De hut, waar het allemaal eigenlijk begint
Het Mausoleum, voor al uw oude koeien
Tattoo-Log, sommigen kunnen niet zonder
Inteelt, bij de gratie van

  

 

Prehistorisch

01 Okt - 31 Okt 2005
01 Aug - 31 Aug 2005
01 Jul - 31 Jul 2005
01 Jun - 30 Jun 2005
01 Mei - 31 Mei 2005
01 Feb - 28 Feb 2005
01 Dec - 31 Dec 2004
01 Nov - 30 Nov 2004
01 Okt - 31 Okt 2004
01 Sep - 30 Sep 2004
01 Aug - 31 Aug 2004
01 Jul - 31 Jul 2004
01 Jun - 30 Jun 2004
01 Mei - 31 Mei 2004
01 Apr - 30 Apr 2004
01 Mrt - 31 Mrt 2004
01 Jan - 31 Jan 2004
01 Dec - 31 Dec 2003
01 Nov - 30 Nov 2003
01 Okt - 31 Okt 2003
01 Sep - 30 Sep 2003
01 Aug - 31 Aug 2003
01 Jul - 31 Jul 2003
01 Jun - 30 Jun 2003
01 Mei - 31 Mei 2003
01 Apr - 30 Apr 2003
01 Mrt - 31 Mrt 2003
01 Feb - 28 Feb 2003
01 Jan - 31 Jan 2003
01 Dec - 31 Dec 2002
01 Nov - 30 Nov 2002
01 Okt - 31 Okt 2002
01 Sep - 30 Sep 2002

 
 
 
 
 

 

Iets kwijt?

 
 
 
 

 

Al deze vervuiling mede dankzij

PIVOT
DIGIZAAL

 

Iets op uw lever?

 

Reclame!

 

 

Tattoo Johnny Tattoo Designs World Famous Tattoo Design Gallery - Thousands of Tattoo Designs - Created by top tattoo artists and illustrators

 

 

Download Tattoo Designs for every Lifestyle

 

 

 

Het gaat niet geheel onopgemerkt

Bonhomie
29 Jun '05 -
Koud. Takken zonder bladeren. Autodaken waar de rijp zich tevreden op nestelt. De straten bieden slechts een troosteloze aanblik, terwijl de geur van boeuf rôti de huizen vult. Warm gestookte vertrekken met tafels vol elegante glazen, rijkelijk gevuld met wijnen uit glorieuze jaren.
    De Lach schalt onophoudelijk.

Dit alles ging allemaal voorbij aan Otto. Argeloze voorbijgangers zouden hem in vroegere tijden aanduiden als een vagebond - tegenwoordig noemt men hem een doodgewone zwerver. En Otto, ooit door derden geïntroduceerd als een erudiet mens, beschikt over nagenoeg afdoende zelfkennis om dit te beamen.
    ‘Scheer je weg man, en zoek een baan,’ kreeg hij meer dan eens te horen, als hij zich weer eens verwaardigde en een passant om een aalmoes vroeg.
    ‘Weledelgestrenge heer, hebbu wellicht een paar knaken voor deze arme oude man?’
    Hoewel uiterst beleefd gesteld, het baatte niet. Men liet hem veelal zonder erbarmen achter, alleen met zijn schaamte. En Wammes, zijn trouwe bastaardhond.

Zijn laatste bezigheden samenvattend, kwam hij tot de conclusie dat men een persoon die de vele afvalbakken onderzocht in de hoop iets eetbaars te ontwaren, met recht als een zwerver mocht bestempelen. Hij zou het zelf ook liever anders zien, maar de Waarheid spaart niemand. Op andere continenten kan men daarover meepraten.

De afgelopen dagen hadden voor hem weinig positieve randjes in petto. Maar hij hield moed. Geluk en warmte zijn aardse zaken, en eenieder in zijn leven kan rekenen op het deel dat hem toekomt, hoe miniem ook.
Mijmerend, onder de brug, en gehuld in zijn favoriete (en enige) slaapzak, werd hij uit zijn lethargie gewaakt door een voorbij fladderend pamfletje. Het bleef hangen aan zijn slaapgoed. Otto plukte het eraf, en bestudeerde het belangstellend:

“Benefietdiner heden volgeboekt”

Deze simpele, doch sierlijk gedrukte woorden vervulden hem met een melancholisch gevoel, een onstuitbare hang naar een verleden waarin hijzelf de hoofdrol vertolkte aan een tafel, omringt door een gezelschap dat hem nader stond.
    ‘Ach, dat men zich maar tegoed aan al die lekkernijen doet. Het zij ze gegund, de saamhorigheid leeft in ieders hart en het geluk zal zijn warme stralen loslaten op al die daar getuige van zijn.’
    Glimlachend verwarmde hij zich aan deze gedachte, en soesde geleidelijk aan in slaap.

    ‘Otto, … Otto Mollema, wakker worden. Wakker worden.’
    ‘Hurmz?’
Rochelend en krakend kwam Otto overeind.
    ‘Otto? Kom, wakker worden. Het is tijd.’
Otto kneep zijn ogen tot spleetjes, maar zag niemand. Hij wreef hard in zijn ogen, maar kon ook daarna niemand ontwaren.
    ‘Wie is daar? Laat jezelf zien. Ik ben slechts een oude man, dorstig en louter in het bezit van klamme voeten.’
    ‘Kom, Otto, het is tijd. Sta op,’ sprak de stem tot hem.
Otto stond op. Hij begreep niet waar de stem vandaan kwam, maar voldeed aan zijn verzoek, sinds de stem met compassie omfloerst was. Iets dat Otto nog maar zelden meemaakte, in zijn hoedanigheid van een stinkende hulpbehoevende. Eén met zweren en een natgescheten pantalon. Wammes piepte even.
    Hij zag het.

Aan de overzijde van de gracht, verankerd in de gevel van de kerk, sprak de beeltenis tot hem. Otto gleed als het ware uit zijn slaapzak, en dreef op satijnen kussens richting de kerk. Het verbaasde hem nauwelijks dat hij, bij het achterom kijken, zichzelf nog altijd in de slaapzak zag liggen, met Wammes aan zijn voeten. Zijn lichaam, vredig, bevroren en voor altijd bevrijd van zijn aardse behoeften. Futiliteiten, meer niet.
    ‘Arme Wammes. Het ga je goed, jongen.’
    
Terwijl hij naar de beeltenis dreef, voelde hij de warmte toenemen, en de gloed van goedmoedigheid uitte zich, naarmate hij dichterbij kwam, in een zachtgeel schijnsel. Hoewel Otto zichzelf nimmer als een gelovig mens beschouwde, eerder één die de ratio boven alles verkoos, vervulde het licht hem met de notie dat zijn leven nog nooit zo compleet was. Hij sloot zijn ogen. Spreidde zijn armen uit. Aanzwellend psalmgezang vulde zijn oren. En daar tussendoor kwam diezelfde stem terug, een stem vol overtuiging, maar ook innig, als een vader die je eeuwige bescherming garandeerde:

    ‘Ik, … ben je herder, Otto, en ik ken de mijne en de mijne kent mij, gelijk mij de Vader kent en ik de Vader ken, en ik riskeer mijn leven voor mijn schapen …’

Alsmaar dichterbij dreef Otto, zodanig dat hij de bron van het alomvattende licht bijna kon aanraken. De stad was niks meer dan een silhouet onder zijn voeten.
    
    ‘… andere schapen volgen mij, soms uit de andere weide; ook die zal ik leiden en zij zullen naar zijn stem luisteren en het zal verworden tot één kudde, één herder …’

Hij strekte zijn handen uit, en merkte dat de granieten structuur van de beeltenis niet koud aanvoelde, maar levend. Levend met zachte vormen. Levend met ademende poriën. Hij werd omvat door barmhartige handen en liet zich zachtjes wiegen. Zo vertrouwd als de moederschoot waarvan zijn essentie ooit ontkiemde.

    ‘En de glorie, die gij mij geschonken hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn …’

    ‘Oké, da’s allemaal prima enzo, maar hebbu misschien een paar knaken voor mij?’

link to this.. | 11:13 | dreadloki | 18 hadden wat