Purificatie
#1
We
schrijven het jaar 504. Een jaar waarin vele drastische veranderingen
de complete wereldgeschiedenis een ander aangezicht gaven. Maar
geen verandering ingrijpender dan de opkomst van die ene man.
Die ene man, wiens naam velen deed sidderen. Niemand, maar dan
ook niemand durfde die naam hardop uit te spreken.
Cearnaigh
Oigthierna van de MacGeoghegan-clan overzag de stapels lijken
waarmee zijn pad door de woeste vallei bezaaid was. Lichaamsdelen,
geen van hen op dezelfde wijze losgehakt, leken een hoog niveau
kruiswoordpuzzel voor te stellen. Ranke boompjes, in de bloei
van hun leven, hingen mentaal geknakt in bizarre poses aan weerszijden,
alsof ook zij de strijd opgegeven hadden. Zijn lijf voelde vermoeid
aan. Behoorlijk vermoeid, maar voldaan. Een lendedoek, het enige
noemenwaardige stuk textiel die de aanmerkelijk zwakkere kant
van zijn massief gespierde lichaam verhulde, stond stijf van het
opgedroogde bloed. De dikke lederen riem om zijn middel - ooit
gekregen van een bijzondere vriendin die uiterst bekwaam was in
de edele leer van 'srùbadh' - hing als een molensteen om
zijn smalle heupen vanwege het vele zweet dat het leer gaandeweg
had opgezogen. De bijbehorende bronzen gesp hing als een onzedelijk
voorbehoedsmiddel tussen zijn dijen, en hield daarmee de felbrandende
zon op gepaste afstand. Zijn bijl vertoonde slijtage. Een stukje
oog bleef hardnekkig aan het blad plakken.
Het
gegil verstomde nooit in zijn hoofd. Deze symfonie kende geen
einde. De doodskreten waren zijn enige vrienden. Ook gedurende
de koude, stille nachten konden ze bij hem aankloppen. Nimmer
vergeefs. Met zijn dode broeders hield hij innige conversaties.
Over legendes. Over sterke drank. Over vrouwen, en het vlees aan
hun botten. Opgave kende hij niet. De geur van gestold bloed zou
voor zijn gevoel permanent in zijn neus blijven hangen deze komende
jaren.
"Maar
op dit moment overheerst de geur van hondenpoep onder mijn sandalen,
godverdomme!!"
Purificatie
#2 - Cocoonen bestond nog niet
Cearnaigh
Oigthierna van de MacGeoghegan-clan (Oggy voor vrienden) veegde
kwaad zijn besmeurde sandalen af aan een afgehakt stuk hoofd wat
stomtoevallig binnen handbereik lag. Dat ging niet onaardig, daar
het een flink bebaard hoofd betrof. "Honden, dat zijn
pas ondieren!" Oreerde hij tegen het met poep besmeurde
stuk hoofd. Veel respons kreeg hij niet terug.
Hij
keek om zich heen en telde, zo goed en zo kwaad als het ging,
het aantal kadavers. Voor zover hij wist bestond de MacGillycuddy-clan
uit een mannetje of tweehonderd en de teller tot dusverre stokte
rond de honderd achtennegentig. Hij was dus nog niet helemaal
klaar.
Hij
besloot voor zichzelf dat het broodnodig tijd werd voor een maaltijd,
een flinke kan bier (of twee), een bad en mocht hij de puf nog
hebben tegen die tijd, een zuigbeurt. Hoelang was het alweer geleden,
zijn laatste 'srùbadh'? Te lang, zoveel was wel
zeker.
Slechts
één snerpend fluitje tussen zijn tanden en Kyme,
zijn trouwe zwarte ros, vond de weg probleemloos naar zijn baasje.
Oggy besteeg zijn bolide en gaf gas richting het dichtsbijzijnde
dorp. Her en der wat zwak doodsgereutel begeleidde zijn weg uit
de woeste vallei.
De
taveerne was snel gevonden en de herbergier schatte deze klant
op waarde. Eten, drinken, een warm bad, het mocht deze gast aan
niets ontbreken. Een blik op de machtige spierbundels en de roodkorstige
hakbijl waren voldoende om tot deze conclusie te komen.
Een
uur later genoot Oggy intens van een warme bad. "In deze
barre tijden is het van uiterst belang dat men de tijd neemt om
te onthaasten. De stress van het hakken en plunderen pleegt roofbouw
op een mens, en veroorzaakt maagzuur en andere vervelende kwaaltjes."
Een speels glimlachje gleed over zijn gezicht bij deze gedachtes.
"Het lijkt wel alsof Eibhleann nog altijd bij me is. Hoe
zou het inmiddels met haar gaan?" Misschien moest hij
haar maar weer eens opzoeken.
Tevreden
leunde hij achterover en drapeerde een natte lap over zijn gezicht.
Rustig ademend mijmerde hij over vervlogen tijden en voelde hoe
zijn lid zich onrustig met bloed begon te vullen. Onwillekeurig
omsloot hij zijn lid met zijn rechterhand en begon deze zorgvuldig
te liefkozen, zoals alleen mannen dat kunnen, aangezien ze zelf
het beste weten welk ritme zij prefereren alsmede de juiste hoeveelheid
druk.
De
interruptie kwam nogal ongelegen, want de cadans voelde perfect
aan op dat moment. Er werd nogmaals op de deur geklopt. "Wie
daar!" Snauwde hij bars tegen de massieve, houten deur.
"Uw gezelschap." Zei de zoetgevooisde stem achter
de deur.
"Kom
binnen!"
De
deur zwaaide open, en een prachtige, rondborstige jongedame in
schaarse kledij werd hardhandig naar binnen geduwd. Oggy had er
minder oog voor dan normaal, want zijn aandacht werd afgeleid
door de drie woestuitziende mannen die erachteraan denderden.
"MacGillycuddy-clan, verdomme! Klote-kastelein!"
Vervloekte hij de herbergier binnensmonds.
Hun
strijdkreet brullend en met getrokken zwaarden stormden de mannen
op hem af.
Purificatie
#3 - Nudist! Nudist!
"Dh'
aindeòin co theireadh e!"
De
oorlogskreet, con anima, deed hem huiveren. Dit was zeer
zeker niet het jaargetijde voor de argelozen. En naïef was
hij geweest, door te denken dat hij zonder tegenstand kon gaan
badderen wetende dat er nog vijandige clan-leden in leven waren.
Op zoek naar hem, notabene.
De
bevallige jongedame struikelde en landde plat op haar buik voor
de ingang. Een tiet floepte uit het strakzittend corset en leek
het naderend schouwspel in zich op te willen nemen. De donkerroze
tepel keek verwilderd rond als een ontmaskerde voyeur. Het hysterische
gegil van de eigenaresse overstemde de MacGillycuddy-yell ruimschoots.
De rechte lijn naar het beoogde slachtoffer werd nu hinderlijk
versperd, dus de drie mannen werden gedwongen hun dramatische
entree één voor één te maken.
Dit
verschafte de Ogg-man de hoognodige seconden. Met zijn rechterhand
graaide hij naar de bijl die hij een uurtje eerder strategisch
naast het bad had neergelegd. Hij richtte zich pijlsnel op en
kliefde met zijn favoriete slagwapen het aanstormende voorhoofd
van de dapperste van het stel in tweeën. Schuimend water
kletterde uit het bad op de vloer. De verbaasde blik in man's
ogen dreef langzaam uit elkaar. De opengespleten schedel liet
een klankloze scheet, veroorzaakt door de uitpuilende hersenen
die, bevrijd van hun beknellend omhulsel, hun weg naar buiten
zochten.
De
Ogg-ster hief zijn wapen boven zijn hoofd voor de volgende aanval.
De voyeuristische tepel keek verwonderd naar de opengeslagen schedel
naast haar terwijl de hersenschors eruit sijpelde, zich daarbij
vermengend met het groezelige badwater. De jongedame keek bewonderend
naar de barbaarse Ier die rechtop in bad stond te zwaaien met
die enorme bijl. Zijn volledig erecte piemel zwaaide ritmisch
mee. Gillen deed ze nog wel, als een langspeelplaat met een pit
erin.
Met
een kreet sprong Oggy uit bad en stortte zich op belager nummer
twee. Van alle gevechten uit zijn onstuimige carrière tot
nu toe was dit één van zijn zwaarste beproevingen.
Toegegeven, zijn voorvaderen vochten dikwijls in hun adamskostuum,
maar zijnde een moderne telg uit diezelfde familie behield hij
het liefst een deel van zijn waardigheid. "Poedelnaakt
een robbertje knokken, probeer het maar eens." Gonsde
het door zijn hoofd terwijl hij de venijnige aanval van zijn vijand
pareerde. Hij deed een stap naar voren en ramde de bijl zijwaarts
in het femur van zijn tegenstander. Dat bewuste been zou zonder
problemen losgelaten hebben, ware het niet dat de Ogg-man tegelijkertijd
uitgleed over een mengsel van hersenschors, bloed en irritanter,
water en zeep.
Op
een nogal schlemielige manier - het zag er allerminst heldhaftig
uit - liet hij de bijl los en belandde naast de gillende jongedame
op de natte, roze gekleurde vloer. De tepel keek bewonderend naar
zijn fier priemend lid. Tenminste, zo beeldde hij zich dat in.
Het
gehavende clan-lid bleef ternauwernood overeind terwijl de bijl
zegepralend uit het bovenste gedeelte van zijn dijbeen stak, als
een obsceen vlaggetje op een pleziervaartuig. Deze wapperde echter
niet. Hij gilde als een bezetene naar het blad wat nog maar half
zichtbaar was.
Clan-lid
nummmer drie zag zijn kans schoon en duwde zijn compaan opzij,
die nog immer gillend tegen de badkuip aanviel. Door zijn eigen
gewicht drukte de bijl door en amputeerde zijn been alsnog. Eindelijk
liet de bijl hem verder met rust. Het gillen aan alle kanten ging
overminderd door, zodat het leek of de jongedame, clan-lid 1 en
2 hun eigen hysterisch zangkoortje vormden.
Met
een triomfantelijke blik in zijn ogen - gillend, uiteraard - en
met zijn zwaard in de aanslag deed hij een uitval naar de naakte
Ier.
"Ja,
en nu ?" Vroeg Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan
zich af.
Purificatie
#4 - Bevroren tijd
Wat was eigenlijk de afstand van het zwaard tot zijn strot? Een
meter? Twee meter? De tijd stond stil.
als
de afstand nog maar een meter is kost het hem een stap om dicht
genoeg bij mij in de buurt te komen als het twee meter is een
stap extra kan ik bij mijn bijl of ik weet het ik vang zijn zwaard
op tussen mijn handen en breek daarna zijn nek en ziet het niet
vreemd uit ik die hulpeloos op de grond ligt met een harde piemel
zij ziet er geweldig trouwens uit straks maar even met haar kletsen
als dit tenminste nog wat wordt hahaha oh lieve Eibhleann wat
ben je aan het doen nu al die mooie dagen en mooie nachten die
we deelden ik heb er spijt van ik had je nooit achter moeten laten
ik stuur de postduif wel die andere ligt nog steeds te kermen
logisch zou ik ook doen als ik net mijn been was kwijtgeraakt
niks ergers dan afhankelijk te moeten zijn van andere mensen zelf
ben je er zeker van dat je alles kan zo'n geamputeerd been schijnt
enorm te jeuken hahaha maar raar jeukt terwijl het been er helemaal
niet meer is schoen kwijt beter dan een afgesneden piemel bedelen
voor de kost hij met zwaard lijkt op mijn oom altijd dronken met
rood opgezwollen hoofd hoeveel mensen nu tegelijk neuken schijten
krabben pulken korstjes stinkvoeten stom van te voren moeten weten
in bad liggen kastelein niet te vertrouwen moet ooit nog eens
andere landen zien onder controle gaat vast lukken stoere vent
schijt in mijn broek gelukkig geen broek aan bijl kan ik erbijl
erbijl links afweren schop ander been onderuit mirakel heilige
interventie moeder help papa stinkt Eibhleann prachtige vingers
zwemmen drijven bier zal goed smaken stoer hoor deur gebarricadeerd
nog een keer wassen badwater niet meer bruikbaar Conan Scharznegger
niet overtuigend welke man godsnaam rok stelletje mietjes held
van het verhaal kan niet afmaken wedden dat eerst afweren kopstoot
kom maar op
"Kom
maar op!" Zei hij hardop en alles kwam weer in beweging.
Purificatie
#5 - Breitling kopen?
Instinctief stak hij zijn linkerhand omhoog om de aanval af te
weren. Dat dit achteraf gezien niet een al te best idee was, bleek
wel uit de schade die hij hiervan ondervond. Niet dat er betere
suggesties voorhanden waren op dat moment.
Met
één houw beroofde zijn vijand hem van drie knokige
vingers en zette onmiddellijk aan voor de volgende klap. In slowmotion
(niet dat ze destijds wisten dat dat zò genoemd werd) vlogen
zijn vingerkootjes door de lucht en stuiterden speels op de smerige
badkamervloer alsof ze een vriendschappelijk, maar haastig potje
canasta speelden. Zijn duim leek de horlepiep te dansen met zijn
middelvinger, terwijl de wijsvinger erbij lag als een kwijtgeraakte
peulvrucht. Oggy keek verbaasd naar het restant van zijn linkerhand
en vroeg zich af wat de neveneffecten eigenlijk waren van het
hebben van een halve hand. "Touwtje springen zal wel wat
lastiger worden nu en dat is zonde, want dat kalmeerde mij meestal
enorm na zo'n vermoeiende dag vol verminkingen en bloedvergieten."
Enorm
hysterisch giechelen, daar had hij nu wel zin in.
Zijn
belager had zichzelf een glansrol toebedacht in deze episode.
Hij, en hij alleen zou vanaf nu af aan bekend staan als
de man die deze idiote barbaar met die onuitspreekbare naam te
grazen had genomen. Hij maakte een prikkende beweging richting
het gezicht van de barbaar, alsof hij één van Oggy's
oogbollen aan zijn zwaard wilde rijgen en deze daarna als een
vochtige lolly aan iemand wilde aanbieden.
"Maar
Oggy wil helemaal geen lolly ...." Giechelde Cearnaigh
in zichzelf.
De
jongedame met de weetgraage tiet - Zij zou zich later voorstellen
als Moirrey Malane Ní Dhónaill - kroop ondertussen
behoedzaam naar de uitgang en vermeed waar mogelijk de aanblik
van clan-lid nummer twee, die meelijwekkend achterover leunend
in puur ongeloof staarde naar het hevig bloedend stompje dijbeen
wat hem resteerde. Zijn panische blik schoot zenuwachtig heen
en terug van het stompje naar het been wat er aan hoorde te zitten,
alsof hij er nog niet van was doordrongen dat het zijn
voet betrof die nu beschuldigend met priemende tenen naar hem
wees.
Haar
jurk, kniehoog doordrenkt en loodzwaar van al het water, bloed
en andere vloeibare rommel waar de badkamervloer mee ondergelopen
was, sleepte achter haar aan als een gestrande sloep die maar
niet kon loskomen van een ondiepe rivierbedding. Vaag zag ze haar
gezicht misvormd rimpelen in de onbestemde, vochtige massa waar
ze doorheen kroop. Pas toen viel het haar op dat haar mond continue
openstond. Het besef dat ze dus voortdurend aan het gillen was,
maakte haar nog angstiger dan ze al was.
Clan-lid
nummer drie stak toe. En trof doel. De punt van het zwaard verliet
de linkerpols van 'Tweevingerige Og' aan de achterkant en keek
hem dwingend aan. Had men in deze tijden polshorloges gekend,
dan was het zijne zeker weten doorboord. Oggy schreeuwde het uit
van de hemeltergende pijn, maar wist wel in een reflex zijn belager
met de vrije rechterhand bij zijn groezelige hemd te grijpen.
Hij trok de man hard naar zich toe en sloeg met zijn hoofd naar
voren en raakte een paar voortanden. Een zwart exemplaar brak
af en bleef in zijn voorhoofd hangen als een mini-rolluikje. Voortvarend
draaide hij zijn linkerduim een kwartslag naar zich toe en ondanks
de snerpende pijn die dit veroorzaakte boog hij het lemmet toch
enigszins van zich af. Hij zwiepte zijn hoofd nogmaals voorwaarts
en beet het vijandelijk sujet in de strot en begon te kauwen.
Bloed
begon rijkelijk zijn keel in te stromen en de man spartelde met
al zijn macht tegen. Het zwaard had hij al losgelaten en met beide
handen trachtte hij zich los te worstelen van dit onmenselijke
figuur. Oggy bleef kauwen en proefde mede, de voorloper van het
edel'n bier zoals wij dat tegenwoordig kennen. Stukjes kraakbeen
lieten vochtig knappend los en kraakten tussen zijn tanden. Het
gespartel werd steeds minder. Bijna zwartgekleurd en afkomstig
uit de mond van de belager die nu minstens net zo hard op zijn
beurt belaagd werd, liep het bloed nu ook over zijn gezicht. De
twee leken verwikkeld in een soort paringsritueel waar de onbeholpenheid
van afdroop.
Hij
stopte pas met het malen van zijn gebit toen hij zich realiseerde
dat het verder stil was in de badkamer, op zijn knauwende geluiden
en het klotsende water na. Clan-lid nummer drie had zich al gewonnen
gegeven. Zijn kaken deden pijn en zijn mond zat vol met bloed
en andere smurrie. Hij spoog vol walging zijn mond leeg en draaide
zich om naar nummer twee, klaar om de volgende aanval op te vangen.
Deze
keek zwijgend en met zielloze ogen terug, terwijl een indrukwekkende
dolk de zijkant van zijn nek sierde. Moirrey Malane hield het
heft vast en keek hem brutaal aan. Ze gilde niet meer.
Purificatie
#6 - Dierensex
Moirrey Malane keek ongerust naar zijn hand, en concludeerde :
"Zo, da's een zooitje zeg."
Het
leek Oggy verder niet te deren. Onverschillig plukte hij het zwaard
uit zijn arm en wierp het van zich af. Hij nam de badkamer aandachtig
in zich op, en realiseerde zich dat deze in de verste verte niet
meer leek op het vertrek waar hij nog geen zes minuten geleden
aan het bijkomen was. Ingewanden waren oneerbiedig over de muren
uitgesmeerd, ook al kon hij zich niet herinneren dat hij daar
debet aan was geweest. Er was werkelijk zoveel bloed aanwezig,
dat het de kamer een potsierlijk aangezicht gaf. Er dreven wat
hersenen in het badwater en het afgehakte been van clan-lid twee
lag verkeerd om naast het goede been. Clan-lid drie leek geluidloos
naar hem te roepen met zijn zojuist verkregen tweede mond en de
larynx daarachter maakte een obsceen gebaar naar hem, als een
soort wulpse tong. Zijn linkerhand voelde pijnlijk (duh!) aan
en was dringend aan verzorging toe. Hij wendde zich tot de dame
en wilde zijn erkentelijkheid jegens haar uitspreken. "Mijn
naam is Cear ....."
"Ik
weet wie u bent. Dacht u soms dat uw daden onopgemerkt voorbij
gingen? Vanaf het moment dat u het dorp binnenreed, begonnen vele
knietjes al te knikken. Complete dorpen heeft u uitgemoord, de
condoleanceregisters zijn niet aan te slepen, begrafenisondernemers
floreren als geen ander en IK ZOU NIET WETEN WIE U BENT!?!"
Haar
boezem zwoegde hevig op en neer vanwege haar versnelde, hijgende
ademhaling, en Oggy keek aandachtig naar haar vlezige tiet, die
nog steeds buiten het corset uitstulpte.
Ze
keek omlaag, deed niets om het te verhelpen, en keek hem weer
brutaal aan.
"Je
bent bloedgeil hèh?" Vroeg Oggy terwijl hij haar
van top tot teen keurde.
"Ja."
Zei ze hees terwijl ze opnieuw met groeiende belangstelling naar
zijn steigerende zwellichaam keek.
"Andere
kamer regelen?"
"Da's
goed. Eerst een verbandje zoeken voor je arm?"
"Ja.
Schiet op."
Met
een rode blos van opwinding liep ze gehaast het vertrek uit op
zoek naar een noodverbandje.
Purificatie
#7 - Orenmaffia
Het deed hem pijn, en niet zo'n beetje ook. Vanuit een exoterisch
perspectief bezien was de neukdaad één van z'n meest
favoriete occupaties, het moest echter niet ten koste gaan van
zijn geloofwaardigheid. En oudmodisch als hij was, geloofde hij
nu eenmaal dat hij, als dè sterke man, de bovenliggende
partij moest vertegenwoordigen tijdens de rampetampcompetitie.
En
dat viel niet mee met een half weggeslagen linkerhand. Ook al
had ze het noodverband op bijzonder kundige wijze aangebracht.
Nee, nu de adrenaline-injectie van het krijgsgewoel, die in zijn
optiek immer op leven en dood moest zijn, uitgewerkt was, trof
de notie van brandend, allesverterend ongemak hem als een luide,
mammoetachtige scheet, vergeven van verrotting veroorzaakt door
slecht gepocheerde eieren en filet americain over tijd, midden
in het gezicht. En dat alles terwijl zijn mond wagenwijd openstond.
Zijn linkerarm pulseerde pijnlijk van pink tot elleboog, als een
holte waar even tevoren een verstandskies uit zijn natuurlijke
habitat weggerukt was.
Moirrey
Malane trof verder geen blaam, sterker nog, ter compensatie kloof
ze Oggy's tampelöeris leeg totaan het laatst beschikbare
zaadvocht, als ware het een Belgisch frietzakje.
Hoewel
enorm dankbaar voor haar genereuze geste, bleef Oggy toch achter
met een mistroostig gevoel. Een beetje leeg, leek wel. Het gebrek
aan alternatieve pijnstillers noopte hem tot een bestelling van
een buitensporig grote krat mede, maar Moirrey Malane kwam met
een suggestie die hem, na het nuttigen van enkele liters mede,
steeds aantrekkelijker in de oren klonk. Ze moest het wel een
keer of twintig herhalen voordat het tot zijn botte kop doordrong,
maar daarna was hij het volmondig met haar eens. De honingwijn
sproeide vrijelijk, ten teken dat het smaakte. Een gulle glimlach
sierde de rest van de broeierige avond zijn gehavende gezicht.
"Moirrey,
m'n liefste, u heeft voorwaar mijn hart gestolen. Morgen, bij
het krieken van de dag, zal ik inderdaad Ciarán de ge-dreadlock-de
magiër visiteren."
Purificatie
#8 - Properheid
"Nee Cearnaigh, niet Ciarán, maar O'Ciaragáin.
Ik vrees dat je oren nog vol bloedkorsten zitten. O'Ciaragáin
is een edelsmid annex chirurgijn en heeft zijn stulp hier vlakbij
in de buurt. En hij kappert bij in zijn vrije uurtjes."
"Oh.
Ok.
Laten we bij nader inzien dan maar meteen gaan. Ik vertrouw die
kastelein hier voor geen meter."
"Weet
je het zeker? Heb je niet teveel last van je hand?"
"Ik
gebruik zo wel wat alcohol, dat helpt wel."
"Doet
dat niet ontzettend veel pijn?"
"Ach,
de eerste slok brandt een beetje in de keel, maar verder gaat
het wel."
Er
werd op de deur geklopt.
"Wie
daar?"
"Housekeeping,
meneer."
"Eh,
moment!"
Gehaast
pakten ze wat spulletjes bij elkaar en liepen de schoonmaakster
vriendelijk groetend voorbij. Verbouwereerd bleef deze achter
met de bloederige ravage.
Moirrey
Malane stopte onderweg naar buiten bij haar kamer om de broodnodige
spulletjes mee te nemen. Terwijl ze de toog passeerden, gaf Oggy
de verbaasde kastelein een kopstoot welke de glazen deed rinkelen.
O'Ciaragáin
de edelsmid was een toegewijd ondernemer. Dat stond buiten kijf.
Jammer dat de zaken allerminst floreerden, en zijn drankprobleem
zich buitenhuids begon te manifesteren, maar onder die etterende,
drankdoordrenkte huid school een begenadigd vakman. Moirrey Malane
was een achternichtje van hem, dientengevolge zou hij haar niets
kunnen weigeren.
Zo
beneveld als hij echter was, gisteren was hij in genen dele geboren.
Deze woest uitziende krijger met de gehavende hand, was een wandelende
reclamezuil voor het merk 'Sores' (er is geen betere!).
En daar zat O'Ciaragáin eigenlijk niet op te wachten.
Drie
kruiken mede later zat hij moppen te tappen met Oggy, terwijl
de tranen over zijn wangen biggelden van pret. "Prachtvent
dit, Morry, echt waar! Prachtvent."
"Maar
laten we eens aan het werk gaan. Deze jongeman heeft hulp nodig
en snel ook.
Laat je hand eens zien? Mja, mja. Dat moet nogal onprettig aanvoelen,
niet?
Oké, in alle eerlijkheid. Je vingers kan ik er niet meer
aanzetten (Nee, vergeten mee te nemen, sorry), dus het beste lijkt
mij om het hele handeltje dicht te schroeien. Daarna heb ik wel
iets moois voor je."
Oggy
nam nog maar eens een flinke slok van de mede en wachtte op wat
komen zou.
Amper
twee uur later ontwaakte hij, op een aftands berenvel voor de
schouw. Voor het eerst vandaag nam hij de slechtverlichte smidse
in zich op. En wat hij zag, zag er niet uit. Aambeelden lagen
verloren op hun kant, zwaarden, bijlen en ander hakapparatuur
lagen onafgemaakt als oorlogsslachtoffers verspreid door de kamer.
Etensresten kleefden tegen de muren. Nee, een varkensstal kon
er nog netter uitzien. Terwijl hij overeind probeerde te komen,
naar adem happend wegens een barstende mede-kater, merkte hij
dat dit nog moeizamer ging dan normaal. Het antwoord daarop lag
om zijn linkerarm besloten.
Purificatie
#9 - Finetunen
Zijn keel voelde droog en rasperig aan(Waar is de mede?). Blijkbaar
was hij in slaap gesukkeld, maar dat was nog niet alles. De aanblik
van de rommelige smidse en de zwarte, metalen vorm om zijn linkerarm
gaf hem een naargeestig gevoel. Het zag er zwaar uit. Terwijl
hij zijn arm probeerde op te tillen, kwam hij tot de ontdekking
dat het nòg zwaarder woog dan het eruit zag.
"Hee
O'Ciaragáin, maak je een grapje ofzo? Dit ding weegt nog
meer dan drie bastaardzwaarden!"
Hij
probeerde zich op te richten. Zijn botten en scharnieren piepten
en kraakten beduidend harder dan normaal.
"Natuurlijk
is het zwaarder dan drie bastaardzwaarden bij elkaar",
Antwoordde O'Ciaragáin hem. "Het is dan ook in
staat om de aanvallen van driehonderd bastaardzwaarden te weerstaan.
Theoretisch gezien dan."
"Werkelijk?"
Hij
bekeek zijn arm nog eens goed, ditmaal onder het flauwe schijnsel
van de kandelaar op de schouw. Het leek wel alsof er een inktpot
over zijn arm uitgegoten was, maar dan gitzwarte inkt met de structuur
van afgekoelde lava. Het begon bij zijn schouder en liep over
de totale lengte van zijn arm richting zijn hand, als een fantasieloze
tatoeage. Het had veel weg van een uit zijn krachten gegroeide
handschoen, met het verschil dat deze voorin alleen plaats bood
voor een pink en een ringvinger. Zijn pink en ringvinger. Slechts
de handpalm werd vrij gelaten en het geheel was afschuifbaar.
Zijn bleke huid - bij het handpalmgedeelte - stak scherp af tegen
het zwarte metalen gevaarte. Het afschuiven ging moeizaam, maar
zodra hij zijn twee overgebleven vingers strekte, kon hij zijn
arm uit het op maat gemaakte stukje harnas trekken. Een pijnscheut
trok door zijn hand. Met een vaag gevoel van weemoed bekeek hij
de drie stompjes die zwarte, gerafelde randjes van het dichtschroeien
vertoonden.
"Het
ziet er best sexy uit, Cearnaigh", Fluisterde Moirrey
Malane achter hem.
Hij
gromde goedkeurend vanwege haar gevoel voor humor. O'Ciaragáin
nam een teug uit een handzaam kruikje en tikte met zijn pijp op
de metalen arm.
"Ik
heb jouw arm eerst overgoten met een mengsel wat ik later weer
als mal gebruikt heb. Dat spul waar de metalen arm van gemaakt
is, noem ik 'gegoten ijzer'. Geen idee of zoiets nog voor andere
doeleinden te gebruiken valt, maar voor jou is het wellicht een
uitkomst. De voorkant, zeg maar waar de rug van je hand overgaat
in je pols, is drie lagen dik. Dat is namelijk de kant waar je
de meeste klappen mee op zult vangen. Nog iets anders, je hebt
net twee uurtjes geslapen en ik zou jullie met liefde een maaltijd
en goede nachtrust willen aanbieden, maar de tijd om dit dorp
te verlaten is aangebroken. Je mag de MacGillycuddy-clan dan wel
volledig uitgemoord hebben, maar er zijn nieuwe problemen aan
de horizon verschenen. Het schijnt dat de Koning zich er hoogstpersoonlijk
mee bemoeit."
"Koning
Áengus? Waarom dan?"
"In
vino veritas. Geen idee, ik ben ook maar een oude man. Luister,
een halve dag rijden hiervandaan, richting het oosten. Daar zul
je een verlaten boerderij vinden. Blijf daar twee dagen en jullie
zullen bezoek krijgen van een oude vriend van mij. Hij zal zich
voorstellen als 'de Uitbater. Hij zal jullie verder helpen. Hou
je tot die tijd gedeisd, want er staat een forse beloning op jullie
hoofd, al dan niet gescheiden van je romp. Ja, Morry, ook jij."
Tien
minuten later was Oggy al drukdoende Kyme op te zadelen voor een
lange reis. Hij bedankte de edelsmid uit de grond van zijn hart
en hoopte dat zij elkaar weer terug zouden zien, zodra de roerige
omstandigheden zich daarvoor leenden. Moirrey Malane nam emotioneel
afscheid van haar oom, maar was desondanks verheugd dat ze bij
Oggy in de buurt zou blijven.
Ongeacht
de onheilspellende en onzekere toekomst die ze tegemoet reden.
Purificatie
#10 - ....... Tweeëndertig!
O'Ciaragáin liep - nadat hij hen had uitgezwaaid - weer
naar binnen en nam plaats op een ongemakkelijk krukje. Zijn luie
stoel stond nog geen twee meter verderop, maar hij had geen zin
in een comfortabele zitplek. Niet nu. Zijn blik bleef hangen bij
het bordje dat in het midden van het vertrek hing. En alhoewel
hij, met zijn slechte zicht, niet kon lezen wat er stond, wist
hij allang dat de tekst luidde :
WAPENS
KLAAR TERWIJL U WACHT
Hij
zuchtte zwaarmoedig. De neerslachtigheid leek hem te omhullen
als stoom van een tè hete douche. Als tegenmaatregel nam
hij een fikse slok uit zijn heupkruik. Mocht hetgeen hij eerder
vernam waar zijn, dan staat de wereld een catastrofe te wachten
die z'n weerga (nog) niet kent. Een cataclysme die hij
in ieder geval niet meer zou meemaken. Zoveel was wel zeker. Ach,
hij was per slot van rekening een oude man, dus wie zou er nu
malen om zijn heengaan? Morry wellicht, maar die heeft voorlopig
voldoende afleiding voor de komende tijd .........
Moirrey
Malane Ní Dhónaill omklemde de woeste barbaar steviger,
aangezien hij duidelijk de pas aan het versnellen was. Kyme's
zwarte, glanzende huid spande en ontspande zich steeds sneller,
ten teken dat de turbo aangezet was. Het weer betrok, en snel
ook. Als ze geen spoed maakten zouden ze ingehaald worden door
het zware weer en dat zou het zicht richting hun eindbestemming
aardig vertroebelen. Hoewel het pas een uur of vier s'middags
was, leek de duisternis hun snel in te halen, als een aansnellende
walvis die zich tegoed deed aan tonnen krill. Cearnaigh had een
andere, duidelijker aanwijsbare reden voor zijn plotselinge haast.
Die stofwolk vanuit het westen die hij even tevoren aan zag komen
voorspelde niet veel goeds. Bang was hij niet, verstandig wel.
En zijn verstand vertelde hem haast te maken richting de bestemming
die de oude edelsmid aangaf, want bemoeienis van Koning Áengus
zelf ging nooit zonder de hulp van Líadán, daar
kende hij Áengus goed genoeg voor. Oggy had een hekel aan
magie. Maar hij haatte die heks Líadán.
O'Ciaragáin
had de aanstormende meute al gehoord. Berustend stak hij zijn
pijp nog eens aan, en inhaleerde diep. De zoete tabakslucht prikkelde
zijn keel en neus, herinnerde hem aan vervlogen tijden waarin
hij als jonge halfgod het dorp onveilig maakte. Zoete herinneringen
aan zijn vrouw, acht jaar geleden alweer overleden. De deur werd
bruut ingetrapt en een aantal krijgers traden binnen. Hun kleding,
imponerend zwart met een rood lint om hun brede biceps heen, contrasteerde
scherp met het grijze metaal van hun zwaarden. De angstaanjagende
gevechtshelmen, vaker wel dan niet versierd met oren, vingers
en soms testikels, gaven hen een onmenselijk voorkomen. Dit waren
de alom gevreesde Dimmuhnallaidh, getrainde krijgers die bij de
wet niet bestonden, maar 'klusjes' voor de Koning opknapten. Hij
wist wie ze waren. Wie de Dimmuhnallaidh tegen het lijf
liep, was verzekerd van een bezegeld lot.
Eén
van hen liep dreigend op de edelsmid af en vroeg : "Waar
zijn ze?"
O'Ciaragáin haastte zich niet. Hij nam nog eens een trek
van zijn pijp en keek de krijger smalend aan. Het volgende ogenblik
lag hij achterover gestrekt op de grond, gevloerd door de kopstoot
die hij niet zag aankomen. Bloed spoot uit zijn neus en mede liep
uit zijn gebroken heupkruik. Hij werd razendsnel overeind getrokken
en de man siste tegen hem dat des te sneller hij zou spreken,
des te pijnlozer zou zijn naderende dood zijn. O'Ciaragáin
glimlachte nogmaals, en die ene losse voortand - bungelend aan
zijn tandvlees als een drenkeling die zich krachteloos aan de
laatste reddingsboei vastklampt -maakte zijn uitdrukking zo mogelijk
nóg spottender. De volgende klap werd alweer uitgedeeld,
en hij vloog onvrijwillig door het vertrek, landde nogal onzacht
tussen een stapel aambeelden.
"Komaan
ouwe, anders beginnen we met je tenen."
O'Ciaragáin begon te giechelen, steeds harder, steeds waanzinniger.
Hij giechelde nog steeds terwijl ze zijn kleine teen afhakten.
Toen zijn derde teen eraf werd gekapt, viel hij flauw. Een hete
pook in zijn linkeroor bracht hem weer snel bij. "Het
stinkt hier, niet?" Vroeg hij hen. Daarop sneden ze zijn
oor af en stelden nogmaals diezelfde vraag, waarop hij, zoals
eerder, geen coherent antwoord op gaf. Niet voor een gat te vangen
sneden ze zijn voetzolen overdwars open en roerden daarin met
de eerdergenoemde pook. Buiten de smidse keek een bosuil belangstellend
vanaf zijn veilige tak naar de groep mannen die in drommen naar
binnen wandelden. Het verschil tussen het giechelen en gillen
van O'Ciaragáin begon nu steeds duidelijker te worden.
Iets
minder dan vijftien mijl richting het oosten keek Cearnaigh onwillekeurig
even om. Een ijskoude rilling trok van zijn ruggegraat omhoog
naar zijn kruin. "Koud, schat?" Vroeg Moirrey
Malane hem. "Mwoah."
Ruim
tachtig mijl richting het zuiden, zat Ciarán de ge-dreadlock-de
magiër in een lemen hut zijn waterpijp te vullen met allerlei
exotische bladeren. Hij stak deze aan en nam inhalige, diepe trekken.
Dikke rookwalmen vulden het hutje, als een mini-sauna. Een apart
groen brouwseltje werd ernaast gedronken.
"Aaaah,
hehe, deze mix werkt nóg sneller! * Uche, uche *
Nou, op mezelf dan maar heh? ...... Er is er één
jarig, hoera, hoera ..........."
Purificatie
#11 - Prioriteiten
Het behoeft verder geen betoog dat O'Ciaragáin op bijzonder
brute wijze aan zijn einde kwam. De Dimmuhnallaidh waren uitermate
bloeddorstig van aard, en hakten hem derhalve aan mootjes. Letterlijk.
De drie mastiff's, binnen deze groepering veelal gebruikt als
waak-en speurhond, deden zich hongerig tegoed aan de schamele
resten van de edelsmid.
Tormod,
hun nors kijkende aanvoerder, riep zijn rechterhand Bricriu bij
zich."En?" Bricriu koos zijn woorden wijselijk.
Zijn werkgever had meer dan eens iemand's nek als een lullig twijgje
gebroken, puur op basis van een verkeerde blik. "Die oude
was taai. Dat moet ik hem nageven. Zelfs de honden hebben moeite
met het verslinden van zijn kadaver. Geen woord heeft hij losgelaten,
wàt we hem ook aandeden." Angstig keek hij zijn
mentor aan, wachtende op de uitbarsting.
Tormod
leek echter in gedachten verzonken en zei tenslotte : "Precies
wat Líadán had voorspeld, die rare heks gaat nog
eens gelijk krijgen. Dit ziet er niet best uit. Voor niemand niet.
Goed, probeer de honden zodirect een spoor te laten vinden. Daarna
moet de fik in de smidse. Zorg ervoor!"
"Yes
Milord!"
Cearnaigh
wist de boerderij probleemloos te vinden. Hij kon hem al onderscheiden
in de verte, en schatte dat het nog een klein half uurtje reizen
was. Onderweg hiernaar toe hadden een boel dingen de revue gepasseerd
in zijn hoofd, en de blik in zijn ogen had steeds bangere trekjes
gekregen. Het beangstigde Moirrey, vooral omdat hij in niets meer
leek op de man die ze een paar postjes poosje geleden zonder
problemen drie man zag doden.
"Maar
belangrijker nog, zou er een kapspiegel in die boerderij verderop
staan?"
Purificatie
#12 - Stoelendans
Gezeten in zijn lemen hutje en lurkende aan zijn waterpijp, voorvoelde
Ciarán de ge-dreadlock-de magiër plots de verstoring
in de atmosfeer. ("Hee, verdomd. Een verstoring. In de
atmosfeer.") Hij was zelf allerminst een lieverdje, maar
dit waren elementen waar niet mee te spotten viel. Zonder ook
maar een seconde te dralen stond hij op, en liep naar buiten richting
zijn kampvuurtje. Daar bleef hij stil staan, spreidde zijn armen
voor zich uit en tekende met wijdse armgebaren een groot vierkant
uit, ter hoogte van het vuur. Hierbij prevelde hij : "Voor
mij Uriël, vuur ontwaak!" Daarna tekende hij met
zijn vingers een cirkel binnen het vierkant en stapte vervolgens
in het vuur. De vlammen, gek genoeg, verschroeiden hem niet onmiddellijk,
maar in plaats daarvan kronkelden ze langs zijn lichaam omhoog
naar zijn kruin en dansten via zijn gezicht weer terug naar beneden,
als hitsige paaldanseresjes richting zijn voeten. Dit proces herhaalde
zich voortdurend, net zolang totdat hij volledig omhuld was door
de vlammen.
Drie
tellen later arriveerde er een muskusrat op het minikampement.
Het diertje snuffelde onrustig aan de etensrestjes voor het vuur,
terwijl zijn zwarte kraaloogjes alle kanten opschoten, en sprintte
vervolgens de hut in. Daar bleef hij gedurende drie minuten binnen
om er naderhand net zo snel weer uit te komen. Hij rende een paar
zenuwachtige rondjes rond het kamp en eindigde weer bij het kampvuur.
Stokstijf bleef hij staan, en staarde leeg in de knetterende vlammen,
alsof hij deze wilde doorgronden. Ciarán voelde zich niet
op zijn gemak, want alhoewel de vlammen hem niet verteerden -
zelfs niet gloeiend heet aanvoelden - wist hij dat dit geen gewone
muskusrat was.
Alsof
het knaagdier door de bliksem getroffen was, zo snel stond het
plotsklaps op zijn achterpootjes. Het bracht een schril, piepend
geluid voort dat alsmaar aanzwol totdat het klonk als een nieuwerwetse
vuurpijl die nog lang niet opgebrand was. Uiteindelijk werd de
herrie overstemd door een veelvoud aan getrippel en gepiep van
een groep nieuwe bezoekers. "Nog meer muskusratten, een
stuk of twintig ......" Schatte hij in. De zangerige
kreetjes van de muskusratten vloeiden naadloos in elkaar over
waarna het wegstierf. Adagio.
Wat
Ciarán de hele tijd al wist, werd nu realiteit. De eerste
muskusrat begon te groeien en vreemde uitstulpingen tekenden zich
duidelijk waarneembaar af op zijn lichaam. Weerbarstige haren
vielen uit, zijn snuit trok zich terug in zijn gezicht, als een
kale piemel in de koude November buitenlucht, en zijn korte voorpootjes
strekten zich uit als roeispanen die hard aan het werk moesten.
De rest van de muskusratten volgden hetzelfde voorbeeld, als een
ensemble van dansers dat aan een nauwgezet stukje choreografie
deelnam. Eén voor één toonden de muskusratten
hun ware menselijke gedaantes, en uit hun bolle lijfjes kwamen
schilden en zwaarden tevoorschijn.
"De
soldaten van Koning Áengus, als ik het niet dacht! De illusie
werkt dus duidelijk niet, en anders maar ten dele. Tijd voor actie,
voordat ze allemaal getransformeerd zijn."
Hij
spreidde zijn armen weer, zoals eerder, maar ditmaal vormde hij
met woeste bewegingen een cirkel met daarbinnen een kruis en riep
uit: "Door mij Uriël, geef!"
De
vlammen begonnen onmiddellijk oncontroleerbaar om zich heen te
grijpen en kregen een aantal soldaten te pakken die terstond het
toneel gillend verlieten, terwijl het vlees op hun jukbeenderen
begon te blakeren onder de plakkerige vlammen. Bij sommigen was
de gedaanteverwisseling duidelijk nog niet compleet, aangezien
zij met misvormde hoofden (en soms zwiepende staarten)piepend
van de vlammen weg probeerden te komen.
Ciarán
stapte uit de vlammen en keek de verbijsterde gezichten van de
soldaten sardonisch aan. Hij gaf ze geen kans zich te hergroeperen
en liep langs de dichtsbijzijnde soldaat. Tijdens het voorbijlopen
leek het alsof hij de hals van de soldaat lichtjes toucheerde,
die daarna prompt in elkaar zakte met een onnatuurlijk opzij geknakt
hoofd, veroorzaakt door een gebroken nek. Alles ging heel snel
nu. De resterende soldaten, nu ruw wakker geschud, stormden onwennig
op de magiër af met geheven wapens.
Tevergeefs,
zou blijken.
Purificatie
#13 - Woningnood
De boerderij zag er vervallen uit. De begroeing rondom het erf
woekerde vrijuit en gaf het een troosteloze aanblik. Deuren leken
te bezwijken onder hongerig houtrot en hingen hevig protesterend
in hun hengsels. Paden schitterden in hun afwezigheid, in plaats
daarvan leek deze ruïne half verzonken te zijn in een zompig
moeras. Een belachelijk grote adelaar doorkliefde krijsend de
lucht boven hen. Desondanks leek Moirrey opgetogen, want wíe
zou er nu aan denken om hen híer te zoeken?
Cearnaigh
(Oggy, voor de loyale fans onder ons) wist echter wel beter. Hij
vroeg Moirrey bij de ingang te blijven wachten, terwijl hij de
bouwval aan een grondige inspectie onderwierp. In zijn ene hand
wiegde nonchalant zijn trouwe bijl, en de andere hand stak hij
voortdurend vooruit om de kapotte deuren opzij te duwen. Inmiddels
was hij redelijk gewend aan het gewicht van de gietijzeren arm;
het was de vorm ervan die hem hinderde aangezien strekken geen
optie was. De boerderij zag er van binnen erger uit dan men van
buitenaf zou vermoeden. Grote delen van het dak waren ingezakt,
van een vloer kon men nauwelijks meer spreken en de natte stank
was ondraaglijk. Vijf minuten later riep hij Moirrey naar binnen.
Eens
te meer bleek dat Cearnaigh's behoedzaamheid gerechtvaardigd was.
Moirrey kwam voorzichtig de achterste kamer binnen en zag dat
Oggy geknield naast een hoopje kleren zat. Terwijl ze naderbij
kwam realiseerde ze zich dat het geen kleren waren, maar een man
die plat op z'n buik lag in een enorme plas bloed. En de man was
er slecht aan toe. Zijn hoofd leek op een meloen waarop iemand
meermalen onbeheerst met een bovenmaats mes had ingestoken, en
zijn linkeroogbol -slechts verbonden met een dun vlezig draadje
vanuit zijn verbrijzelde oogkas - keek hen beschuldigend aan vanaf
de met bloed besmeurde vloer. Zijn linkerarm zag er onbruikbaar
uit, mede door de rare hoeken die deze maakte. Overduidelijk op
drie plaatsen gebroken. Zijn benen waren er erger aan toe, gezien
de versplinterde staat waarin zij verkeerden. "Dit is
de Uitbater." Fluisterde Cearnaigh terwijl zijn blik
geen moment van de man week.
"Maar,
maar ..... hoe kan dat? Hij zou hier pas over twee ......"
"Ssst.
Laat hem eerst in alle rust sterven."
Het
viel Moirrey nu pas op dat de laatste lichtval van de dag rechtreeks
naar binnen kwam, via het grote gat in het dak. Recht boven de
Uitbater. Deze probeerde zich voor de laatste keer op te richten,
en uitte zijn schorre doodskreet: "Aye! Cnoc Ealachain!"
Moirrey
zag het allemaal bedroefd aan. Maar de angst nam snel de overhand.
Of hij nog iets van belang te weten was gekomen, vroeg ze hem.
Cearnaigh drukte de ogen van de Uitbater dicht en vertelde haar
dat de Uitbater op weg naar de boerderij was geweest. Ergens onderweg
werd hij overvallen door woest uitziende wezens die sneller dan
welk mens dan ook handelden. Dusdanig snel, dat hij nog geen glimp
van hun kon opvangen. Alleen dat het nachtmerrie-achtige wezens
waren geweest die zonder meelij op hem insloegen, krabten, en
beten. Daarna zag hij enkel duisternis en deze werd eenmaal onderbroken
door de vrije val die hij maakte, dwars door het dak van deze
boerderij.
"Meer
niet?"
Hij
knikte bevestigend. En toonde haar daarop een medaillon aan een
zwart koordje. "Op dit na." Alleen al ernaar
kijken gaf haar de rillingen. Het kleinood had een vale groene
gloed, terwijl het toch echt pikzwart was. De vorm had het meeste
weg van een scarabee, het was echter een insect wat ze nimmer
gezien had. "Wat betekent het?" Vroeg ze terwijl
ze het antwoord eigenlijk niet wilde weten.
Cearnaigh
antwoordde niet meteen, maar leek afgeleid door het gekrijs van
de adelaar, die wederom het luchtruim boven hen doorkruisde. En
opeens drong het tot hem door.
"HET
IS EEN HINDERLAAG! GA LIGGEN ..... !"
Moirrey
volgde zijn bevel niet meteen op, maar keek hem verbaasd aan.
Een pijl stak dwars door haar hals en straaltjes bloed sijpelden
er langzaam uit. Traag zeeg ze naar de grond. Oggy bedacht zich
geen moment, bevestigde het medaillon aan zijn brede riem en rende
naar buiten. Een troep van Koning Áengus' soldaten stond
hem strijdlustig op te wachten.
Hun
nachtmerrieachtige façade maakte ditmaal geen onderdeel
van hun vermomming, wetende dat dit geen indruk meer zou maken.
Cearnaigh concentreerde zich en gaf zich over aan zijn kronkelkramp.
Deze kramp gaf hem angstaanjagende stuiptrekkingen, deed zijn
lichaam uitstulpen op de raarste plekken en gaf hem een onmenselijk
gezicht. Bovenal, het gaf hem een bovennatuurlijke kracht.
Hij
stormde nietsontziend op de soldaten af en liet zijn bijl het
werk doen. Schedels werden hoorbaar gekliefd, armen die krampachtig
een zwaard of schild vasthielden, vlogen ontzet door de lucht
en hijgende, inhumane kreten werden overstemd door de brullende,
dierlijke geluiden die zijn keel voortbracht. Schuimbekkend stortten
vele kadavers ter aarde. Botten werden misselijkmakend als harde
noten gekraakt en de gietijzeren arm weerde vele venijnige aanvallen
af. Zwaarden braken keer op keer als broos glas op het wendbare
schild. Deze oneerlijke slachting duurde nog geen uur en de drassige
grond voor de boerderij raakte bezaaid met menselijk, bloederig
zaad.
Een
dag reizen van de boerderij vandaan, in de torenkamer van Koning
Áengus' kasteel, vloekte Líadán de heks hartsgrondig
binnensmonds.
Purificatie
#14 - Megasdeditas
Áengus, koning van het land, lag op zijn hemels bed alle
rompslomp van de laatste tijd te overdenken. Maakte zijn hoofd
leeg. Probeerde de materie tot hem door te laten dringen. Liet
alle invalshoeken de revue passeren. Mediteerde dat het een lieve
lust was. Dirigeerde zijn zeven chakrapunten bij elkaar. Oreerde
complete citaten van Dionysius van Halicarnassus voor zich uit,
realiseerde zich tegelijkertijd dat deze wellicht (nog) niet geboren
was (noch Herodotus) en probeerde ten einde raad soelaas
te vinden in de melodieuze, lyrische teksten van Dikke Dennis
van Peter Pan Speedrock. Peinsde zich suf. Prakkeseerde een end
weg. Gebruikte ezelsbruggetjes. Het viel hem bitter tegen. Het
leek alsof zèlfs de meest oppervlakkige gedachtes aan de
haal met hem gingen.
"Oké,
iedereen nù opzouten!"
Met
deze woorden stuurde hij zijn zesentachtig -koppige harem de slaapkamer
uit en knoopte nijdig zijn broek dicht. "Dat gemiep ook
altijd met die wijven ...."
Purificatie
#15 - Losse eindjes
Ciarán(u
weet wel, de ge-dreadlock-de magiër) klopte het stof
van zijn mouwen en keek nog eens op naar het halfvergane geraamte
van de soldaat voor zijn neus. Deze stond nog met een wapen in
de aanslag, alsof hij maar niet wilde erkennen dat de dood allang
ingetreden was. Het vlees droop, tezamen met zijn kleren, langzaam
van zijn botten af en zijn kaken waren wijd opengesperd, ongetwijfeld
om zijn strijdkreet te uiten. Zijn ogen echter, keken de magiër
opperst verbaasd aan. Ciarán liet de soldaat voor wat hij
was en beraadde zich op de te nemen stappen.
Terwijl
hij zijn spullen bij elkaar zocht, overdacht hij de mogelijkheden.
Dat Líadán ermee te maken had, was wel duidelijk.
Ze hadden beiden tenslotte nog een paar oude rekeningen openstaan.
"Maar waarom had de koning zich ermee bemoeid? Die zakkenwasser
gaf alleen maar om zijn harem, sloten drank en zijn wapenverzameling.
En waarom hadden ze slechts een paar sullige soldaten op hem afgestuurd?"
Onderschatting, daar deed Líadán niet aan. Nee,
dit was een afleidingsmanoeuvre. "Maar waarvoor?"
En opeens begon het bij hem te dagen.
"O'Ciaragáin!"
Tachtig
mijl noordwaarts informeerde Tormod bij zijn rechterhand Bricriu
of de honden al iets van een spoor hadden gevonden. "N..nee
Milord, niks tot dusverre, maar er is zojuist een bericht aangekomen.
Van de koning zelve. De tweede hinderlaag is ook mislukt, dus
we moeten ons nu richten op het rendez-vous punt." Tormod
keek duidelijk geïrriteerd om en riep uit: "Mislukt!?
Hoezo mislukt? Dus de Feòrichudh hebben gefaald? Dus die
stomme, achterlijke wezens waren NIET in staat om een oude man
een simpel amulet afhandig te maken!!!!? Dacht ik het niet."
Tormod draaide zich kwaad om, Bricriu negerend, en bedacht zich
het een en ander. De Feòrichudh waren inderdaad domme wezens,
met een niet te stillen honger naar bloed, maar hier was overduidelijk
sprake van opzet. Waarom zou Líadán anders doelbewust
het medaillon in vijandelijke handen laten vallen? Het zinde hem
niet, zoveel was wel duidelijk. Hij hield er niet van om gemanipuleerd
te worden. Nugoed, het einde van dit schimmenspel kwam godzijdank
in zicht.
"Dimmuhnallaidh!
Verzamelen! We gaan!"
Gedurende
de tijd dat de Dimmuhnallaidh zich haastig opmaakten voor hun
volgende opdracht, visiteerde Líadán de koning in
zijn slaapkamer. "Hoe sdaan wu errfoor, heks?"
Lalde Áengus terwijl hij ruggelings de ornamenten van zijn
plafond bewonderde. Ze kon die papzak al niet uitstaan, laat staan
als hij dronken was. "Voorspoedig, mijn koning. Het zal
niet lang duren voordat deze zaken tot het verleden behoren."
"En
de barbaar? En de magiër?"
"Weten
van niks. De Dimmuhnallaidh zal hun opwachten op het rendez-vous
punt en de Feòrichudh staan wacht voor de poorten."
"Wat,
hier!?" Áengus leek in één klap
ontnuchterd. "Maar ... maar ... EN MIJN SOLDATEN DAN!?!?"
Hij nam een spurt naar het raam.
"Hahaha,
wèlke soldaten?"
Vanuit
de slaapkamer had de koning prima zicht op hetgeen zich afspeelde
voor de poorten van het kasteel. En inderdaad. Soldaten zag hij
niet. Wel zag hij een tiental lichtbruine wezens, die op deze
afstand veel weg hadden van poema's - maar dan te voet en met
een mismaakt paardenhoofd - zich razendsnel tegoed deden aan bloederige
resten die ze tussen de harnassen vandaan plukten. Eén
van hen zat ogenschijnlijk te kluiven aan een menselijke voet,
fijnproever als deze schijnbaar was.
Líadán
kwam naast de verbouwereerde koning staan en kneep zachtjes in
zijn billen. "Wat zijn ze toch rap, nietwaar? Wees gerust,
de poorten zijn gesloten. Voorlopig. Maak je niet druk, Áengus.
Voor je het weet is deze heisa voorbij." Ze verliet luidkeels
lachend het vertrek, en riep hem na : "Neem anders nog
een borrel! Whahaha!"
Iets
beters kon Áengus inderdaad niet verzinnen op dat moment.
Purificatie
#16 - Bijspijkeren
Dat
rouwen.... dat viel hem zwaar. Dus deed hij dat ook maar niet.
En toch .... trof het hem ditmaal zwaarder dan anders. Niet dat
Moirrey de eerste vrouw was die hij had verloren, maar ze had
duidelijk een onuitwisbare indruk op hem achtergelaten. Ze keek
glazig naar hem op, terwijl de pijl als hendels van een goedkoop
mountainbikestuur uit haar nek stak. Gekweld knielde Cearnaigh
neer bij het ontzielde lichaam en bedacht zich dat het voordragen
van een gevoelig, alleszeggend, alomvattend, zéér
ráák geformuleerd, zinneprikkelend stukje poëma
wel gepast zou zijn momenteel.
............
"Nèh."
In
plaats daarvan rùkte hij een deel van het bovenstukje van
haar jurk eraf, waardoor één van haar borsten werd
ontbloot. "Hmm, nooit geweten dat ze zo'n zilver ding
om haar tepels had? Achja, dit is natuurlijk haar rechtertepel."
Daarna drukte hij haar ogen dicht en bekeek haar nog eens goed.
"Ja, zo was het. Zo herinnerde hij haar zich."
En met dat beeld in zijn achterhoofd begon hij met het graven
van Moirrey's graf.
Nader
onderzoek van de uiteengereten lichamen op het erf van de boerderij
leerde hem dat deze soldaten geacht werden zich te verzamelen
in een klein vissersdorpje, twintig mijl hiervandaan. Dat wil
zeggen, nadat zij hun opdracht hadden voldaan. Een opgediept
document, hoogstpersoonlijk ondertekend door Koning Áengus,
sprak wat dat betreft boekdelen.

Het
was een publiek geheim dat Áengus sinds tijden een enorme
leerachterstand had.
Purificatie
#17 - Ohaën ..
Ze
lachte nog steeds hardop en haar krassend stemgeluid galmde door
de enorme vertrekken die het kasteel rijk was. De bedienden kropen
angstig bijeen en zochten heil in hun smoezelige bezemkasten.
Líadán was oprecht geamuseerd, en niet in de laatste
plaats door die imbeciel Áengus. Wist hij veel, wat hem
betrof was dit mechanisme in werking gezet om hem te verzekeren
van meer vrouwen, meer drank en meer tijd om zijn roes uit te
slapen.
Dat
dit akkefietje hen allen uiteindelijk oversteeg zou waarschijnlijk
nooit tot die ene hersencel, diep verborgen onder dat duffe schedeldak,
doordringen. De relevantie van een pofetie is op zijn minst belangwekkend
te noemen, zeer zeker binnen de grenzen van een korte vertelling.
Een profetie kan op zichzelf alleen al een doelstelling worden,
noem het een leidraad voor eenieder die er geen brood meer in
ziet. En in die geest is sterven niet noodzakelijkerwijs een onbetekenend
iets, maar eerder een offerande aan een méér dan
nobele zaak.
Althans,
zoiets zou men zichzelf wijsmaken.
Een
goed verstaander weet dat het daar allang niet meer om
te doen is. Het enige wat telt is het vele nutteloze bloedvergieten,
louter voor vermaak. "Vermaak is vermaak," Sprak
de illusionist en besmeerde vervolgens met een welgemikt schot
zijn requisieten met zijn eigen hersenpasta. En zij die overleven
kunnen in de luwte van hun overlevingsdrang de meest onmenselijke
beslissingen nemen, puur in het belang van het overleven. Líadán
had die keuze al eerder gemaakt, toen ze destijds haar dolk in
het weerloze kinderhoofdje wilde plantten.
Ook
toen was er sprake van een voorspelling, en zag zij zich genoodzaakt
om drastische stappen te ondernemen. Profeties zijn er nu eenmaal
om vervuld te worden. "Voor je het weet is het een bende
in dit land, willen gastarbeiders in het genot gesteld worden
van rechten (waar ze uiteraard geen recht op hebben), of willen
- godbetert - onderdanen hun zegje zonder scrupules kunnen doen!
Stel je voor zeg, straks moeten we nog voor al die oudjes gaan
zorgen! Ze mogen al blij zijn dat ze voorbij hun vierendertigste
niet verder hoeven te leven met hun uitgeteerde lichamen."
Hoeveel
had het gescheeld? Vijf centimeter? Twee centimeter. Het had uiteindelijk
teveel gescheeld. "In ieder geval nèt genoeg, zodat
die achterlijke barbaar Cjàir ... Cjòur .... Cjer
.... (die barbaar dus) tussenbeide kon komen." De aangename
rust van haar torenkamertje viel als een welkome lappendeken op
een koude winterse Novembernacht over haar heen tijdens het betreden
ervan.
Ze
stond in elk geval op het punt om de hoofdhuid van het meisje
als een Granny-Smith te schillen, toen die testosteronmongool
het blijkbaar nodig vond om een mes tussen haar schouderbladen
te werpen. "En dat alleen maar omdat hij de moeder van
dat stomme wicht kende!" Nijdig keek ze naar de glazen
bol op tafel (standaard uitrusting voor een doorgewinterde
heks) en zag dat Koning Áengus weer aan het vomeren
was. Of drank de boosdoener was, of zijn angst voor de Feòrichudh
werd niet aanstonds duidelijk. "Slapjanus."
Nuja,
van die profetie viel achteraf weinig te merken en haar wonde
genas uiteindelijk vrij snel. Die brullende overstroming die zes
jaar geleden verwacht werd laat nog altijd op zich wachten. Maar
die barbaar had haar gedwarsboomd, en dat zinde haar niet. Dus
werd het tijd voor een nieuwe invalshoek, en wat is er mooier
dan een vloek waarvan je weet dat hij uit gaat komen? "Juist,
dat je hem zelf uitspreekt."
Liefkozend
liet ze haar vingers glijden over het Boek der Vileine Verzen,
ooit gepikt van de aartsengel Michaël. Ze opende het gebundeld
werkje en bladerde er doorheen totdat ze stopte bij een afbeelding
van een medaillon.
Groen
van kleur en geschapen in de vorm van een insect.
Purificatie
#18 - Urk
Het
had de magiër anderhalve dag te voet reizen gekost, maar
het was hem niet aan te zien. Gedurende deze tocht was hij voornamelijk
druk bezig geweest om dit complot te ontrafelen, en probeerde
zichzelf waar mogelijk te vrijwaren van illusies. Diep in zijn
hart had hij deze ravage al voorzien, maar desondanks deed het
hem immens veel pijn. De smidse van zijn oude vriend was met de
grond gelijk gemaakt, en de hoop dat O'Ciaragáin eventueel
nog in leven zou zijn liet hij langzaam varen.
Het
was ontegenzeggelijk waar dat ze elkaar minimaal tien jaar lang
hadden ontlopen vanwege die slepende ruzie. En dat speet hem,
achteraf gezien. "Ongetwijfeld dat zijn drankprobleem
en mijn excessieve drugsmisbruik daaraan zijn gerelateerd. Of
heb ik dat nu altijd al gedaan?"
Ciarán
stak een pijpje tjokvol exotische bladeren aan, om beter na te
kunnen denken.
Scherpe
rook kringelde ongeduldig omhoog en verdreef de stank van rottende
bladeren en verbrand metaal uit zijn neusgaten. Hij inspecteerde
de zwartgeblakerde grond in de hoop iets van een aanwijzing te
vinden. Na niet al te lange tijd viel zijn oog op een lapje stof
dat onder een enorme stenen gevaarte uitstak. "Dat stenen
geval moet de schouw zijn," Concludeerde Ciarán.
Dichterbij gekomen realiseerde hij zich dat hij zojuist O'Ciaragáin
had gelokaliseerd. Dat wil zeggen, wat ze van hem hadden overgelaten.
En
dat was niet veel.
Hoogstens
wat verschroeid vlees en afgeknaagde stukjes bot, verder kwam
hij niet. "Wat was die heks toch van plan?" O'Ciaragáin
deed nog geen vlieg kwaad, althans, niet meer zover hij wist.
Terwijl hij het terrein rondliep op zoek naar meer aanwijzingen,
kwam hij een enorme hoeveelheid sporen tegen die hier niet thuishoorden.
"Hmm, een heleboel laarsafdrukken - geen standaard
soldatenuitrusting - van wat zwaargewichten, een drietal stevige
honden (nondeju, en ik HAAT honden)" .... en wat is dit?"
Nieuwsgierig bekeek Ciarán het rode lint dat hij behendig
met zijn wandelstok van de grond plukte.
"Dimmuhnallaidh!"
"Posities
innemen!" De krijgers reageerden routineus op de commando's
en verschansten zich op allerlei strategische plekken die duidelijk
van te voren waren afgesproken. Tormod ging alle uitvalsweggetjes
van het vissersdorpje Inbhàr na in zijn hoofd en riep Bricriu
bij zich. "Yes Milord?"
"Luister,
neem vijf man onder je hoede en ga ALLE huisjes langs, schop de
mannen lens, neem - indien aanwezig - hun wapens af en
dit keer GEEN groepsverkrachtingen ja! Ik heb geen zin meer in
dat gesodemieter met afgebeten piemels, zoals de vorige keer.
Ik wil dat dit uiterst geconcentreerd afgehandeld wordt. Oh, en
neem die klotehonden mee!"
"Yes
Milord!"
Het
zat Tormod nog steeds niet lekker. Wàs er eigenlijk wel
iemand die wist wat Líadán van plan was? "Of
worden we allemaal als hersenloze stukken vlees richting de gloeiend
hete grill gedirigeerd?" Allemaal triviale vragen, maar
vooralsnog geen antwoorden.
Zo'n
vier mijl verwijderd van Tormod en zijn overpeinsingen zag Cearnaigh,
gezeten op zijn trouwe ros Kyme, een vissersdorpje in de verte
opdoemen.
Purificatie
#19 - Flikflak
De
penetrante vislucht maakte hem hongerig, wat an sich niet verwonderlijk
was. De laatste keer dat vers voedsel zijn smaakpapillen beroerde
was alweer een poosje geleden. Barbaars van aard als hij mocht
zijn, malende was hij zeker niet. Die drukkende stilte rondom
het vissersdorpje Inbhàr voorspelde niet veel goeds, en
al helemaal niet wanneer deze stilte op vijfhonderd meter afstand
waar te nemen viel.
Cearnaigh
Oigthierna van de MacGeoghegan-clan oogde vermoeid. De koperachtige
smaak van bloed in zijn mond leek voor zijn gevoel niet weg te
spoelen. Met nog geen twintig kruiken mede. De vele sneeën
waarmee zijn beursgemepte lichaam bezaaid was jeukten onder de
hete woestijnzon. De gietijzeren arm leunde zwaar op zijn dijbeen
en hij had moeite met focussen. Vrijwel ongemerkt was er een raspende
piep in zijn adem verschenen, als een ongewenste bezoeker. Kyme,
zijn trouwe metgezel en tevens verantwoordelijk voor het algehele
transportwezen, leek solidair met zijn eigenaar en sjokte lusteloos
richting de vislucht.
De
aanval op zijn persoon kwam sneller dan verwacht.
De
Dimmuhnallaidh waren van huis uit geslepen krijgers. Kyme kreeg
geen kans om zijn baas te waarschuwen, maar werd tweehonderd meter
buiten het dorpje belaagd vanuit vernuftig gegraven gaten in het
woestijnzand. Zonder mededogen werd er van vier verschillende
kanten op het eens zo machtige paard ingehakt, waarbij zijn benen
het voornaamste doelwit waren. Deze bleken uiteindelijk geen partij
voor de hoogstaand kwaliteit dai-katana's waar de Dimmuhnallaidh
standaard mee uitgerust waren. Een paar gerichte zwaaien en het
dier zeeg aangeslagen naar de grond. Oggy had het even te druk
om een aantal fluitende pijlen te ontwijken, maar wist van zijn
vervoersmiddel te springen voordat hij beklemd zou raken onder
het massieve gewicht. Wakker geschud door zijn immer aanwezige
bloeddorstigheid stortte hij zich brullend op de dichtsbijzijnde
belagers.
Lichtelijk
verbaasd, maar toch enigszins opgewekt bemerkte hij dat hij met
goed geoefende krijgers van doen had. Zijn uitval naar de eerste
de beste vijand werd vrij gemakkelijk gepareerd en de krijger
beantwoordde deze met een verrassende tegenaanval. Bij het afweren
maakte deze tegelijkertijd een sprong met een halve schroef en
raakte Oggy vol op zijn neus met zijn linkerhak. Deze brak hoorbaar
zonder opgaaf van reden. Oggy veegde de opwellende tranen uit
zijn ogen en bedacht zich ; "Geeft niks, da's niet de
eerste keer dattie breekt." De volgende machtige zwaai
van Oggy's bijl raakte wederom geen Dimmuhnallaidh-krijger, maar
daar was het hem niet om te doen. In plaats daarvan sloeg hij
de steunplank waarmee de krijger zich in het gat had verschanst,
aan gruzelementen. Verbaasd zakte de krijger meteen borstdiep
weg in het mulle zand. Hij kreeg geen kans om eruit te kruipen,
mede dankzij de neersuizende gietijzeren arm die zijn gezicht
met één klap tot een tot pulp geslagen pompoen degradeerde.
De
overige drie aanvallers pakten het wat doortastender aan. Eén
van hen sprong op zijn nek, en de andere twee probeerden hem waar
mogelijk te steken met hun hongerige zwaarden. Cearnaigh, toch
een redelijke kop groter, draaide zich bruusk om met de krijger
in zijn nek, hem daarbij als schild gebruikend voor de immer rondvliegende
pijlen. Meerdere troffen doel, waarvan één zijn
weg vond naar het glasachtig lichaam van de krijger, via zijn
oor. De pijlpunt stak als een vreemdsoortig prothese door de iris
naar buiten. Met een zwaai van zijn linkerarm kraakte hij het
hoofd van één van zijn tegenstanders als een beschimmeld
ei. Met zijn rechterhand liet hij de bijl los, trok het bloedend
speldenkussen van zijn rug en smeet deze richting de derde aanvaller.
Deze wist de krijger nog te ontwijken, de welgemikte stomp op
zijn middenrif van de gietijzeren sloper niet. Zijn ribbenkast
bezweek vrijwel onmiddellijk onder de linkse directe - ongeveer
gelijkwaardig aan de massa van een aanstormende boemeltrein -
en spietste voorts zijn hart en zijn rechterhoofd-bronchus aan
de vrijgekomen botscherven. Op zijn hoede draaide hij zich om
en zag de resterende Dimmuhnallaidh voorzichtig naderen.
Een
vreugdeloze lach kroop omhoog in zijn keel.
Purificatie
#20 - Puravitta Noni
Ciarán
(Die met die dreads! Let dan ook eens op!) was er inmiddels
zeker van. De Dimmuhnallaidh had hier flink huisgehouden, en waren
daarna verder getrokken. De restanten van O'Ciaragáin en
zijn smidse zouden geen verdere aanwijzingen meer opleveren. Voor
Ciarán bleven er nu twee opties open. Òf het spoor
van een stel bloeddorstige krijgers volgen - en dus tegelijkertijd
het spoor van die walgelijke kuthonden - òf zich rechtstreeks
naar het kasteel van Koning Áengus begeven, daarbij het
risico lopende dat hij Líadán persoonlijk zou treffen.
Wat op zich wel weer gunstig zou zijn, want per slot van rekening
was zij diegene die subiet voor opheldering kon zorgen.
Eigenlijk
een keuze van niks.
Oggy had de situatie redelijk op waarde geschat. Slechts een kwestie
van vele jaren praktijkervaring. Eén georganiseerde groep,
zestien man totaal. Eén leider, soeverein achterin staand
met de armen over elkaar. Het onderkruipsel naast hem met die
drie aangelijnde honden moest ongetwijfeld zijn rechterhand voorstellen.
"Waarom hebben die gasten toch altijd een rechterhand? Waarschijnlijk
om hem zo nu en dan uit te kafferen of een schop onder zijn hol
te geven. Het blijft een vreemd gegeven, dat 'macht' uitoefenen."
In
de zogeheten 2-4-4-2 formatie vielen de Dimmuhnallaidh aan. De
buitenste, en tevens achterste twee krijgers bleven aan weerszijden
van hun leider staan, met gespannen bogen in de aanslag. Oggy
koos de weg van de meeste weerstand, namelijk recht door het midden,
en dat was wel het laatste wat ze hadden verwacht. Tòch
hervonden zij zichzelf verbazend snel. Oggy plantte zijn bijlblad
probleemloos in de borstkas van de eerste man, dwars door zijn
uitrusting heen. Tijd om te kreunen kreeg deze niet. Krijger nummer
twee stak toe, en trof doel. Het ogenblik daarop werd hij drie
meter achterover geworpen, met een hoofd dat overduidelijk niet
meer in verbinding stond met het moederlichaam. Slechts het slappe
nekvel ertussen zorgde ervoor dat zijn hoofd niet als een lekke
skippybal terzijde werd gesmeten. Een machtige zwaai van de gietijzeren
arm was daar debet aan.
Met
een grimas trok Oggy de dai katana uit zijn ribbenkast en gooide
deze als een dartpijl richting een groepje van vier. Bloed stroomde
als een lek pak vruchtensap uit zijn gehavende zijde. Uit het
groepje bracht een van hen zijn handen gillend naar het gezicht,
waar de dai katana als een weerbarstig verjaardagsvlaggetje uit
de frontalis stak. Met een voorwaartse sprong belandde Oggy bovenop
de overige drie schelmen, pakte twee willekeurige hoofden vast
en ze sloeg luid lachend hard tegen elkaar. Dit bracht een misselijkmakend
geluid voort, alsof er twee stukken halfbevroren vlees tegen elkaar
aan gemept werden. Een andere aanvaller trok hij naar zich toe,
nam hem in een houdgreep en stampte deze meermalen op de rechterknie.
Deze brak als een rot twijgje en nam een vrij onnatuurlijke houding
aan. Een houding waarbij verder lopen niet meer tot de mogelijkheden
behoorde.
Zes
man waren dicht genoeg genaderd en besprongen hem gedecideerd.
Sloegen, schopten en prikten hem waar mogelijk. Oggy werd vaak
geraakt, maar nooit levensbedreigend. Een strategisch geplaatst
menselijk schild weerhield hen daarvan. Tormod, zijn handen inmiddels
zenuwachtig in elkaar verstrengeld, keek toe en vertrouwde er
niet op.
"Laat
de honden los, Bricriu! Die barbaar mag niet de bovenhand krijgen!"
"Weet
u dat zeker, Milord? Ze zijn eigenlijk verre van kieskeurig ....."
"DOE
HET!!"
Bricriu
liet de honden los, en de krijgers aan weerszijden van hen keken
gespannen toe, hun bogen continue op scherp. Luid jankend en opgehitst
door de geur van vers bloed renden de honden op de vechtende kluwen
af. Twee honden besprongen gelijktijdig een krijger en beten hem
voorts in zijn gezicht en zijn hand. De derde viervoeter eindigde
uiteindelijk bij het menselijk schild en begon als een bezetene
aan diens grotesk uitziend been te knagen.
"GODVER!"
"Ik
had u van te voren gewaarschuwd Milord, die beesten ...."
Verder
kwam Bricriu niet, mede dankzij het overheersende gorgelen dat
zijn zojuist doorgesneden keel voortbracht. Tormod trok geïrriteerd
zijn mes uit de nek van zijn ex-medewerker en keek minachtend
toe hoe deze met verbazing in zijn stervende ogen ter aarde stortte.
Hij wachtte niet totdat zijn voormalig schoothondje de geest gaf,
maar draaide zich om naar zijn boogschutters. "Jullie,
vuren maar!" Beval hij hen.
"Maar
....maar , en onze makkers dan, Milord?"
"NU,
OF JULLIE EINDIGEN OOK ZO!!" Schreeuwde Tormod buiten
zinnen terwijl hij Bricriu aanwees die niet-begrijpend omhoog
keek, alsof hij de diepblauwe lucht voor het eerst in zijn leven
aanschouwde. Dik, bijna zwartgekleurd bloed liep gestaag uit zijn
keel, omhulde hem als een streeploze plaid. Meer aansporing hadden
ze niet nodig, en zo goed als het kon probeerden ze de barbaar
te raken. Tormod besteeg zijn paard en verliet gejaagd het strijdtoneel.
In het voorbijgaan zag hij nog net hoe Cearnaigh met onverholen
plezier zijn bijtgrage bijl het werk liet doen. Een eens zo trotse
Dimmuhnallaidh-krijger rende panisch gillend en zonder duidelijke
bestemming rond, achterna gezeten door twee blaffende mastiff's.
Een reep bungelend vlees over de lengte van zijn gezicht wapperde
obsceen op en neer terwijl hij een veilig heenkomen zocht. Een
verdwaalde pijl trof een van de honden, en nagelde zijn kaken
aan elkaar vast. Toch hield het beest niet op met rennen.
Smekende
gilletjes begeleidden Tormod terwijl hij feitelijk het hazepad
koos, maar een bulderende lach voerde duidelijk de boventoon.
Die lach veranderde zijn adrenalinepompend bloed in ijswater.
Want die lach,
...
dat was de lach van een barbaar aan de winnende hand.
Purificatie
#21 - Gerrit de postduif
Cearnaigh
Oigthierna van de MacGeoghegan-clan was duidelijk in zijn element.
Zonder mededogen hakte, brak en sneed hij zijn tegenstanders in
ondefinieerbare brokstukken dat het een lieve lust was. Grimmig
lachend realiseerde hij zich dat deze groepering zonder leider
niets voorstelde. Mèt leider waarschijnlijk ook niet, maar
dat viel inmiddels niet meer te controleren aangezien deze tot
een bleek stipje aan de horizon was gereduceerd. Een reusachtige
adelaar vloog luid krassend over hen heen. Oggy keek hem met licht
gevoel van déjà vu na, en wendde zich toen tot de
laatst levende vechtersbaas die zich onvrijwillig op de grond
onder zijn zware, bloedbesmeurde bijl had genesteld.
Terwijl
hij met zijn voetzool nadrukkelijk de broze luchtpijp van de angstige
krijger beroerde, vroeg hij deze waar zijn baas zo snel naar toe
aan het galopperen was. De krijger, die bijkans probeerde ruggelings
zo diep mogelijk in het mulle woestijnzand weg te zinken om maar
weg te komen van die dwingende voet op zijn adamsappel, antwoordde
dat die waarschijnlijk op weg was naar het kasteel van Koning
Áengus. En vroeg en passant of Oggy zijn voetzool ietsjes
wilde verschuiven.
Welwillend
draaide Oggy zijn hak met een ferme ruk in een hoek van vijfenveertig
graden, alsof hij een smeulende peuk uitdrukte.
Het
strijdtoneel overziend kwam Oggy tot de conclusie dat hij haast
moest maken. Die vluchtende leider zou verslag gaan uitbrengen,
die trol Líadán zou uit haar vel springen en zich
beraden op een duivelse tegenzet. Al dan niet met de hulp van
drankorgel Áengus. Of iets dergelijks. Onwillekeurig gleden
zijn vingers even naar het medaillon dat hij aan zijn riem had
vastgeknoopt, huiverde even en onderdrukte de opwelling om het
ding ver van zich af te smijten.
Kyme,
zijn trouwe ros, was niet meer. Hij gaf zijn laatste vriend in
deze wereld een aai, en zadelde een van de Dimmuhnallaidh-dravers
op. Ongeduldig veegde hij iets vlezigs weg dat even daarvoor zachtjes
kraakte onder zijn voeten. Hij dacht dat het een stuk hand was,
maar zeker weten deed hij het niet. De ondervraagde krijger zat
nog na te gorgelen, alsof er een kippebotje overdwars in zijn
strot zat en gaf bloed op. Oggy besteeg de Gypsy Cob, gaf
een ruk aan de teugels en liet de man rustig verder gorgelen.
"Go
lagaí galar tógálach do chroí!!!"
(iets met iemand iets vervelends toewensen red.)
Voorhistorische
erlenmeijers vlogen dwars door het vertrek, sloegen aan diggelen
op de massief houten werktafel, meerkleurige poeders dwarrelden
vrijuit in de lucht en vermengden zich met mistig, vrijgekomen,
fijndruppelig vocht.
Prònnasg,
de reausachtige adelaar keek beduusd vanaf zijn zitstok naar zijn
meesteres, alsof hij hiermee wilde aangeven dat hij ook maar een
boodschapper was. Líadán zag dat haar zorgvuldig
geplande meesterzet behoorlijk werd doorkruist. "Het medaillon
is eindelijk op weg hiernaar toe, maar het was geenszins de bedoeling
dat die barbaar het kwam brengen, verdomme! Damnú air!
En zodirect arriveert Tormod, ZONDER medaillon!"
"Ik
had de Feòrichudh vooruit moeten sturen, maarja, da's allemaal
kul achteraf."
Een
hels kabaal aan haar deur deed haar opkijken uit haar beslommeringen.
"HEEEJ, LIAAAdzAAn!! Hepju wazzedoen? Latzenm wu un béétje
kletsuh, jeweetzwel. IK WORDZ GEK! fan dat dommuh ggg.gegiebl
fan diezztommu wijvn hiero! " Om zijn woorden kracht
bij te zetten bonsde Áengus meermalen op de deur.
"Waarom,
wáár-òm, maak ik hem niet NU af!?"
Bedacht Líadán zich furieus. Opgezette adertjes
leken zich af te tekenen op haar gezicht, dat eerder leek op een
verwrongen masker. Prònnasg zat onrustig op zijn zitstok
heen en weer te wiebelen, startklaar om bij het minste geringste
uit het raam te vliegen. "Omdat er een betere manier is,
en dat is een kwestie van tijd .... Daarbij, de magiër is
ook op weg, dus dat is gunstig." Fluisterde ze zachtjes,
hiermee haarzelf tot kalmte manend.
"Ik
kom eraan, mijn vorst!" Sprak ze zalvend door de deur
Purificatie
#22 - Dubbel!
Hooglijk
verbaasd keek Koning Áengus omlaag naar de langwerpige
dolk, ingelegd met prachtig zuivere edelstenen en gezegend met
een lemmet van minstens vijfentwintig centimeter lang. Althans,
zulks nam hij maar aan. Een centimeter of vijf van het nakende
lemmet - meer zal het niet geweest zijn - toonde zich triomfantelijk
op wat eens zijn machtige, koninklijke pens geweest moest zijn.
Eventuele aanwezige dronkenschap was spoorslags verdwenen. Zijn
kleding begon al zwaarder aan te voelen door het gestaag stromende
plasma. De koude sensatie van de stenen vloer tegen zijn billen
gaf hem de indicatie dat hij op zijn rug lag, in een steeds groter
wordende plas bloed. Hij probeerde zich op te richten, maar een
stekende pijn rondom zijn navel verhinderde dit. Een natte kuch
rolde omhoog en bloed spatte uit zijn mond. Z'n ogen tolden weg,
zodat alleen het wit ervan onder zijn oogleden zichtbaar werd.
Koning
Áengus stierf uiterst zwijgzaam en liet ongewild een vochtige
scheet.
"Een
verre van vlekkeloze uitvoering van een weldoordacht plan, maar
het is niet anders." Líadán bekeek de bloederige
vetvlek met diepe minachting en betreurde haar eigen gebrek aan
geduld. "Hij was dronken en handtastelijk, maar hij had
niet door mijn hand moeten sterven. Geeft verder niks, dit vereist
slechts een kleine aanpassing van het originele plan."
Met opvallend veel kracht tilde ze de dode papzak uit het raam
en liet hem laconiek tussen de Feòrichudh vallen. Hongerig
wierpen zij zich op het lijk en deden zich tegoed aan de vele
vetrandjes. Peinzend liep ze terug naar het midden van het vertrek
en beraadde zich op de uitkomst van deze feuilleton.
Líadán
bekeek zichzelf nauwgezet in de spiegel en prevelde haar eeuwenoude,
raadselachtige bezweringen.
"elken
avond giet ik nen bak bier door m'n keel
ik mut maar één pint drinken of mijn ogen staan
al scheel
maar denkt na zekers ni da'k daar voor schreeuw
want voor elke frisse pint zien kik er twee
'k
zien alles dobbel,
'k zien alles dobbel,
en da komt ni door mijne wiskundige knobbel
ik
zen oep school nooit gene krak in rekenen gewest
voor aftrekken en delen wazze kik altijd geflest
met oeptellen verloor ik mijnen tel
maar vermenigvuldigen met twee da kon ik wel
'k
zien alles dobbel,
'k zien alles dobbel,
en da komt ni door mijne wiskundige knobbel
ik
zen kik gisterenavond nog eens naar mijn lief gegaan
die zegt altijd da'k ni mag drinken maar daar trekma niks van
aan
en gisteren dacht ik: waaaaw wat een wijf
mijn lief die hee vier beursten aan heur lijf"
Krap
tien minuten later keek het perfecte evenbeeld van Koning Áengus
grijnzend vanuit de spiegel terug. "De metamorfose is
gelukt! Hah! Ik heb zelfs zijn dikke pens!"
Purificatie
#23 - Vivarium
Tormod
gaf zijn paard er flink van langs hopende de heks zo snel mogelijk
in te kunnen lichten. Zijn mannen waren overduidelijk kansloos
geweest tegen die gewetenloze barbaar, en dat wekte geen vertrouwen
voor de nabije toekomst. Terwijl het kasteel in zicht kwam, maakte
zijn maag een ongemakkelijke koprol, leek wel. Tormod bemerkte
iets bij zichzelf wat hij sedert tijden niet meer gevoeld had.
Pure doodsangst.
De
laatste keer dat hij daardoor bevangen werd, was inmiddels alweer
méér dan twaalf jaar geleden. Hij herinnerde het
zich echter als de dag van gisteren. Koning Áengus, die
laffe dreutel, had hem tezamen met vier andere krijgers voor een
simpel karweitje op pad gestuurd. Verre van simpel, zou achteraf
blijken.
Het
ene moment draafden ze allen nog vrolijk lachend over een smal
bospaadje, vastbesloten om diezelfde avond vele liters drank soldaat
te maken evenals wat overtollig zaad te lozen, het volgende moment
keek hij - vastgesnoerd op een smoezelige ebbenhouten tafel -
midden in het gezicht van het pure kwaad. Het kleine houten
huisje (althans, het behaaglijk knapperend haardvuurtje en
de aandoenlijk gekleurde motieven op de dichtgeslagen gordijntjes
gaven hem de impressie dat hij zich binnenshuis bevond) had
meer weg van een amateuristisch abattoir. Zijn vier maten hingen
aan in het plafond verankerde vleeshaken, en sommigen waren al
voorbewerkt. Twee losgehakte hoofden - uit één daarvan
stak nog een groot vleesmes - keken hem verwijtend aan van een
tafeltje naast hem, en een werkbank tegen de muur lag vol met
ondefinieerbare, vleeskleurige hompen. Eromheen verspreid lagen
allerlei kleine, witte dobbelsteentjes. Tot zijn afgrijzen realiseerde
Tormod zich dat dit tanden waren.
Alsof
het bijna niet erger kon, prevelde de donkere man met het normale
postuur en de geknoopte haren precies op dat moment : "U
ziet, het lijden manifesteert zich in vele vormen ... En uw lijden
zal voortaan bestaan uit een eindeloze herhaling van al wat u
aanschouwd heeft vandaag. U zult baden in uw eigen stinkende zweet
zodra de angstdromen u s'nachts visiteren. Dit is een reminiscentie
die u nimmer zult kunnen verdringen, net zoals ik uw gezicht
nimmer zal vergeten, net zo min als u de mijne ......."
Zijn ogen, bloedrood, keken hem honend aan, leken hem te verzwelgen.
"Ga
nu heen, en vertel uw koning maar dat de godendrank NIET te koop
is!" Terwijl zijn kringspier dienst weigerde en aldus
de dunne stront de tafel ruikbaar bevloeide, zag Tormod dat het
gezicht van de donkere man begon te vervormen. Een huivering kroop
van zijn kruin naar zijn kringspier en voordat hij flauwviel begreep
hij nog net waar man's gezicht in veranderde. Een reusachtige,
nachtmerrieachtige hagedissekop.
Hij
vermande zich, slikte de prop watten in zijn keel weg en spoorde
zijn ros nog eens aan.
Veel
viel er verder niet te vertellen. Hij werd een dag later voor
de poorten van het kasteel gevonden, verregaand bevuild en naakt,
rillend als een angstig veldmuisje. Het had hem jaren gekost om
over zijn trauma heen te komen en schopte het uiteindelijk zelfs
tot leider van zijn geliefde Dimmuhnallaidh. Koning Áengus
|