Ah kijk, daar zul je Lodewijk net hebben. Neenee, niet die vadsige
kerel met zijn armen vol belegde kadetjes. Nee, dáár. Hij wandelt net
de slijter binnen. Niet gezien? Geen nood, hij zal weldra verschijnen.
In de tussentijd zal ik u vermoeien met wat
persoonlijke details over Lodewijk: zesendertig jaar, een op het oog
vriendelijk persoon, misschien een beetje gewoontjes. Dik, bruin haar
met een slordige scheiding aan de rechterzijde van de schedel. Met
opzet natuurlijk, vanwege zijn wijkende haarlijn. Bril met zwart
montuur, dunne lippen en een vale teint. Verder netjes geschoren,
onopvallende kledij en goedkope schoenen. U ziet; Lodewijk doet denken
aan een manager van de lokale supermarkt.
En net zoals iedere supermarktmanager heeft Lodewijk
zo zijn dromen en verlangens. Ook hij wil graag succes in het leven,
een beetje warmte & liefde, een goed gevulde koelkast en een keur
aan televisieprogramma’s om uit te mogen kiezen. Op de warme dagen
drinkt hij graag enkele pilsjes, liefst een Belgisch merk aangezien hij
ooit eens een weekje in Hasselt doorbracht. Oh, en ik moest erbij
vermelden dat hij dagelijks fantaseert over het anaal inbrengen van een-
Ah, daar is hij weer.
Nu dan, laten we hem even volgen. Waarom? Geduld, daar komen we zo op.
Let wel, Lodewijk is niet de hoofdpersoon van dit verhaal, die komt zo
aan bod. Je zou hem eerder een bijrol toedichten, hoewel zijn aandeel
verre van marginaal te noemen valt. Ziet u die plastic tas in zijn
hand, waarop in kleurige letters de naam van de slijter vermeld staat?
Hoort u het klingelen? Inderdaad, dat zijn meerdere flessen vocht.
Sterke drank? Ja, uiteraard, ik durf zelfs te wedden dat het wodka is.
Wodka van een goedkoper merk, dat wel.
Nu weet ik dat hij vlak om de hoek van de slijter
woont. Handig, niet? En warempel, zei ik het niet? Redelijk pand, niet
echt opvallend. Past mooi bij zijn kleurloosheid, nietwaar?
Mooi zo, terwijl Lodewijk de trappen bestijgt (hij woont op de derde
verdieping) neem ik u even mee naar de verderop gelegen winkelstraat.
Klopt, drie blokken verder en dan onder de poort door. Eens kijken,
nee, niet daar. Een paar winkels verder.
Hier.
Jawel, dit is een Marokkaanse bakker. En dit is
Saïd, een goede vriend van Lodewijk. Eén van de weinige, eigenlijk.
Saïd is een vakman, zijn vader heeft hem alles geleerd. Ziet er
allemaal lekker uit, niet? Vertel eens Saïd, wat is dat allemaal in de
vitrine?
‘Nou, dat daar is basbousa, een soort griesmeelcake,
en dat noemen ze sfenj. Sorry? Ehm, vruchtencake, daar lijkt het op. En
harsha natuurlijk, een kruimelcake. Ja, veel zoetigheid inderdaad, daar
houden we van in Marokko. Net zoals de thee. Willen jullie misschien
een kopje?’
Ja, graag. Jullie ook? Ja? Lekker Saïd, doe maar …
zeshonderd kopjes thee, alsjeblieft. En wat van die … sfinsj?
‘Nee, sfenj.’
Ah oké. Sfenj.
‘Regel ik, moment.’
Best een geschikte pief, niet? Uitstekend, terwijl Saïd aan de gang
gaat met de waterkoker, zal ik jullie Lodewijk’s onderkomen tonen. Die
loopt net de deur uit, maar geen nood; hij komt Saïd opzoeken, dus we
treffen hem spoedig.
Drie verdiepingen en geen lift, nee, dat valt niet mee eh? Vooral voor de notoire bankzitters onder jullie, hm? Haha.
Hier is het.
Eens zien of die loper daadwerkelijk past. Jawel,
prima zelfs. Zo dan. Nu, van harte welkom in Lodewijk’s paleis. Mjah,
hij is nu niet wat je noemt “opruimerig van aard”. De woonkamer ziet er
nogal smerig uit inderdaad, kan ik alleen maar beamen. Wees blij dat ik
zijn slaapkamer achterwege laat. Voor het moment, althans. Dat
gestommel? Scherp opgemerkt, komt uit de badkamer. Daar komen we ook
voor. Oké, allemaal even stil, alstublieft. Waarom? Merkt u vanzelf.
Mag ik u allen voorstellen, dit is Loes. Waarom ze
een prop in haar mond heeft lijkt me duidelijk, niet? Eh ja, het is een
tamelijk zootje. Waar al dat bloed vandaan komt? Nou, zoals u ziet is
Loes onvrijwillig beroofd van haar armen en benen - geamputeerd als het
ware – en die liggen daar in de hoek, naast de blindenstok. Ja, die is
van haar, zeker weten. Wat zegt u? Waarom ze maar blijft bloeden? Nou,
ziet u die halfvolle fles wodka, daar op de wastafel? En dat infuus
daar? Ha ja, als je slechts een romp tot je beschikking hebt, is de nek
waarschijnlijk de beste plek om zo’n infuus aan te brengen. Nou, drie
maal raden wat er in die infusiefles zit.
…
Precies.
Best ingenieus niet? Nou ja, Loes heeft het nogal
druk meen ik, dus laten we eens luisteren wat Saïd en Lodewijk te
bespreken hebben, oké?
‘Lodewijk, gaat ie man?’
‘Best.’
‘Met mij minder, beetje slecht geslapen vannacht.’
‘Hm.’
‘Moet je wat hebben?’
‘Doe maar thee.’
‘En iets te eten?’
‘Nee, ik hoef die zoete bende niet, ik krijg er pijn in m’n maag van.’
‘Oké, oké, rustig maar.’
Routineus prepareert Saïd de thee met suiker en de gewassen takjes munt
in een theepot. Voor de zekerheid legt hij wat koekjes op een schaal
ernaast. Lodewijk telt ze. Twaalf. Twaalf stuks. En de tegels op de
vloer, ook al weet hij dat het er exact tweehonderdtwintig zijn.
‘Hee Lo, heb jij er-‘
‘Lodewijk.’
‘Lodewijk, sorry, ... heb jij ervaring met slaapwandelen?’
‘Nee.’
‘Oh. Nou ja, ik hoorde dus laatst, van mijn oom, dat de buurvrouw van zijn schoonzus daar erg last van had.’
‘Ah hm.’
‘Eh, ja. Koekje?’
‘Nee, dank je.’
‘Nou, wat er dus gebeurde: die buurvrouw stond midden in de nacht in de slaapkamer en-‘
‘Van wie?’
‘Van wie wat?’
‘In wiens slaapkamer ...’
‘Oh! Eh, die van de buurvrouw.’
‘Ze stond dus midden in de nacht in haar eigen slaapkamer?’
‘Neenee, ze stond in de slaapkamer van haar buurvrouw. En dan midden in de nacht.’
‘Oh. Ok.’
‘Ze stond dus in die slaapkamer, midden in de nacht,
en zeek vervolgens op de vloer, gewoon, staand. En daarna kroop ze bij
de buurvrouw in bed.’
‘In haar eigen bed?’
‘Nee, die van haar buurvrouw.’
‘Oh.’
…
‘En?’
‘Ehm, niks, dat was het. Weet je, ik heb trouwens
een goed idee voor een T-shirt opdruk, misschien moet ik in die handel
gaan werken, denk je niet?’
‘Geen idee. Ben je hier niet tevreden dan?’
‘Nou, … nee. Niet echt nee. Ik bedoel, het is wel
prima hoor, thee zetten en cake verkopen, … maar er moet toch meer te
doen zijn?’
‘Misschien wel ja. Wat had je nou verzonnen voor dat T-shirt?’
‘Ohja, ehm … ik heb het opgeschreven, hier ergens. Ik heb er trouwens meer bedacht.’
‘Werkelijk?’
‘Ja, wacht, … waar is dat papiertje … ah! Hiero! Oké, let op:
“Rasecht”.
‘Goed hé? Maar ik heb er nog meer: “Rasdier”, “Rashond”, “Raspaard”, Raspen”, en-’
‘Ik snap waar je heen wilt. Goed hoor.’
‘Ja? Vind je?’
‘Ach ja.’
‘Oh man, weet je, als ik dit van de grond krijg,
neem ik net zoals die gasten in die videoclips een dikke vette auto,
mooie kleren en sieraden en elke dag een ander wijf. En dan stop ik ze
gewoon vol met champagne! Ha!’
Lodewijk houdt de rondvliegende insecten in de gaten. Hij telt er acht.
‘Heb je nog wat leuks gedaan trouwens, net zoals
laatst, met die dame van het Leger des Heils? Dat was grof, man!’
‘Nou, …’
Vijfentwintig minuten later tingelt de deur. Een meisje in een rolstoel
rijdt zichzelf moeizaam naar binnen. Lodewijk’s ogen vernauwen zich.
Saïd merkt het.
‘Hòòòi …, dat ziet er lekker uit, in die vitrine. Ik
wil wel graag wat van die koekjes van je kopen, kan dat?’
‘Tuurlijk,’ zegt Saïd.
Lodewijk observeert en ziet dat het goed is. Knap, blond, fris
gezichtje. Sprekende ogen. Een magnifiek stel tieten onder een shirtje
vol lovertjes. Hij telt ze. Ze merkt het.
‘Hai, alles goed?’
‘Eh, … zeker. Mooi shirt.’
‘Ooh, dank je! Gewoon op de markt gevonden hoor.’
‘Staat je, … eh, mooi. Echt.’ Bloosde ze nu?
Saïd vraagt haar welke koekjes ze wilt.
‘Ehm, … oh wacht, heb je misschien een toilet?’
‘Ja tuurlijk, hierlangs. Red je dat, met je … rolstoel enzo?’
‘Echt wel, ik ben wel wat gewend hoor.’
Behendig manoeuvreert ze inderdaad langs de toonbank, de gang op naar
de toiletdeur. Het is blijkbaar breed genoeg en ze kan – ondanks haar
handicap - kortstondig op haar benen staan. Ze laat de rolstoel op de
gang staan, sjouwt zichzelf naar binnen en sluit de deur achter zich.
Intussen, in de winkel, weet Saïd dat Lodewijk iets van plan is.
‘Ga je het doen?’
‘Sst.’
‘Maar ik wil je helpe-’
‘Sst!’
Lodewijk glijdt langs de toonbank, gebaart naar Saïd dat hij de
voordeur in de gaten moet houden en neemt een handdoek mee van de haak
in de gang. Uit zijn borstzak haalt hij een bruin flesje en giet wat op
de handdoek. Deze houdt hij wijselijk bij zijn gezicht vandaan. De
rolstoel schuift hij stilletjes opzij. Saïd kijkt gespannen mee om de
hoek. Lodewijk sist hem toe dat hij moest opletten.
Een zachte klik, de toiletdeur opent zich.
Een busje, met daarop een reclame-uiting in Arabisch schrift, stopt in
de straat. Lodewijk stapt uit, spiedt in het rond en controleert of er
iemand op hem zit te letten. Nee. Niemand. Hij opent de achterdeur van
het busje en sjouwt een gestalte over zijn schouder het huis binnen,
via het trapportaal omhoog. Een korte poos later keert hij terug bij de
bus, tilt een opgevouwen rolstoel eruit en rijdt deze naar binnen. Weer
even later stapt hij in de bus en parkeert deze drie straten verderop.
Terug in het halletje van de flat zet hij de rolstoel weg in zijn
berging. Hij moet eerst ruimte maken om het ding kwijt te kunnen. Langs
de wand staan nog (één, twee, drie …) drie andere rolstoelen.
‘Da’s voor latere zorg,’ mompelt hij voor zich uit, terwijl hij omhoog klimt en de traptreden telt.
Het meisje uit de winkel heeft hij op zijn smoezelige matras
vastgesnoerd. De telefoon gaat. Saïd. Vanuit de winkel. Hij vraagt of
het al begonnen is, ongeduldig als hij is.
‘Die klok schiet niet op man!’
Lodewijk hangt op, en ontdoet zich daarna van Loes
door de levenloze romp bedreven in stukken te hakken met een hakbijl.
Soepel gaat het allerminst, dus slijpt hij de bijl een beetje bij in de
keuken. Het meisje op zijn bed murmelt eventjes, licht gewekt door de
hak -en slijpgeluiden. Naderhand propt hij alle onderdelen in twee
koffers.
‘Oy, ik vergeet wat!’
De blindenstok breekt hij in drieën over zijn knie
en propt deze in één van de koffers. Tijdens het openen van de koffer
gulpt rode massa als een klas kinderen op hun laatste schooldag naar
buiten. Terwijl hij de koffer weer dicht perst, realiseert hij zich dat
het grootste karwei dan nog moet beginnen; het schrobben van de
badkamer.
‘Leuk idee, met die alcohol, maar de volgende keer moet dat anders.’
Al met al zal het hem in totaal twee uur kosten.
Zeventien uur veertien. Saïd sluit de winkel haastig af en snelt naar
de woning van Lodewijk. Vandaag heeft hij een record gevestigd:
opruimen, kassa opmaken en afsluiten in dertien minuut vierenveertig.
Gejaagd drukt hij op de bel in de galerij. Als hij eindelijk boven is
zwoegt zijn borstkas en is zijn kledij doornat van het zweet.
‘Kolere man, dat valt niet mee, eerst hierheen
rennen omdat jij die bus hebt en dan ook nog al die trappen op!’
‘Stil, anders wordt ze wakker’, zegt Lodewijk
terwijl hij naar zijn slaapkamer gebaart. Hij start net het
wasprogramma op.
‘Oh ja. Sorry. Mag ik ‘er even zien?’
‘Even dan.’
Getweeën kijken ze toe het meisje onrustig met haar hoofd heen en weer
rolt in haar slaap. Ze ademt onregelmatig door haar neus, want haar
mond zit dichtgeplakt met duc tape. Haar benen bewegen niet.
‘Mooi is ze hé?’
‘Ja man, geile griet, wat je zegt.’
Eventjes kijkt Lodewijk misprijzend opzij naar zijn Marokkaanse kompaan. De slaapkamerdeur duwt hij weer dicht.
‘Ze heet Magda. Magda Meertens. Ik heb in haar portemonnee gekeken. Is dat geen mooie naam?’
‘Tuurlijk man, tuurlijk. Hé, maar wat ga je met haar doen? En mag ik dit keer meedoen?’
‘Nou …’
‘Aah toe nou man! Ik beloof je dat ik dit keer niet zal kotsen, echt! Echt, ik beloof het!’
‘Je mag eerst die twee koffers daar zien kwijt te raken, daarna zal ik het overdenken, goed?’
‘Oké oké! Ga ik voor je regelen, let maar op!’
Enthousiast grijpt Saïd de twee hengsels vast en kreunt onmiddellijk bij het optillen.
‘Tering, zwaar man! Wat zit hier in man!?’
‘Etensresten, ga nu maar. Oh, hier is je sleutel, de bus staat op het plein, halverwege.’
‘Helemaal daar! Waarom in vredesnaam?!’
‘Ga nu maar, voor ik van gedachten verander. En
Saïd, als ik “kwijt” bedoel, bedoel ik ook echt kwijt, oké? Dat gedoe
met die slager destijds was ronduit beschamend.’
‘Oké, oké, sorry, dat was maar een geintje. Ik ben al weg.’
En weg is Saïd.
De wastrommel draait op de achtergrond terwijl Lodewijk stilletjes de
slaapkamer binnensluipt en op bed gaat zitten. Hij meende het serieus.
Het was werkelijk een mooi meisje om te zien. Aan de andere kant, waren
ze dat niet allemaal? Uiteindelijk draaide het toch weer op hetzelfde
uit. Hij bekeek haar benen. Goed geproportioneerd, mooie glanzende
huid. Alleen de ongemakkelijke hoek waarin de rechter lag, verried dat
deze voor haar onbruikbaar was. Zacht gekreun.
Ze ontwaakt.
In tegenstelling tot eerdere gasten, ontwaart
Lodewijk geen angst in haar ogen. Eerder, … provocatie. Hij buigt naar
haar toe en legt zijn vinger tegen zijn lippen.
‘Sst. Als je belooft niet te schreeuwen, zal ik de prop weghalen. Oké?’
Ze knikt. Haar ogen twinkelen zelfs kortstondig, alsof ze geamuseerd
is. Met een venijnig rukje trekt hij de duc tape eraf. Verrast – en
startklaar om in te grijpen – merkt hij dat ze inderdaad niet begint te
schreeuwen. Nog niet misschien?
‘Hallo zeg, dat was onaangenaam. Doe je dat wel vaker, stouterik?’
‘Ehm, …’
‘Hoef je geen antwoord op te geven hoor. En wie was die vriendin van je?’
Lodewijk’s beurt om te blozen nu.
‘Hé, uh, ik ben geen homo ofzo.’
‘Nee schat, niet die schoonmaak Turk van je, maar de shashlik die hij zojuist in twee koffers meenam.’
‘Maar hoe-?’
‘Kwestie van goed je adem inhouden. Je maakt een hoop herrie, wist je dat?’
‘Uhm …’
Lodewijk telt de motieven op de matras, om zijn gedachten te ordenen.
Had hij het dan toch bij het rechte eind? In een eerste opwelling wilde
hij dit exemplaar laten passeren, omdat ze nogal, … assertief overkwam.
Maar nauwelijks een seconde later had ze, … iets in hem
aangewakkerd. Wát wist hij op dat moment niet, maar het was reden
genoeg om haar zich alsnog toe te eigenen. Moest hij haar, nu ze zo
impertinent overkwam, dan conditioneren? Was dat de bedoe-?
‘Je hebt mooie ogen. Vooral als je zo diep nadenkt. Heeft iemand je dat al eens verteld?’
‘Eh, …’
‘Nou ja, eerst maar eens de puntjes op de i. Waar heb je mijn rolstoel gelaten?’
‘Eh, beneden. In de berging.’
‘Mooi zo, haal ‘em even, wil je? Niet dat ik
gehandicapt ben zonder, maar voorlopig loop ik nu eenmaal moeilijk.
Fibreuze dysplasie en de reguliere wachtlijst, snap je?’
‘Fibreuze dysplasie?’
‘Jaja, een botziekte. Allemaal heel vervelend en
naar enzo, maar zo gaat dat. Komt vast goed. Ga je die rolstoel nog
halen?’
Confuus verlaat Lodewijk zijn woning, de trap af. Halverwege besluit
hij om te keren, om dan alsnog af te dalen. De twijfel verscheurt hem.
In zijn broekzak voelt hij een stiletto branden, maar zijn bloeddorst
tempert constant als hij aan haar denkt. Met name haar ogen. Die grote,
priemende, blauwe ogen.
Na enkele ogenblikken wikken en wegen, daalt hij af
naar de berging om haar rolstoel op te halen. Voor de berging staat hij
wederom seconden lang te dralen – en kiest uiteindelijk voor een
wandeling. Dit kan en mag hij niet te lichtzinnig opnemen. Buiten op
straat, in gedachten verzonken bemerkt hij niet dat Saïd hem passeert,
naarstig op zoek naar een parkeerplaats.
Boven, kampt Magda met evenzoveel twijfel. Toen de verlegen jongeman
haar opnam, in de winkel, voelde zij zich … zich warm worden van
binnen. Een gevoel dat zich sedert lange tijd aandiende als een oude
vriend, van wie zij niet had gedacht dat ze hem weer zou ontmoeten. Ook
na de ontvoering en na het ontleden van zijn vorige slachtoffer (welke
ze daarnet tot in detail en volledig bij zinnen meemaakte) ging dat
gevoel niet weg. Hoe zijn attitude radicaal veranderde, van timide naar
een roofdier, wond haar zelfs op. Vreemd. Verbijsterend, misschien.
Maar niet onoverkomelijk voor haar. Haar route des levens was alles
behalve uitgestippeld, … hoewel? Misschien liep er nu ergens een kras
over de kaart die men als een flauwe bocht kon beschouwen? Of een
ingrijpende wegomlegging? Zou hij haar praatjes doorzien zijnde een
ultieme brutale poging zichzelf eruit te kletsen? Was ze nu echt gecharmeerd van hem, of was het puur uit belangstelling voor zijn dadendrang? Ze wist het niet.
Er komt iemand binnen.
‘Hé, wat is dit nu weer?’
Saïd stormt ongevraagd de slaapkamer binnen en bekijkt Magda alsof het bed vol larven ligt.
‘Waarom staat de voordeur open? En waar is Lodewijk?’
Hij springt bij haar op bed en geeft haar een mep met de vlakke hand. Spottend kijkt ze hem aan.
‘Hij heet dus Lodewijk. En jij bent?’
‘Kop dicht, hoer! Ik vroeg je wat! Waar is hij?’
Hij heft zijn arm om een nieuwe klap uit te delen. Ze krimpt ineen.
‘Geen idee. Hij zal zo wel terugkomen, denk je niet?’
Saïd geeft haar alsnog een mep en staat dan op. Besluiteloos ijsbeert
hij de kamer rond. Zou het een test zijn? Een test om aan te tonen in
welke mate zijn aanwezigheid een waardevolle toevoeging te noemen valt?
Peinzend loert hij naar Magda. Een loeder is het, dat was hem meteen
duidelijk. Zo brutaal als die teef naar hem kijkt. Maar waarom heeft ze
geen prop in haar mond? Dan kan ze toch de buurt bij elkaar schreeuwen?
Dat is toch amateuristisch?
‘Zozo, dus jij bent het “hulpje”, hm?’
‘Kop dicht, manke hoerekut, anders sla ik hem dicht.’
‘Oh nou nou, jij hebt zeker huisarrest gehad afgelopen weekend, niet? Hoe oud ben je eigenlijk?’
‘Hé! Ik waarschuw je hoor!’
‘Oh, best hoor. Zeg, heb je die koffers wel goed geloosd?’
‘Hoe weet-?’
‘Ik ben van nature alert. Hé, wacht eens, jij bent die Marokkaanse bakker, geen schoonmaak Turk.’
‘Ja trut, reuze alert. Jammer dat je niet meer kan
koketteren met je handicap, we gaan je afmaken! Begrijp je dat,
kutwijf!?! Afmaken!’
‘Jaja, tuurlijk. Maar hoe oud ben je nu?
‘Gaat je geen moer aan.’
‘Nee? Heb je al eens geneukt? Je weet wel, die harige frikandel bij je zusje erin hangen enzo?’
Saïd springt weer op haar af en geeft haar ditmaal een stomp. Hard
genoeg om haar het bewustzijn te doen verliezen. Triomfantelijk plakt
hij haar mond af met duc tape en steekt een sigaret op.
Twintig minuten later nog steeds geen Lodewijk. Hij
gooit zijn tweede sigaret in een glazen vaas op het nachtkastje die als
asbak fungeert. De peuk smeult nog na, dus gooit hij er een glas water
bovenop. Zonder protest dooft de sigaret.
Magda murmelt weer.
Hij stapt op haar af, grijpt een handvol haar en trekt haar half overeind.
‘Nog steeds een grote bek, hm? Kutwijf.’
Hij bespeurt een lichte paniek in haar ogen. Prima, zo hoort het ook. Ze probeert wat te zeggen.
‘Oké, ik zal de prop weghalen, maar waag het eens te schreeuwen; ik maak je af, begrepen?’
Ze knikt welwillend.
‘Ik bedoelde het niet lullig, van dat neuken, echt.
Maar als jullie mij echt gaan afmaken, heb ik wel een verzoek. Wil je
mij een gunst verlenen? Alsjeblieft?’
‘Vertel, en ik zal kijken of het kan.’
Met een rechte rug staat Saïd daar, gebalde vuisten in de zij en borst vooruit.
‘Ik, … ik, … je moet begrijpen dat, … Kijk, het zit
zo: vanwege mijn handicap is het lang, té lang geleden dat ik, … nou
ja, … je weet wel. Seks.’
‘Seks?’
‘Ja, seks. Ik heb al heel lang geen seks meer gehad.
Een meisje in rolstoel, dat nodigt niet echt uit, begrijp je. Mannen
vermijden mij of vinden me zielig.’
‘Eh, ja. Ik snap het.’
‘En als jullie mij, … nou ja, … gaan afmaken, dan
zou ik graag, … eh, je weet wel, … voordat het zover is, begrijp je?’
‘Eeeh, … ik weet niet of …’
‘Of Lodewijk dat ziet zitten? Maar dat maakt toch
niet uit? Alsjeblieft, voordat ik sterf zou ik zo graag weer eens een
echte man willen voelen. Wil je me helpen?’
‘Maar je benen …?’
‘Ach, daar merk je niks van, je hoeft ze alleen maar opzij te schuiven.’
Saïd contempleert. En beseft dat hij dit soort kansen niet vaak zal
krijgen. Maar red ik dat wel? Misschien komt Lodewijk zodirect binnen
en maakt hij mij dan vervolgens ook af?
‘Nee nee, nee, daar begin ik niet aan. Mooi niet.’
‘Aah toe?’
‘Nee, echt niet. Ik wil Lodewijk niet kwaad maken.’
‘Maar dat zal hij vast niet zijn! Alsjeblieft, ik
verlang zo naar een harde pik, en nu hoef je me nog niet te delen met
Lodewijk.’
‘Hou je bek! Je weet niks van hem! Ik doe het niet.’
‘Mag ik je dan pijpen? Alsjeblieft? Ik slik, echt. Geen troep enzo. Maar we moeten dan wel opschieten.’
Nauwelijks een minuut later schuift ze Saïd’s besneden lul behendig
tussen haar lippen, likt eraan, spuugt erop en bewerkt hem met haar
hand. Haar handen heeft hij losgemaakt, op haar verzoek.
Het mag allemaal niet baten. Saïd raakt geen moment
opgewonden, hoezeer zij ook haar best doet. Hij schuift haar truitje
omhoog en knijpt in haar tieten, hij denkt aan die clip van die ene
rapper; het helpt niet. Het enige dat hij voortdurend voor zich ziet is
de inhoud van één van de koffers die hij eerder uit nieuwsgierigheid
opende voordat hij ze in het kanaal zou dumpen. Al dat roze en blauwe
vlees stulpte eruit. In niets leek die blubberige massa meer op een
mens. Met moeite moest hij alles terug erin proppen en op de koffer
zitten om hem dicht te krijgen. Het spreekt vanzelf dat hij alle
genuttigde zoete cakejes van vandaag als een mitrailleur uitkotste.
‘Stop maar, het gaat niet’
‘Nee wacht, het gaat me lukken, wacht nog eventjes.’
‘Nee! Stop ermee, zeg ik!’
‘Oké wacht.’
Met al haar kracht bijt ze op zijn halfslappe penis en rukt haar hoofd
achterover. Ze bijt hem niet helemaal door, maar het grootste gedeelte
van het penisvlees schuift een stukje naar voren, terwijl de
urineleider als een rietje van vlees achter blijft. Als een gewond dier
krimpt hij gillend in elkaar, onderwijl telkens schreeuwend:
‘Kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb
je gedaan, kankerwijf, wat heb je gedaan, kankerwijf, wat heb je ge-!’
Zijn mantra wordt onderbroken door het geluid van
een brekende glazen vaas die met volle vaart op zijn hoofd uiteenspat.
Bloed stroomt van zijn lenden en zijn kruin. Met een van pijn
vertrokken gezicht kijkt hij omhoog, net op tijd om te zien hoe Magda -
krijsend als een dolle aap en met een mond vol bloed – de gebroken vaas
in zijn gezicht ramt. De scherven boren zich in zijn oog en wang en
ketsen deels af op zijn kin, waardoor het bot versplintert. Ze trekt de
vaas terug en drukt hem nog eens in zijn gezicht, dan in zijn keel, nog
eens in zijn gezicht en op dat moment loopt Lodewijk binnen. Hij
negeert de hevig bloedende Saïd volkomen en richt zich tot Magda, alsof
hij de tekst uit zijn hoofd heeft geleerd.
‘Ik heb eindelijk een besluit genomen.’
Langs het kanaal kijken Magda en Lodewijk toe hoe het busje verzwolgen
wordt door het water. Saïd ligt als het goed is al op de bodem, bijeen
gepakt in de laatste koffer uit Lodewijk’s voorraad.
Ze zwijgen. Een deken van antraciet aan de hemel
bedekt hun verholen gedachten. Ze wachten, net zoals een familie
eendjes aan de overzijde, tot het water stopt met rimpelen.
Uiteindelijk zwijgt het wateroppervlak ook.
‘Je begrijpt dat we hier niet kunnen blijven? En hoe zit dat met die wachtlijst van je?’ ‘Kan ik voor terugkomen. Zonder problemen. Ik ben gehandicapt, weet je nog? En ik kan heel lief lachen.’
Ze glimlacht als ze hem gebaart naar zich toe te buigen. En zijn hunkering bezegelt met een kus.
Lodewijk voelt de vlinders in zijn buik, en stopt voorlopig niet met tellen. |