De hut, waar het allemaal eigenlijk begint
Het Mausoleum, voor al uw oude koeien
Tattoo-Log, sommigen kunnen niet zonder
Inteelt, bij de gratie van

  

 

Prehistorisch

01 Okt - 31 Okt 2005
01 Aug - 31 Aug 2005
01 Jul - 31 Jul 2005
01 Jun - 30 Jun 2005
01 Mei - 31 Mei 2005
01 Feb - 28 Feb 2005
01 Dec - 31 Dec 2004
01 Nov - 30 Nov 2004
01 Okt - 31 Okt 2004
01 Sep - 30 Sep 2004
01 Aug - 31 Aug 2004
01 Jul - 31 Jul 2004
01 Jun - 30 Jun 2004
01 Mei - 31 Mei 2004
01 Apr - 30 Apr 2004
01 Mrt - 31 Mrt 2004
01 Jan - 31 Jan 2004
01 Dec - 31 Dec 2003
01 Nov - 30 Nov 2003
01 Okt - 31 Okt 2003
01 Sep - 30 Sep 2003
01 Aug - 31 Aug 2003
01 Jul - 31 Jul 2003
01 Jun - 30 Jun 2003
01 Mei - 31 Mei 2003
01 Apr - 30 Apr 2003
01 Mrt - 31 Mrt 2003
01 Feb - 28 Feb 2003
01 Jan - 31 Jan 2003
01 Dec - 31 Dec 2002
01 Nov - 30 Nov 2002
01 Okt - 31 Okt 2002
01 Sep - 30 Sep 2002

 
 
 
 
 

 

Iets kwijt?

 
 
 
 

 

Al deze vervuiling mede dankzij

PIVOT
DIGIZAAL

 

Iets op uw lever?

 

Reclame!

 

 

Tattoo Johnny Tattoo Designs World Famous Tattoo Design Gallery - Thousands of Tattoo Designs - Created by top tattoo artists and illustrators

 

 

Download Tattoo Designs for every Lifestyle

 

 

 

Het gaat niet geheel onopgemerkt

De kartelsnede van het verlangen
18 Mei '05 -
Ah kijk, daar zul je Lodewijk net hebben. Neenee, niet die vadsige kerel met zijn armen vol belegde kadetjes. Nee, dáár. Hij wandelt net de slijter binnen. Niet gezien? Geen nood, hij zal weldra verschijnen.
    In de tussentijd zal ik u vermoeien met wat persoonlijke details over Lodewijk: zesendertig jaar, een op het oog vriendelijk persoon, misschien een beetje gewoontjes. Dik, bruin haar met een slordige scheiding aan de rechterzijde van de schedel. Met opzet natuurlijk, vanwege zijn wijkende haarlijn. Bril met zwart montuur, dunne lippen en een vale teint. Verder netjes geschoren, onopvallende kledij en goedkope schoenen. U ziet; Lodewijk doet denken aan een manager van de lokale supermarkt.
    En net zoals iedere supermarktmanager heeft Lodewijk zo zijn dromen en verlangens. Ook hij wil graag succes in het leven, een beetje warmte & liefde, een goed gevulde koelkast en een keur aan televisieprogramma’s om uit te mogen kiezen. Op de warme dagen drinkt hij graag enkele pilsjes, liefst een Belgisch merk aangezien hij ooit eens een weekje in Hasselt doorbracht. Oh, en ik moest erbij vermelden dat hij dagelijks fantaseert over het anaal inbrengen van een-
    Ah, daar is hij weer.

Nu dan, laten we hem even volgen. Waarom? Geduld, daar komen we zo op. Let wel, Lodewijk is niet de hoofdpersoon van dit verhaal, die komt zo aan bod. Je zou hem eerder een bijrol toedichten, hoewel zijn aandeel verre van marginaal te noemen valt. Ziet u die plastic tas in zijn hand, waarop in kleurige letters de naam van de slijter vermeld staat? Hoort u het klingelen? Inderdaad, dat zijn meerdere flessen vocht. Sterke drank? Ja, uiteraard, ik durf zelfs te wedden dat het wodka is. Wodka van een goedkoper merk, dat wel.
    Nu weet ik dat hij vlak om de hoek van de slijter woont. Handig, niet? En warempel, zei ik het niet? Redelijk pand, niet echt opvallend. Past mooi bij zijn kleurloosheid, nietwaar?

Mooi zo, terwijl Lodewijk de trappen bestijgt (hij woont op de derde verdieping) neem ik u even mee naar de verderop gelegen winkelstraat. Klopt, drie blokken verder en dan onder de poort door. Eens kijken, nee, niet daar. Een paar winkels verder.
    Hier.
    Jawel, dit is een Marokkaanse bakker. En dit is Saïd, een goede vriend van Lodewijk. Eén van de weinige, eigenlijk. Saïd is een vakman, zijn vader heeft hem alles geleerd. Ziet er allemaal lekker uit, niet? Vertel eens Saïd, wat is dat allemaal in de vitrine?
    ‘Nou, dat daar is basbousa, een soort griesmeelcake, en dat noemen ze sfenj. Sorry? Ehm, vruchtencake, daar lijkt het op. En harsha natuurlijk, een kruimelcake. Ja, veel zoetigheid inderdaad, daar houden we van in Marokko. Net zoals de thee. Willen jullie misschien een kopje?’
    Ja, graag. Jullie ook? Ja? Lekker Saïd, doe maar … zeshonderd kopjes thee, alsjeblieft. En wat van die … sfinsj?
    ‘Nee, sfenj.’
    Ah oké. Sfenj.
    ‘Regel ik, moment.’

Best een geschikte pief, niet? Uitstekend, terwijl Saïd aan de gang gaat met de waterkoker, zal ik jullie Lodewijk’s onderkomen tonen. Die loopt net de deur uit, maar geen nood; hij komt Saïd opzoeken, dus we treffen hem spoedig.

Drie verdiepingen en geen lift, nee, dat valt niet mee eh? Vooral voor de notoire bankzitters onder jullie, hm? Haha.
    Hier is het.
    Eens zien of die loper daadwerkelijk past. Jawel, prima zelfs. Zo dan. Nu, van harte welkom in Lodewijk’s paleis. Mjah, hij is nu niet wat je noemt “opruimerig van aard”. De woonkamer ziet er nogal smerig uit inderdaad, kan ik alleen maar beamen. Wees blij dat ik zijn slaapkamer achterwege laat. Voor het moment, althans. Dat gestommel? Scherp opgemerkt, komt uit de badkamer. Daar komen we ook voor. Oké, allemaal even stil, alstublieft. Waarom? Merkt u vanzelf.
    Mag ik u allen voorstellen, dit is Loes. Waarom ze een prop in haar mond heeft lijkt me duidelijk, niet? Eh ja, het is een tamelijk zootje. Waar al dat bloed vandaan komt? Nou, zoals u ziet is Loes onvrijwillig beroofd van haar armen en benen - geamputeerd als het ware – en die liggen daar in de hoek, naast de blindenstok. Ja, die is van haar, zeker weten. Wat zegt u? Waarom ze maar blijft bloeden? Nou, ziet u die halfvolle fles wodka, daar op de wastafel? En dat infuus daar? Ha ja, als je slechts een romp tot je beschikking hebt, is de nek waarschijnlijk de beste plek om zo’n infuus aan te brengen. Nou, drie maal raden wat er in die infusiefles zit.
    …
    Precies.
    Best ingenieus niet? Nou ja, Loes heeft het nogal druk meen ik, dus laten we eens luisteren wat Saïd en Lodewijk te bespreken hebben, oké?

    ‘Lodewijk, gaat ie man?’
    ‘Best.’
    ‘Met mij minder, beetje slecht geslapen vannacht.’
    ‘Hm.’
    ‘Moet je wat hebben?’
    ‘Doe maar thee.’
    ‘En iets te eten?’
    ‘Nee, ik hoef die zoete bende niet, ik krijg er pijn in m’n maag van.’
    ‘Oké, oké, rustig maar.’
Routineus prepareert Saïd de thee met suiker en de gewassen takjes munt in een theepot. Voor de zekerheid legt hij wat koekjes op een schaal ernaast. Lodewijk telt ze. Twaalf. Twaalf stuks. En de tegels op de vloer, ook al weet hij dat het er exact tweehonderdtwintig zijn.
    ‘Hee Lo, heb jij er-‘
    ‘Lodewijk.’
    ‘Lodewijk, sorry, ... heb jij ervaring met slaapwandelen?’
    ‘Nee.’
    ‘Oh. Nou ja, ik hoorde dus laatst, van mijn oom, dat de buurvrouw van zijn schoonzus daar erg last van had.’
    ‘Ah hm.’
    ‘Eh, ja. Koekje?’
    ‘Nee, dank je.’
    ‘Nou, wat er dus gebeurde: die buurvrouw stond midden in de nacht in de slaapkamer en-‘
    ‘Van wie?’
    ‘Van wie wat?’
    ‘In wiens slaapkamer ...’
    ‘Oh! Eh, die van de buurvrouw.’
    ‘Ze stond dus midden in de nacht in haar eigen slaapkamer?’
    ‘Neenee, ze stond in de slaapkamer van haar buurvrouw. En dan midden in de nacht.’
    ‘Oh. Ok.’
    ‘Ze stond dus in die slaapkamer, midden in de nacht, en zeek vervolgens op de vloer, gewoon, staand. En daarna kroop ze bij de buurvrouw in bed.’
    ‘In haar eigen bed?’
    ‘Nee, die van haar buurvrouw.’
    ‘Oh.’
    …
    ‘En?’
    ‘Ehm, niks, dat was het. Weet je, ik heb trouwens een goed idee voor een T-shirt opdruk, misschien moet ik in die handel gaan werken, denk je niet?’
    ‘Geen idee. Ben je hier niet tevreden dan?’
    ‘Nou, … nee. Niet echt nee. Ik bedoel, het is wel prima hoor, thee zetten en cake verkopen, … maar er moet toch meer te doen zijn?’
    ‘Misschien wel ja. Wat had je nou verzonnen voor dat T-shirt?’
    ‘Ohja, ehm … ik heb het opgeschreven, hier ergens. Ik heb er trouwens meer bedacht.’
    ‘Werkelijk?’
    ‘Ja, wacht, … waar is dat papiertje … ah! Hiero! Oké, let op:

“Rasecht”.

    ‘Goed hé? Maar ik heb er nog meer: “Rasdier”, “Rashond”, “Raspaard”, Raspen”, en-’
    ‘Ik snap waar je heen wilt. Goed hoor.’
    ‘Ja? Vind je?’
    ‘Ach ja.’
    ‘Oh man, weet je, als ik dit van de grond krijg, neem ik net zoals die gasten in die videoclips een dikke vette auto, mooie kleren en sieraden en elke dag een ander wijf. En dan stop ik ze gewoon vol met champagne! Ha!’
Lodewijk houdt de rondvliegende insecten in de gaten. Hij telt er acht.
    ‘Heb je nog wat leuks gedaan trouwens, net zoals laatst, met die dame van het Leger des Heils? Dat was grof, man!’
    ‘Nou, …’

Vijfentwintig minuten later tingelt de deur. Een meisje in een rolstoel rijdt zichzelf moeizaam naar binnen. Lodewijk’s ogen vernauwen zich. Saïd merkt het.
    ‘Hòòòi …, dat ziet er lekker uit, in die vitrine. Ik wil wel graag wat van die koekjes van je kopen, kan dat?’
    ‘Tuurlijk,’ zegt Saïd.
Lodewijk observeert en ziet dat het goed is. Knap, blond, fris gezichtje. Sprekende ogen. Een magnifiek stel tieten onder een shirtje vol lovertjes. Hij telt ze. Ze merkt het.
    ‘Hai, alles goed?’
    ‘Eh, … zeker. Mooi shirt.’
    ‘Ooh, dank je! Gewoon op de markt gevonden hoor.’
    ‘Staat je, … eh, mooi. Echt.’ Bloosde ze nu?
Saïd vraagt haar welke koekjes ze wilt.
    ‘Ehm, … oh wacht, heb je misschien een toilet?’
    ‘Ja tuurlijk, hierlangs. Red je dat, met je … rolstoel enzo?’
    ‘Echt wel, ik ben wel wat gewend hoor.’

Behendig manoeuvreert ze inderdaad langs de toonbank, de gang op naar de toiletdeur. Het is blijkbaar breed genoeg en ze kan – ondanks haar handicap - kortstondig op haar benen staan. Ze laat de rolstoel op de gang staan, sjouwt zichzelf naar binnen en sluit de deur achter zich. Intussen, in de winkel, weet Saïd dat Lodewijk iets van plan is.
    ‘Ga je het doen?’
    ‘Sst.’
    ‘Maar ik wil je helpe-’
    ‘Sst!’
Lodewijk glijdt langs de toonbank, gebaart naar Saïd dat hij de voordeur in de gaten moet houden en neemt een handdoek mee van de haak in de gang. Uit zijn borstzak haalt hij een bruin flesje en giet wat op de handdoek. Deze houdt hij wijselijk bij zijn gezicht vandaan. De rolstoel schuift hij stilletjes opzij. Saïd kijkt gespannen mee om de hoek. Lodewijk sist hem toe dat hij moest opletten.
    Een zachte klik, de toiletdeur opent zich.

Een busje, met daarop een reclame-uiting in Arabisch schrift, stopt in de straat. Lodewijk stapt uit, spiedt in het rond en controleert of er iemand op hem zit te letten. Nee. Niemand. Hij opent de achterdeur van het busje en sjouwt een gestalte over zijn schouder het huis binnen, via het trapportaal omhoog. Een korte poos later keert hij terug bij de bus, tilt een opgevouwen rolstoel eruit en rijdt deze naar binnen. Weer even later stapt hij in de bus en parkeert deze drie straten verderop. Terug in het halletje van de flat zet hij de rolstoel weg in zijn berging. Hij moet eerst ruimte maken om het ding kwijt te kunnen. Langs de wand staan nog (één, twee, drie …) drie andere rolstoelen.
    ‘Da’s voor latere zorg,’ mompelt hij voor zich uit, terwijl hij omhoog klimt en de traptreden telt.

Het meisje uit de winkel heeft hij op zijn smoezelige matras vastgesnoerd. De telefoon gaat. Saïd. Vanuit de winkel. Hij vraagt of het al begonnen is, ongeduldig als hij is.
    ‘Die klok schiet niet op man!’
    Lodewijk hangt op, en ontdoet zich daarna van Loes door de levenloze romp bedreven in stukken te hakken met een hakbijl. Soepel gaat het allerminst, dus slijpt hij de bijl een beetje bij in de keuken. Het meisje op zijn bed murmelt eventjes, licht gewekt door de hak -en slijpgeluiden. Naderhand propt hij alle onderdelen in twee koffers.
    ‘Oy, ik vergeet wat!’
    De blindenstok breekt hij in drieën over zijn knie en propt deze in één van de koffers. Tijdens het openen van de koffer gulpt rode massa als een klas kinderen op hun laatste schooldag naar buiten. Terwijl hij de koffer weer dicht perst, realiseert hij zich dat het grootste karwei dan nog moet beginnen; het schrobben van de badkamer.
    ‘Leuk idee, met die alcohol, maar de volgende keer moet dat anders.’
    Al met al zal het hem in totaal twee uur kosten.

Zeventien uur veertien. Saïd sluit de winkel haastig af en snelt naar de woning van Lodewijk. Vandaag heeft hij een record gevestigd: opruimen, kassa opmaken en afsluiten in dertien minuut vierenveertig. Gejaagd drukt hij op de bel in de galerij. Als hij eindelijk boven is zwoegt zijn borstkas en is zijn kledij doornat van het zweet.
    ‘Kolere man, dat valt niet mee, eerst hierheen rennen omdat jij die bus hebt en dan ook nog al die trappen op!’
    ‘Stil, anders wordt ze wakker’, zegt Lodewijk terwijl hij naar zijn slaapkamer gebaart. Hij start net het wasprogramma op.
    ‘Oh ja. Sorry. Mag ik ‘er even zien?’
    ‘Even dan.’
Getweeën kijken ze toe het meisje onrustig met haar hoofd heen en weer rolt in haar slaap. Ze ademt onregelmatig door haar neus, want haar mond zit dichtgeplakt met duc tape. Haar benen bewegen niet.
    ‘Mooi is ze hé?’
    ‘Ja man, geile griet, wat je zegt.’
Eventjes kijkt Lodewijk misprijzend opzij naar zijn Marokkaanse kompaan. De slaapkamerdeur duwt hij weer dicht.
    ‘Ze heet Magda. Magda Meertens. Ik heb in haar portemonnee gekeken. Is dat geen mooie naam?’
    ‘Tuurlijk man, tuurlijk. Hé, maar wat ga je met haar doen? En mag ik dit keer meedoen?’
    ‘Nou …’
    ‘Aah toe nou man! Ik beloof je dat ik dit keer niet zal kotsen, echt! Echt, ik beloof het!’
    ‘Je mag eerst die twee koffers daar zien kwijt te raken, daarna zal ik het overdenken, goed?’
    ‘Oké oké! Ga ik voor je regelen, let maar op!’
Enthousiast grijpt Saïd de twee hengsels vast en kreunt onmiddellijk bij het optillen.
    ‘Tering, zwaar man! Wat zit hier in man!?’
    ‘Etensresten, ga nu maar. Oh, hier is je sleutel, de bus staat op het plein, halverwege.’
    ‘Helemaal daar! Waarom in vredesnaam?!’
    ‘Ga nu maar, voor ik van gedachten verander. En Saïd, als ik “kwijt” bedoel, bedoel ik ook echt kwijt, oké? Dat gedoe met die slager destijds was ronduit beschamend.’
    ‘Oké, oké, sorry, dat was maar een geintje. Ik ben al weg.’
En weg is Saïd.

De wastrommel draait op de achtergrond terwijl Lodewijk stilletjes de slaapkamer binnensluipt en op bed gaat zitten. Hij meende het serieus. Het was werkelijk een mooi meisje om te zien. Aan de andere kant, waren ze dat niet allemaal? Uiteindelijk draaide het toch weer op hetzelfde uit. Hij bekeek haar benen. Goed geproportioneerd, mooie glanzende huid. Alleen de ongemakkelijke hoek waarin de rechter lag, verried dat deze voor haar onbruikbaar was. Zacht gekreun.
    Ze ontwaakt.
    In tegenstelling tot eerdere gasten, ontwaart Lodewijk geen angst in haar ogen. Eerder, … provocatie. Hij buigt naar haar toe en legt zijn vinger tegen zijn lippen.
    ‘Sst. Als je belooft niet te schreeuwen, zal ik de prop weghalen. Oké?’
Ze knikt. Haar ogen twinkelen zelfs kortstondig, alsof ze geamuseerd is. Met een venijnig rukje trekt hij de duc tape eraf. Verrast – en startklaar om in te grijpen – merkt hij dat ze inderdaad niet begint te schreeuwen. Nog niet misschien?
    ‘Hallo zeg, dat was onaangenaam. Doe je dat wel vaker, stouterik?’
    ‘Ehm, …’
    ‘Hoef je geen antwoord op te geven hoor. En wie was die vriendin van je?’
Lodewijk’s beurt om te blozen nu.
    ‘Hé, uh, ik ben geen homo ofzo.’
    ‘Nee schat, niet die schoonmaak Turk van je, maar de shashlik die hij zojuist in twee koffers meenam.’
    ‘Maar hoe-?’
    ‘Kwestie van goed je adem inhouden. Je maakt een hoop herrie, wist je dat?’
    ‘Uhm …’
Lodewijk telt de motieven op de matras, om zijn gedachten te ordenen. Had hij het dan toch bij het rechte eind? In een eerste opwelling wilde hij dit exemplaar laten passeren, omdat ze nogal, … assertief overkwam. Maar nauwelijks een seconde later had ze, … iets in hem aangewakkerd. Wát wist hij op dat moment niet, maar het was reden genoeg om haar zich alsnog toe te eigenen. Moest hij haar, nu ze zo impertinent overkwam, dan conditioneren? Was dat de bedoe-?
    ‘Je hebt mooie ogen. Vooral als je zo diep nadenkt. Heeft iemand je dat al eens verteld?’
    ‘Eh, …’
    ‘Nou ja, eerst maar eens de puntjes op de i. Waar heb je mijn rolstoel gelaten?’
    ‘Eh, beneden. In de berging.’
    ‘Mooi zo, haal ‘em even, wil je? Niet dat ik gehandicapt ben zonder, maar voorlopig loop ik nu eenmaal moeilijk. Fibreuze dysplasie en de reguliere wachtlijst, snap je?’
    ‘Fibreuze dysplasie?’
    ‘Jaja, een botziekte. Allemaal heel vervelend en naar enzo, maar zo gaat dat. Komt vast goed. Ga je die rolstoel nog halen?’

Confuus verlaat Lodewijk zijn woning, de trap af. Halverwege besluit hij om te keren, om dan alsnog af te dalen. De twijfel verscheurt hem. In zijn broekzak voelt hij een stiletto branden, maar zijn bloeddorst tempert constant als hij aan haar denkt. Met name haar ogen. Die grote, priemende, blauwe ogen.
    Na enkele ogenblikken wikken en wegen, daalt hij af naar de berging om haar rolstoel op te halen. Voor de berging staat hij wederom seconden lang te dralen – en kiest uiteindelijk voor een wandeling. Dit kan en mag hij niet te lichtzinnig opnemen. Buiten op straat, in gedachten verzonken bemerkt hij niet dat Saïd hem passeert, naarstig op zoek naar een parkeerplaats.

Boven, kampt Magda met evenzoveel twijfel. Toen de verlegen jongeman haar opnam, in de winkel, voelde zij zich … zich warm worden van binnen. Een gevoel dat zich sedert lange tijd aandiende als een oude vriend, van wie zij niet had gedacht dat ze hem weer zou ontmoeten. Ook na de ontvoering en na het ontleden van zijn vorige slachtoffer (welke ze daarnet tot in detail en volledig bij zinnen meemaakte) ging dat gevoel niet weg. Hoe zijn attitude radicaal veranderde, van timide naar een roofdier, wond haar zelfs op. Vreemd. Verbijsterend, misschien. Maar niet onoverkomelijk voor haar. Haar route des levens was alles behalve uitgestippeld, … hoewel? Misschien liep er nu ergens een kras over de kaart die men als een flauwe bocht kon beschouwen? Of een ingrijpende wegomlegging? Zou hij haar praatjes doorzien zijnde een ultieme brutale poging zichzelf eruit te kletsen? Was ze nu echt gecharmeerd van hem, of was het puur uit belangstelling voor zijn dadendrang? Ze wist het niet.
    Er komt iemand binnen.

    ‘Hé, wat is dit nu weer?’
Saïd stormt ongevraagd de slaapkamer binnen en bekijkt Magda alsof het bed vol larven ligt.
    ‘Waarom staat de voordeur open? En waar is Lodewijk?’
Hij springt bij haar op bed en geeft haar een mep met de vlakke hand. Spottend kijkt ze hem aan.
    ‘Hij heet dus Lodewijk. En jij bent?’
    ‘Kop dicht, hoer! Ik vroeg je wat! Waar is hij?’
Hij heft zijn arm om een nieuwe klap uit te delen. Ze krimpt ineen.
    ‘Geen idee. Hij zal zo wel terugkomen, denk je niet?’
Saïd geeft haar alsnog een mep en staat dan op. Besluiteloos ijsbeert hij de kamer rond. Zou het een test zijn? Een test om aan te tonen in welke mate zijn aanwezigheid een waardevolle toevoeging te noemen valt? Peinzend loert hij naar Magda. Een loeder is het, dat was hem meteen duidelijk. Zo brutaal als die teef naar hem kijkt. Maar waarom heeft ze geen prop in haar mond? Dan kan ze toch de buurt bij elkaar schreeuwen? Dat is toch amateuristisch?

    ‘Zozo, dus jij bent het “hulpje”, hm?’
    ‘Kop dicht, manke hoerekut, anders sla ik hem dicht.’
    ‘Oh nou nou, jij hebt zeker huisarrest gehad afgelopen weekend, niet? Hoe oud ben je eigenlijk?’
    ‘Hé! Ik waarschuw je hoor!’
    ‘Oh, best hoor. Zeg, heb je die koffers wel goed geloosd?’
    ‘Hoe weet-?’
    ‘Ik ben van nature alert. Hé, wacht eens, jij bent die Marokkaanse bakker, geen schoonmaak Turk.’
    ‘Ja trut, reuze alert. Jammer dat je niet meer kan koketteren met je handicap, we gaan je afmaken! Begrijp je dat, kutwijf!?! Afmaken!’
    ‘Jaja, tuurlijk. Maar hoe oud ben je nu?
    ‘Gaat je geen moer aan.’
    ‘Nee? Heb je al eens geneukt? Je weet wel, die harige frikandel bij je zusje erin hangen enzo?’
Saïd springt weer op haar af en geeft haar ditmaal een stomp. Hard genoeg om haar het bewustzijn te doen verliezen. Triomfantelijk plakt hij haar mond af met duc tape en steekt een sigaret op.
    Twintig minuten later nog steeds geen Lodewijk. Hij gooit zijn tweede sigaret in een glazen vaas op het nachtkastje die als asbak fungeert. De peuk smeult nog na, dus gooit hij er een glas water bovenop. Zonder protest dooft de sigaret.
    Magda murmelt weer.

Hij stapt op haar af, grijpt een handvol haar en trekt haar half overeind.
    ‘Nog steeds een grote bek, hm? Kutwijf.’
Hij bespeurt een lichte paniek in haar ogen. Prima, zo hoort het ook. Ze probeert wat te zeggen.
    ‘Oké, ik zal de prop weghalen, maar waag het eens te schreeuwen; ik maak je af, begrepen?’
Ze knikt welwillend.
    ‘Ik bedoelde het niet lullig, van dat neuken, echt. Maar als jullie mij echt gaan afmaken, heb ik wel een verzoek. Wil je mij een gunst verlenen? Alsjeblieft?’
    ‘Vertel, en ik zal kijken of het kan.’
Met een rechte rug staat Saïd daar, gebalde vuisten in de zij en borst vooruit.
    ‘Ik, … ik, … je moet begrijpen dat, … Kijk, het zit zo: vanwege mijn handicap is het lang, té lang geleden dat ik, … nou ja, … je weet wel. Seks.’
    ‘Seks?’
    ‘Ja, seks. Ik heb al heel lang geen seks meer gehad. Een meisje in rolstoel, dat nodigt niet echt uit, begrijp je. Mannen vermijden mij of vinden me zielig.’
    ‘Eh, ja. Ik snap het.’
    ‘En als jullie mij, … nou ja, … gaan afmaken, dan zou ik graag, … eh, je weet wel, … voordat het zover is, begrijp je?’
    ‘Eeeh, … ik weet niet of …’
    ‘Of Lodewijk dat ziet zitten? Maar dat maakt toch niet uit? Alsjeblieft, voordat ik sterf zou ik zo graag weer eens een echte man willen voelen. Wil je me helpen?’
    ‘Maar je benen …?’
    ‘Ach, daar merk je niks van, je hoeft ze alleen maar opzij te schuiven.’
Saïd contempleert. En beseft dat hij dit soort kansen niet vaak zal krijgen. Maar red ik dat wel? Misschien komt Lodewijk zodirect binnen en maakt hij mij dan vervolgens ook af?
    ‘Nee nee, nee, daar begin ik niet aan. Mooi niet.’
    ‘Aah toe?’
    ‘Nee, echt niet. Ik wil Lodewijk niet kwaad maken.’
    ‘Maar dat zal hij vast niet zijn! Alsjeblieft, ik verlang zo naar een harde pik, en nu hoef je me nog niet te delen met Lodewijk.’
    ‘Hou je bek! Je weet niks van hem! Ik doe het niet.’
    ‘Mag ik je dan pijpen? Alsjeblieft? Ik slik, echt. Geen troep enzo. Maar we moeten dan wel opschieten.’

Nauwelijks een minuut later schuift ze Saïd’s besneden lul behendig tussen haar lippen, likt eraan, spuugt erop en bewerkt hem met haar hand. Haar handen heeft hij losgemaakt, op haar verzoek.
    Het mag allemaal niet baten. Saïd raakt geen moment opgewonden, hoezeer zij ook haar best doet. Hij schuift haar truitje omhoog en knijpt in haar tieten, hij denkt aan die clip van die ene rapper; het helpt niet. Het enige dat hij voortdurend voor zich ziet is de inhoud van één van de koffers die hij eerder uit nieuwsgierigheid opende voordat hij ze in het kanaal zou dumpen. Al dat roze en blauwe vlees stulpte eruit. In niets leek die blubberige massa meer op een mens. Met moeite moest hij alles terug erin proppen en op de koffer zitten om hem dicht te krijgen. Het spreekt vanzelf dat hij alle genuttigde zoete cakejes van vandaag als een mitrailleur uitkotste.
    ‘Stop maar, het gaat niet’
    ‘Nee wacht, het gaat me lukken, wacht nog eventjes.’
    ‘Nee! Stop ermee, zeg ik!’
    ‘Oké wacht.’
Met al haar kracht bijt ze op zijn halfslappe penis en rukt haar hoofd achterover. Ze bijt hem niet helemaal door, maar het grootste gedeelte van het penisvlees schuift een stukje naar voren, terwijl de urineleider als een rietje van vlees achter blijft. Als een gewond dier krimpt hij gillend in elkaar, onderwijl telkens schreeuwend:
    ‘Kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb je ge-!’
    Zijn mantra wordt onderbroken door het geluid van een brekende glazen vaas die met volle vaart op zijn hoofd uiteenspat. Bloed stroomt van zijn lenden en zijn kruin. Met een van pijn vertrokken gezicht kijkt hij omhoog, net op tijd om te zien hoe Magda - krijsend als een dolle aap en met een mond vol bloed – de gebroken vaas in zijn gezicht ramt. De scherven boren zich in zijn oog en wang en ketsen deels af op zijn kin, waardoor het bot versplintert. Ze trekt de vaas terug en drukt hem nog eens in zijn gezicht, dan in zijn keel, nog eens in zijn gezicht en op dat moment loopt Lodewijk binnen. Hij negeert de hevig bloedende Saïd volkomen en richt zich tot Magda, alsof hij de tekst uit zijn hoofd heeft geleerd.
    ‘Ik heb eindelijk een besluit genomen.’

Langs het kanaal kijken Magda en Lodewijk toe hoe het busje verzwolgen wordt door het water. Saïd ligt als het goed is al op de bodem, bijeen gepakt in de laatste koffer uit Lodewijk’s voorraad.
    Ze zwijgen. Een deken van antraciet aan de hemel bedekt hun verholen gedachten. Ze wachten, net zoals een familie eendjes aan de overzijde, tot het water stopt met rimpelen. Uiteindelijk zwijgt het wateroppervlak ook.
    ‘Je begrijpt dat we hier niet kunnen blijven? En hoe zit dat met die wachtlijst van je?’
    ‘Kan ik voor terugkomen. Zonder problemen. Ik ben gehandicapt, weet je nog? En ik kan heel lief lachen.’
Ze glimlacht als ze hem gebaart naar zich toe te buigen. En zijn hunkering bezegelt met een kus.
    Lodewijk voelt de vlinders in zijn buik, en stopt voorlopig niet met tellen.

link to this.. | 10:29 | dreadloki | 38 hadden wat