Koud. Takken zonder bladeren. Autodaken waar de rijp zich tevreden op
nestelt. De straten bieden slechts een troosteloze aanblik, terwijl de
geur van boeuf rôti de huizen vult. Warm gestookte vertrekken met
tafels vol elegante glazen, rijkelijk gevuld met wijnen uit glorieuze
jaren.
De Lach schalt onophoudelijk.
Dit alles ging allemaal voorbij aan Otto. Argeloze voorbijgangers
zouden hem in vroegere tijden aanduiden als een vagebond - tegenwoordig
noemt men hem een doodgewone zwerver. En Otto, ooit door derden
geïntroduceerd als een erudiet mens, beschikt over nagenoeg afdoende
zelfkennis om dit te beamen.
‘Scheer je weg man, en zoek een baan,’ kreeg hij
meer dan eens te horen, als hij zich weer eens verwaardigde en een
passant om een aalmoes vroeg.
‘Weledelgestrenge heer, hebbu wellicht een paar knaken voor deze arme oude man?’ Hoewel uiterst beleefd gesteld, het baatte niet. Men liet hem veelal
zonder erbarmen achter, alleen met zijn schaamte. En Wammes, zijn
trouwe bastaardhond.
Zijn laatste bezigheden samenvattend, kwam hij tot de conclusie dat men
een persoon die de vele afvalbakken onderzocht in de hoop iets eetbaars
te ontwaren, met recht als een zwerver mocht bestempelen. Hij zou het
zelf ook liever anders zien, maar de Waarheid spaart niemand. Op andere
continenten kan men daarover meepraten.
De afgelopen dagen hadden voor hem weinig positieve randjes in petto.
Maar hij hield moed. Geluk en warmte zijn aardse zaken, en eenieder in
zijn leven kan rekenen op het deel dat hem toekomt, hoe miniem ook.
Mijmerend, onder de brug, en gehuld in zijn favoriete (en enige)
slaapzak, werd hij uit zijn lethargie gewaakt door een voorbij
fladderend pamfletje. Het bleef hangen aan zijn slaapgoed. Otto plukte
het eraf, en bestudeerde het belangstellend:
“Benefietdiner heden volgeboekt”
Deze simpele, doch sierlijk gedrukte woorden vervulden hem met een
melancholisch gevoel, een onstuitbare hang naar een verleden waarin
hijzelf de hoofdrol vertolkte aan een tafel, omringt door een
gezelschap dat hem nader stond.
‘Ach, dat men zich maar tegoed aan al die
lekkernijen doet. Het zij ze gegund, de saamhorigheid leeft in ieders
hart en het geluk zal zijn warme stralen loslaten op al die daar
getuige van zijn.’
Glimlachend verwarmde hij zich aan deze gedachte, en soesde geleidelijk aan in slaap.
‘Otto, … Otto Mollema, wakker worden. Wakker worden.’
‘Hurmz?’
Rochelend en krakend kwam Otto overeind.
‘Otto? Kom, wakker worden. Het is tijd.’
Otto kneep zijn ogen tot spleetjes, maar zag niemand. Hij wreef hard in zijn ogen, maar kon ook daarna niemand ontwaren.
‘Wie is daar? Laat jezelf zien. Ik ben slechts een
oude man, dorstig en louter in het bezit van klamme voeten.’
‘Kom, Otto, het is tijd. Sta op,’ sprak de stem tot hem.
Otto stond op. Hij begreep niet waar de stem vandaan kwam, maar voldeed
aan zijn verzoek, sinds de stem met compassie omfloerst was. Iets dat
Otto nog maar zelden meemaakte, in zijn hoedanigheid van een stinkende
hulpbehoevende. Eén met zweren en een natgescheten pantalon. Wammes
piepte even.
Hij zag het.
Aan de overzijde van de gracht, verankerd in de gevel van de kerk,
sprak de beeltenis tot hem. Otto gleed als het ware uit zijn slaapzak,
en dreef op satijnen kussens richting de kerk. Het verbaasde hem
nauwelijks dat hij, bij het achterom kijken, zichzelf nog altijd in de
slaapzak zag liggen, met Wammes aan zijn voeten. Zijn lichaam, vredig,
bevroren en voor altijd bevrijd van zijn aardse behoeften.
Futiliteiten, meer niet.
‘Arme Wammes. Het ga je goed, jongen.’
Terwijl hij naar de beeltenis dreef, voelde hij de warmte toenemen, en
de gloed van goedmoedigheid uitte zich, naarmate hij dichterbij kwam,
in een zachtgeel schijnsel. Hoewel Otto zichzelf nimmer als een gelovig
mens beschouwde, eerder één die de ratio boven alles verkoos, vervulde
het licht hem met de notie dat zijn leven nog nooit zo compleet was.
Hij sloot zijn ogen. Spreidde zijn armen uit. Aanzwellend psalmgezang
vulde zijn oren. En daar tussendoor kwam diezelfde stem terug, een stem
vol overtuiging, maar ook innig, als een vader die je eeuwige
bescherming garandeerde:
‘Ik, … ben je herder, Otto, en ik ken de mijne en de
mijne kent mij, gelijk mij de Vader kent en ik de Vader ken, en ik
riskeer mijn leven voor mijn schapen …’
Alsmaar dichterbij dreef Otto, zodanig dat hij de bron van het
alomvattende licht bijna kon aanraken. De stad was niks meer dan een
silhouet onder zijn voeten.
‘… andere schapen volgen mij, soms uit de andere
weide; ook die zal ik leiden en zij zullen naar zijn stem luisteren en
het zal verworden tot één kudde, één herder …’
Hij strekte zijn handen uit, en merkte dat de granieten structuur van
de beeltenis niet koud aanvoelde, maar levend. Levend met zachte
vormen. Levend met ademende poriën. Hij werd omvat door barmhartige
handen en liet zich zachtjes wiegen. Zo vertrouwd als de moederschoot
waarvan zijn essentie ooit ontkiemde.
‘En de glorie, die gij mij geschonken hebt, heb ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk wij één zijn …’
‘Oké, da’s allemaal prima enzo, maar hebbu misschien een paar knaken voor mij?’ |