eraan, klauwen zijn gezicht open,
rukken één been eraf alsof het van papier-maché gemaakt is. Eén van hen
bijt Guy's strot af, likt gulzig het gutsende bloed op. Guy trilt
gedurende deze aanval onophoudelijk als een epilepsiepatiënt, maakt
onduidelijke geluiden en zijn lichaam wringt zich in allerlei bochten
totdat zijn hoofd los begint te scheuren. Het masker heeft hij nog
altijd op. De kamer geurt zoetig en verrot tegelijk. Guido slaat
zichzelf hard in het gezicht om te ontwaken uit zijn droomtoestand.
Zijn lip springt bloedend onder protest open. Daar, op de grond. Het
pistool. Hij duikt ernaar, rolt even door en weet één van zijn nerveuze
vingers aan de trekker te krijgen. Gehijg, vlak bij hem, steeds
dichterbij. De geur van rotte eieren, bedorven vlees en ontbinding
overrompelt hem. Hij drukt op goed geluk af. Het wapen maakt meer
kabaal dan je zou verwachten. De scherpe lucht
van cordiet vermengt zich met de aanwezige geuren. De kogel treft
miraculeus genoeg één van de belagers recht in het voorhoofd. De inslag
werpt het wezen achterover. De anderen verleggen hun aandacht
onmiddellijk naar Guido. Hij legt aan, drukt af en mist de eerste
aanvaller. De kogel slaat een gat in de muur daarachter. Hij ademt
gejaagd, hinnikt hysterisch en drukt nog
eens af. Deze treft doel, maar duwt de belager slechts achteruit. De
wezens twijfelen even, lang genoeg voor Guido om opnieuw te richten en
te vuren. Raak. Een reeds gehavende schedel splijt afkeurend en de rest
zakt in elkaar. De derde grauwt naar hem, zwaait met zijn
klauwen. Het rode hemd - waarschijnlijk nog geen uur geleden nog wit
van kleur - dient nodig gestreken te worden. Eronder, rond de
maagstreek zit behalve een scheur in het textiel ook een gat in zijn
maag. Een gele, tevens blauwachtige prop stulpt naar buiten. Het lijkt
hem niet te deren. Ogen heeft hij niet, een neus nauwelijks. Uit een
gat in zijn wang druipt dik, glasachtig vocht. Hij zwaait op zijn
benen, klaar voor de aanval. Guido richt nogmaals en drukt af. Klik.
Geen kogels meer. 'Kutkutkutkut!' Hij laat het wapen vallen. Terwijl
het met een luide bons op de grond belandt krijgt hij een ingeving. Hij
reikt voorzichtig naar zijn borstzak, pakt de stapel kaarten eruit met
één hand, schudt ze met diezelfde hand en spreidt ze uit. Hij coupeert
de stapel, spreidt ze weer uit, zwaait ermee en weg is de stapel. Het
wezen lijkt van zijn stuk gebracht, laat zijn klauwen zakken en doet
een stap opzij. Guido loopt zijdelings naar de deuropening en probeert
niet uit te glijden over het mengsel van bloed en ingewanden. Hij klapt
in zijn handen en spreidt nu in beide handen een compleet pak kaarten
uit. De zombie deinst achteruit. Zijn mond staat open, maar er is geen
sprake van een mond, eerder een gat. Guido loopt nog altijd
zijdelings, stapt door de deuropening, verkent vluchtig de gang en ziet
(nog)
geen nieuwe aanvallers. Een bloederige hoop met zwarte lompen, ooit Guy
met zijn jongensachtige charme ligt er verloren bij. Het kantoor heeft
binnen nog geen twee minuten een radicale interieurwijziging ondergaan.
Bloed druipt van het plafond, Kimberley
Stanfield heeft bloederige vegen over haar blote buik lopen en Guido
vouwt zijn handen in elkaar, wrijft hard en een kleine
steekvlam schiet tussen zijn vingers vandaan. Het wezen, duidelijk
aangedaan nu, struikelt over één van de gevelde monsters.
Guido sprint weg, slaat linksaf door het gat in de deur en probeert een
inschatting te maken.
Buiten zijn enkele wezens druk bezig met het uitbenen van de cameraploeg. Eén
rent weg met het hoofd van de verslaggeefster tussen zijn klauwen.
Smakkende, scheurende en grauwende geluiden, meer hoort hij niet. Als
een waanzinnige rent Guido naar het busje van de cameraploeg, springt
achter het stuur en scheurt weg. Op zoek naar een borrel. Mensen rennen gillend rond, de chaos houdt niet op. De televisie
in het kantoortje geeft weer even beeld. Een nieuwslezer babbelt
ernstig de kamer in. Achter hem op een scherm valt te lezen dat
de storing waarschijnlijk verholpen is en dat de reguliere
programmering weer snel zal aanvangen. Het toestel begint weer te
ruisen en in het kantoortje snuffelt het wezen nieuwsgierig aan de
relikwie dat hij uit Guy's tas gevist heeft.
Juozapas, in de duistere anonimiteit van zijn huiskamer schenkt
zichzelf een borrel in en kijkt hoofdschuddend naar het nieuws. De
telefoon gaat. Hij neemt op en beantwoordt ogenschijnlijk een aantal
vragen. 'Nee, waarschijnlijk niet nee. Ik heb geen idee, ik heb nog
niks van Zonneveld vernomen. Nee, ook nog geen nieuws omtrent het
industrieterrein, maar dit zal sowieso niet in de kranten komen, vermoed ik. Ze zullen het volk onwetend willen houden.
Wat? Nee, voorlopig niet. De directeur heeft zijn polsen tot op het bot doorgesneden,
vernam ik zojuist van onze man binnen het korps.
Juist ja. Hm. Misschien kunnen we de verdelgingsdienst langs sturen?
Hm. Oké. Goed, we wachten af. Ja, is goed. Prima.' Met een diepe zucht
legt hij de telefoon weer neer. Hij nipt van zijn borrel en staart uit
het raam. 'Dit gaat gedonder opleveren, nou en of.' |
 |
|
|
|
Buitenissig
|
22 Dec '04 -
|
 |
Zomaar een scène, op zomaar een dag, in zomaar iemand's huis. Het
drankje dat mij aangeboden wordt sla ik af. Het ziet er bedenkelijk
uit. Degene die ermee aankwam trouwens ook. De ruimte - de
lambrisering
heeft een smetteloos witte uitstraling - puilt uit van de vrouwen van
middelbare leeftijd. Ze kakelen volop, over buikwandcorrecties,
neuscorrecties, tepelcorrecties, schaamlipverkleiningen,
liposculpturen, lipvergrotingen, bilprotheses, borstliften en de rest
versta ik niet meer, want ik ben de kamer uitgelopen. Ik werp nog eens
een blik over mijn schouder en zie etalagepoppen in galajurken levensecht
met elkaar giebelen. Vrijwel allemaal houden ze fluten champagne in hun
handen, maar gedronken wordt er nauwelijks.
De volgende ruimte verwelkomt mij met hippe, nikszeggende loungemuziek.
Een discjockey (althans, dat neem ik aan, want hij staat achter een
opklaptafeltje met daarop een mengpaneel) achter een opklaptafeltje
staart geconcentreerd naar zijn mengpaneel, koptelefoon tussen kin en
schouder geklemd. Hij draait continue aan dezelfde knop en beweegt zijn
hoofd autistisch op en neer, maar ik hoor geen verschil in geluid. Ik
loop onopvallend langs en zie dat de displays op beide cd-spelers NO
DISC aangeven. Op het mengpaneel branden verder geen lampjes. De jongen
draagt een geruite pantalon, een groen mouwloos shirt en heeft om beide
polsen een oranje bandje. Een onnoemelijke hoeveelheid gel in zijn
haar, waardoor het schuin omhoog staat. Hij stopt even met het draaien
aan het knopje en kijkt mij aan. Ik heb nog altijd geen verandering
kunnen waarnemen in het geluid. Het valt mij nu pas op dat hij een
zonnebril draagt. Een blauwe. Hij grijnst - ik zou zeggen schaapachtig,
maar schapen lachen niet. Hebben de reden daartoe ook niet.
'Hey, ken je die nieuwste Mash up van Chemical Williams en Ashlee Aids al? Die's vet man!'
Ik vraag hem het te herhalen, want ik had de bandnaam niet goed verstaan.
'Chemical Williams en Ashlee Aids, hun nieuwste Mash up! Echt kicke man!'
Hij grijnst nog altijd. Strak, wit gebit. Ik wil hem vragen of dat
kronen zijn, zie er vanaf en vraag hem in plaats daarvan wie Chemical
Williams en Ashlee Aids Mash up zijn.
'Nee man, Mash up! De nieuwste! Van Chemical Williams en Ashlee Aids!'
Wat een Mash up is, vraag ik hem.
'Een mix van bestaande nummers, maar dan met uiteenlopende stijlen! Echt geniaal spul man!'
'Daar is toch niks nieuws aan, dat deden ze jaren geleden al?'
'Neey man, .. wacht ... Stel je voor, ... De Beatles en Eminem, gemixt! Is dat niet heftig!?'
Ik vertel hem dat dat eerder infantiel klinkt.
'Janee man, dat moet je zo zien, omdat die mix-'
Ik zeg 'laat maar,' en loop verder de ruimte in. De jongeman gaat hoofdschuddend verder met het draaien aan dezelfde knop.
In tegenstelling tot de vorige ruimte is deze zaal louter gevuld met
jonge mensen. Er wordt nauwelijks gepraat. Vrijwel iedereen is
druk bezig met telefoneren of het intikken van tekstberichten, ook al
staan de ontvangers waarschijnlijk aan de andere kant van de zaal. Een
oudere dame, verdwaald of op zoek naar de juiste omgeving, loopt langs.
Een wolk van parfumlucht achtervolgt haar en bezorgt mij een golf van
misselijkheid. Ze draait zich om, aait mij zonder waarschuwing over de
wang en kijkt alsof ze een zojuist een chow-chow aangehaald heeft. Ik
veeg geschrokken met de rug van mijn hand over
diezelfde wang. Ik besluit de
tent
te verlaten. Iemand klampt mij aan en vraagt mij of ik een vriend van
Maroecha ben. Ik zeg diegene dat ik Medusa niet ken en zomaar naar
binnen ben gelopen, want de voordeur stond open. Verwonderd antwoordt
zij dat de persoon in kwestie Maroecha heet, maar ik ben al bij de
voordeur.
Buiten adem ik de koude lucht gulzig in. Een gehandicapte man in een
rolstoel rijdt voorbij, kijkt mij vals aan - of misschien is dat een
onderdeel van zijn handicap - en voegt mij iets toe. Ik meen het
woordje neger te verstaan, maar dat kan ik mis hebben. Hij zal
zijn redenen wel hebben. Ik loop de straat door, sla de hoek om, op
zoek naar de eerstvolgende open voordeur.";s:4:"body";s:0:" |
 |
|
|
|
Baardvis
|
13 Dec '04 -
|
 |
.... dat men in Anguilla, Antigua, Bangladesh, Botswana, Brunei,
Cyprus, Fiji, India, Jamaica, Japan, Kenia, Kiribati, Lesotho, Macau,
Malawi, Montserrat, Namibië, Niue, Oeganda, Saint Kitts, Saint Vincent,
Seychellen, Swaziland, Tuvalu en een handjevol andere plekken
schijnbaar de linkerzijde van de weg opzoekt.
Ikzelf persoonlijk, prefereer St Amandus, patroonheilige van de herbergiers. |
 |
|
|
|
Flets
|
09 Dec '04 -
|
 |
Van alle jaargetijden is de herfst verreweg de meest belabberde. Harde, snerpende koude kutwind en striemende
regen. Met mijn vuist gebald richting de hemel vervloek ik alles
daarboven wat ook maar enigszins als oorzaak aan te duiden valt voor
deze erbarmelijke weersomstandigheden. Daarnaast ben ik verdwaald. En
doornat, want mijn paraplu ligt thuis. Evenals mijn droge plunje.
Dit is niet mijn stad, en mijn eindbestemming oogt troebel. Een
bloemenstalletje staat nutteloos langs de kant van de weg. Ik besluit
de uitbater, of anders de werknemer, de weg te vragen. De man -
duidelijk van middelbare leeftijd - heeft van dichtbij een vage zweem
van een uitbater om zich heen hangen. Als ik hem uiteindelijk
confronteer met mijn dilemma, reageert hij zoals vele mensen van
middelbare leeftijd die nutteloos een bloemenstal langs de kant van de
weg uitbaten op een regenachtige dag terwijl er in de wijde omtrek geen
klant te bekennen is zouden reageren ; niet direct. In plaats daarvan
kijkt hij mij geringschattend aan - ook zo'n typerende karaktertrek -
en begint doodgemoederd een shaggy te rollen. Nu ik zo bij hem in de
buurt sta, wachtend op een antwoord dat mij wellicht een stapje dichter
bij mijn eindbestemming kan brengen, valt het me op dat hij - behoudens
het feit dat hij shag rookt - ook veel weg heeft van een shaggy.
Daarbij ruikt hij naar shag. Typisch.
Uiteindelijk bromt hij enkele onverstaanbare klanken tussen zijn
samengeknepen lippen vandaan - het shaggy hangt inmiddels gerold en wel
tussen zijn dunne lippen - welke niet te herleiden zijn voor mijn
beperkte linguïstische vaardigheden. Anders gezegd : Ik versta er geen
hout van. De man grijnst als een wolf, steekt zijn shaggy aan en plukt
iets van zijn tong. In een andere beleveniswereld, een papieren
bijvoorbeeld, zou ik hem bij de strot gegrepen hebben, het shaggy -
brandend en wel - in zijn smoel gepropt hebben totdat die stinkende
shaglucht zijn weg naar buiten zou vinden via zijn oren, en hem
tenslotte proberen te verzuipen in de volgelopen goot. Een goot vol
afvalwater van zijn eigen goedkope naar shag stinkende kut-chrysanten.
Maar dat doe ik dus niet.
Nee, ik denk in plaats daarvan even terug aan een avond waarbij ik
fijntjes op amateurniveau deelgenoot gemaakt werd van het mechanisme
achter de hedendaagse plastische chirurgie. Nieuwsgierig van aard als
ik ben bleef ik uiteraard kijken. Ik zie weer glashelder voor me hoe
men de opperhuid van het gezicht van een vrouw die minstens
honderdzestig jaar oud is, losweekt door middel van een paar gerichte
incisies, het vervolgens optillen om daaronder wat weefsel weg te
kunnen knippen en de huid daarna weer straktrekken. Of gewoon je neus
losknippen en daarna een soort schoenlepel eronder schuiven zodat men
de handen even vrij heeft. Roze, rood, geel, allerlei kleuren herbergt
de mens onder dat normaal zo fletse gezicht, blijkt wel weer. Geen
zonnekanon dat daar tegen op kan. Het zette me wel aan het denken.
Waarom pogen die oude, gelooide en doorleefde huid weer strak te
trekken? Snij dan gewoon alles eraf, en plak er een nieuwe op. 'Die wil
ik! Altijd al willen weten hoe ik er als een spleetoog uit zou zien!'
Of, .. 'Heeft u ook celebrities in de aanbieding? De vitrine voorin ja?' Lieden die meer dan eens het woordje celebrity bezigen zou men moeten verzuipen in het afvalwater van naar shag stinkende bloemen. En dan in de goot, uiteraard.
Ik kijk de bloemenstaluitbater aan alsof ik bedorven voedsel gegeten
heb, althans, zo stel ik mij dat onbewust voor. Ik mompel een 'dank u
wel,' en probeer de plassen te mijden terwijl ik de weg naar mijn
eindbestemming weer probeer te hervinden. Een man achter een rollater
passeert mij en daarna de bloemenstal. Ik ben er vrijwel zeker van dat
hij de rollater voor de sier gebruikt. De papieren beleveniswereld
waarin ik het ding onder hem vandaan zou schoppen lijkt verder weg dan
ooit. Wie heeft er in godsnaam horrorfilms nodig als men 'live'
plastische chirurgie op de televisie kan volgen? |
 |
|
|
|
Fuifnummer
|
01 Dec '04 -
|
 |
Een miezerig dagje, veel meer kon Joost van deze maandag niet maken.
Hoewel druilerig ook aardig in de buurt kwam. De autoweg oogde verlaten
en het eerste dorpje zou volgens het bord dat hij ongeveer acht
kilometer terug tegenkwam nog maar zesenzestig kilometer ver zijn.
Inmiddels nog maar achtenvijftig kilometer te gaan dus. Pijnlijk, veel
lopen terwijl je dat niet meer gewend bent. Zijn trouwe Volkswagen had
hij omstreeks de klok van tweeëntwintig langs de kant gezet. Iets na
middernacht had hij zijn pogingen het ding weer aan het ratelen te
krijgen gestaakt. Hoe dierbaar sommige dingen je ook mogen wezen, zo nu
en dan moet je er afscheid van kunnen nemen. Ook kleine meisjes leggen
hun Barbie's na verloop van tijd in een kist, die dan weer ergens
achterin de zolder verdwijnt.
'Ach, wat lul ik nou.' Grimmig trok Joost zijn kraag over zijn oren en
versnelde zijn pas. 'Dat wrak is nog geen drie weken geleden naar de
garage geweest en het was prima in orde, verzekerden ze. Precies eender
wat de telecom-winkel beweerde toen ik mijn telefoon eindelijk terug
kreeg.' Motregen is op zich niet erg, tenzij je er al meer dan drie uur
doorheen aan het lopen bent. Joost hoort zijn sokken soppen in zijn
gympies. Het spijkerjack, in een ander leven gekregen van een toenmalig
vriendinnetje, was geen partij voor de aanhoudende neerslag. Zijn
spijkerbroek evenmin. Hij kijkt voor de zoveelste maal over zijn
schouder, maar nog steeds geen auto te bekennen. Zijn mobieltje
raadplegen levert niks op, slechts een beetje ruis waar je met de beste
wil van de wereld misschien wat buitenaardse boodschappen uit kan
filteren. Manmoedig vervolgt hij zijn weg.
Een poosje later lijkt een ommezwaai aanstaande. Een auto! Het is
inmiddels harder gaan regenen en Joost voelt zijn tenen niet meer. Hij
veegt natte slierten haar uit zijn gezicht, zet zijn hand zijwaarts
tegen zijn voorhoofd en tuurt in de verte, in de hoop iets beter te
kunnen zien. Dat mag dan ijdele hoop wezen, het is wel degelijk een
auto. En de eerste in de afgelopen vier uur die hij tegenkomt. In zijn
blijdschap vergeet hij bijna zijn duim op te steken, een klassiek
gebaar voor lifters, ook al heeft hij daar nog nooit gebruik van hoeven
maken. De wagen, een middenklasse vervoermiddel, passeert hem maar
stopt tot zijn opluchting alsnog een paar meter verderop. Joost holt
naar de passagiersdeur en klopt op het raampje, aangezien er niet
meteen opengedaan wordt. De bestuurder, een man van middelbare
leeftijd, ziet hij door de harde regenval pas zodra deze de deur opent.
'Stap in jong, dit zijn geen weersomstandigheden om te wandelen.' De
man grijnst breeduit terwijl hij dit zegt. Joost stapt in en wordt
onmiddellijk getroffen door een rare geur. 'Van Laarhoven. En u bent?'
Klassieke muziek galmt door de auto. 'Joost, aangenaam. En bedankt voor
het stoppen.' Hij schudt de uitgestoken hand. Het voelt warm,
pafferig week aan. Alsof hij een lauwe zeemleren lap vastpakt. 'Geen
probleem jong (Joost) ... Joost. Waar moet je naartoe?' Joost veegt de
regen uit zijn ogen en vervolgt: 'Om het even waar. Mijn auto staat
langs de kant, ettelijke kilometers terug. Ik denk het eerste de beste
hotel.'
De bestuurder frunnikt aan zijn radio totdat deze een acceptabel volume
heeft bereikt. 'Oh, ok. En wat was je originele bestemming, jongmens
(Joost) ... Joost? Als ik vragen mag? Sigaretje?' De oudere man reikt
naar zijn binnenzak en haalt een verfrommeld pakje tevoorschijn. 'Nee
dank u, ik rook niet.' Die geur hangt om deze man heen, bemerkt hij.
Vochtige damp kringelt van zijn mouwen. Bedenkelijk ziet hij hoe het de
ramen beslaat. 'Ik was eigenlijk op weg naar een goede vriend van me,
hij gaat trouwen. En zijn vrienden, waaronder ik, vonden het een leuk
idee om een weekendje in een huisje te gaan zitten. U weet wel, flink
dronken worden.' Hij lacht onbeholpen en rolt met zijn ogen. De man die
zichzelf als Van Laarhoven voorstelde plukt geroutineerd met zijn
tanden een sigaret uit het gekreukte pakje, stopt hem weg en drukt de
aansteker op het dashboard in. Pas als deze weer naar buiten springt
met een zachte tik vervolgt hij het gesprek. Joost heeft de geur
inmiddels thuis weten te brengen. Het ruikt sterk naar mest in de auto.
'Zozo, je een beroerte drinken met de mannen onder elkaar, hm? Mooi is
dat inderdaad. Och, zo heb ik ook ooit menig fles soldaat gemaakt met
de vrinden. Onbetaalbare avonden zijn dat. Hebben jullie nog
animeermeisjes geregeld? Hij knipoogt vet opzij. 'Ehm, nou nee. Niet
eens aan gedacht denk ik. Hoewel ik één van de jongens er wel voor
aanzie dat zoiets misschien uiteindelijk wel geregeld is.' Wrang
glimlacht hij terug.
Die lucht!
De damp in de auto is overgegaan in sigarettenrook. Het stijgt op naar
het plafond en vormt een misselijkmakende mix met de mestgeur. De
bestuurder let op de weg, zwijgend en neemt af en toe een flinke trek
van zijn sigaret. Hij grijnst nog altijd, waardoor de slechte staat van
zijn tanden Joost niet ontgaat. Misschien komt de lucht wel uit zijn
mond, bedenkt Joost zich. Meneer van Laarhoven gooit plots zijn hoofd
in zijn nek en begint onbedaarlijk te lachen. Joost fronst zijn
wenkbrauwen even en lacht vervolgens ongemakkelijk mee. 'Haha, jaja,
mooi waren die dagen. Ik herinner mij nog dat Dirk, een man die ik
altijd hoog had zitten, eens voorstelde op zo'n avond om koeien om te
gaan duwen. Zomaar, omdat hij er zin in had. En wij allen natuurlijk
mee, want de klare had zijn duivels werk al naar tevredenheid
volbracht. We waren kachel. Dus wij, hup, in de auto, naar het
dichtsbijzijnde weilandje, op zoek naar een koe. Dat vormde uiteraard
geen probleem. Koeien zat. Auto's langs de kant, wij waggelend en
lallend het weiland in. Nou, ik kan je vertellen dat zoiets nog niet
meevalt. Die beesten slapen nauwelijks - twintig minuten op een dag heb
ik mij ooit laten vertellen door een echte boer. En liggend, niet staan
dus. En redelijk snel ter been ook. Maar goed, dat wisten wij toen nog
niet. Ik denk dat we door de bank genomen zo'n dertig minuten lang
achter die beesten aangezeten hebben, maar omduwen? Ho maar. Dirk, die
trok dat niet. Die moest en zou een koe omduwen. Dat vond ie leuk, riep
hij steeds. Het zag potsierlijk uit kan ik je vertellen, acht volwassen
mannen, lachend als kinderen op een zomerse meidag pogend één van die
loeiende koeien om te duwen. Dirk kon er niet meer om lachen. Die liep
opeens terug naar één van de auto's. Des te meer hilariteit voor ons,
want ja, zo gaat dat op zo'n avond, niet?' Joost knikte beamend,
alhoewel de gedachte om een koe om te duwen nog nooit door zijn hoofd
had gespeeld. Die kwam je dan ook weinig tegen, midden in de stad. Hij
bleef maar voor zich uitkijken.
'Dat Dirk het zat was kwamen we op pijnlijke wijze te weten. Nauwelijks
een paar minuten later keerde hij weer terug, wij nog altijd rollend
door de blubber en de koeienpoep van het lachen - sommigen zaten nog
altijd vergeefs één van die schreeuwende koeien op de huid. En Dirk, ..
Dirk was toen als één van de weingen lid van een heuse schietclub.
Sportschieten, noemde hij het altijd. Hij lachte niet meer en was druk
bezig één van zijn pistolen te laden. Met ferme stappen liep hij het
weiland weer in. Het idee dat hij een koe overhoop zou schieten maakte
dat we de controle verloren. Allemaal lagen we nu op de grond alsof de
Ziekte van de Lachstuip ons allen had geveld. Hij bleef halverwege
staan en legde geconcentreerd aan. Sommigen bleven onbedaarlijk lachen,
anderen - zoals mijn persoontje - keken even verontrust. Het zou toch
niet zo zijn dat hij WERKELIJK een koe zou gaan omleggen? Een daverende
knal in de seconde die op diezelfde gedachte volgde bewees anders. Als een
logge boomstam viel een zwart-wit gevlekt exemplaar om. Zonder geluid.
Het lachen stopte abrupt. Zelfs de andere koeien op het weiland bleven
niet-begrijpend staan. Dirk liep op het dier af, bekeek het van
dichtbij en schoot vervolgens nog eens drie kogels in de kop. Perplex,
maar toch nieuwsgierig genoeg liepen we op het tafereel af. Het leek
alsof de wereld een andere kleur had gekregen. Een beetje paars, nu ik
erover nadenk. Toen we naderbij kwamen stopte Dirk zijn wapen weg. We
hebben daar misschien tien minuten gestaan, zwijgend. Ik weet niet meer
wie ermee begon, maar een fles oude klare werd opeens in mijn handen
geduwd. Ik nam een fikse teug en gaf hem door.' Meneer van Laarhoven
stopt even met zijn monoloog, kijkt ogenschijnlijk peinzend naar het
langsflitsende wegdek. Hij vist nogmaals een sigaret uit zijn
binnenzak, ditmaal zonder het pakje daadwerkelijk tevoorschijn te
halen. De aansteker trilt lichtjes op het moment van aansteken. Joost
doet alsof hij het niet ziet. Wel ziet hij de bruine vlekken op de
overjas van de bestuurder. Hij neemt zich voor uit te stappen bij de
eerstvolgende gelegenheid. Deze man heeft iets onbestemds over zich.
Iets naargeestigs.
'Vanaf dat moment is het allemaal een beetje vaag. Die fles is een
aantal malen rondgegaan. Net zolang tot ik uiteindelijk de laatste
druppels eruit aan het schudden was. Niemand opperde de suggestie, en
toch stonden we zonder overleg in een rijtje met onze jongeheren in de
hand. Dirk was al klaar en ik was nummer drie.' Joost staart naar
het dashboard, durft niet meer opzij te kijken. 'Gek genoeg,' vervolgde
de bestuurder, 'was het een ervaring die mij aan het denken had gezet.
Dat rozige zachte vlees week zonder problemen. Daar was niks mis mee.
Maar die kop. Die kapotgeschoten kop, waar een lapje vlees van de neus
opeens ontbrak en een oor er nog maar half aanhing, die keek me aan
gedurende die tijd. Met één donker, onschuldig oog. Emotieloos, dat
zeker, want dat beest was dood. En toch keek het mij aan. Ik kon het
niet afronden, ik kon het gewoonweg niet. Nadat iedereen was geweest
zijn we ingestapt en weggereden. Niemand sprak. En niemand was zo
snugger geweest om die lege fles drank mee te nemen. Stom hè? Ieder's
vingerafdrukken stond erop. Nouja, we hebben elkaar sindsdien eigenlijk
niet meer gezien. Tenminste, ik kwam Dirk nog wel eenmaal tegen. In een
dorpje bij de lokale kiosk geloof ik. Het kan trouwens ook het
warenhuis geweest zijn. Veel hadden we elkaar niet te vertellen, dat
weet ik nog wel. Later hoorde ik dat hij overleden was tijdens het
geven van een schietles. Hij controleerde het wapen van een leerling en
het ding ging af. Midden in zijn gezicht. Zwaar kaliber, dus er bleef
niet veel meer van over. Het akkefietje haalde zelfs het landelijk
dagblad. Volgens zeggen was zijn gezicht één grote puinzooi. Een rode
krater met een aantal gaten erin.'
Joost heeft allang niet meer het idee dat meneer van Laarhoven tegen
hem spreekt. Deze draait zich plots bruusk om in zijn richting. 'Weet
je wat het was?' Joost wil eigenlijk heel hard gillen, maar houdt zich
in en schudt ontkennend zijn hoofd. Uit alle macht tracht hij niet
te kokhalzen van de geur die vrijelijk zijn kant uitwaait. 'Wat het
was,' terwijl hij zich weer op de weg concentreert, 'toen ik dat hoorde
van Dirk's ongeluk, moest ik onmiddellijk denken aan dat oog. Dat
emotieloze koeienoog. Dat beeld zie ik vaak voor me.'
De lichten van een tankstation doemen op in de verte.
'Ehm, ik stap hier wel uit, okè?'
'Oh, goed hoor. Red je het wel vanaf hier?' De grijns glijdt weer over zijn gezicht, daarmee zijn rotte tanden tonend.
'Tuurlijk, tuurlijk. Dat gaat heus lukken.' Hij bevoelt de sluiting van het portier alvast.
Met een zachte wiegende beweging komt het middenklasse voertuig tot stilstand voor het pompstation.
'Oké, hier dan. Nou, veel plezier nog met je vrinden en maak er een dolle boel van, ja?'
'Ik zal het zeker proberen,' zegt Joost terwijl hij het portier haastig
openduwt. Tijdens het uitstappen ziet hij de bemodderde schoenen van de
bestuurder nog vers geuren. 'En u nog bedankt voor de lift meneer.'
'Achja, da's goed hoor jong (Joo .. ach laat maar). Het ga je goed.'
Luid toeterend rijdt hij weg.
Joost kijkt hem beduusd na. Het tankstation oogt verlaten. Het regent nog steeds. |
 |
|
|
|
 |