Purificatie #1

We schrijven het jaar 504. Een jaar waarin vele drastische veranderingen de complete wereldgeschiedenis een ander aangezicht gaven. Maar geen verandering ingrijpender dan de opkomst van die ene man. Die ene man, wiens naam velen deed sidderen. Niemand, maar dan ook niemand durfde die naam hardop uit te spreken.

Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan overzag de stapels lijken waarmee zijn pad door de woeste vallei bezaaid was. Lichaamsdelen, geen van hen op dezelfde wijze losgehakt, leken een hoog niveau kruiswoordpuzzel voor te stellen. Ranke boompjes, in de bloei van hun leven, hingen mentaal geknakt in bizarre poses aan weerszijden, alsof ook zij de strijd opgegeven hadden. Zijn lijf voelde vermoeid aan. Behoorlijk vermoeid, maar voldaan. Een lendedoek, het enige noemenwaardige stuk textiel die de aanmerkelijk zwakkere kant van zijn massief gespierde lichaam verhulde, stond stijf van het opgedroogde bloed. De dikke lederen riem om zijn middel - ooit gekregen van een bijzondere vriendin die uiterst bekwaam was in de edele leer van 'srùbadh' - hing als een molensteen om zijn smalle heupen vanwege het vele zweet dat het leer gaandeweg had opgezogen. De bijbehorende bronzen gesp hing als een onzedelijk voorbehoedsmiddel tussen zijn dijen, en hield daarmee de felbrandende zon op gepaste afstand. Zijn bijl vertoonde slijtage. Een stukje oog bleef hardnekkig aan het blad plakken.

Het gegil verstomde nooit in zijn hoofd. Deze symfonie kende geen einde. De doodskreten waren zijn enige vrienden. Ook gedurende de koude, stille nachten konden ze bij hem aankloppen. Nimmer vergeefs. Met zijn dode broeders hield hij innige conversaties. Over legendes. Over sterke drank. Over vrouwen, en het vlees aan hun botten. Opgave kende hij niet. De geur van gestold bloed zou voor zijn gevoel permanent in zijn neus blijven hangen deze komende jaren.

"Maar op dit moment overheerst de geur van hondenpoep onder mijn sandalen, godverdomme!!"

Purificatie #2 - Cocoonen bestond nog niet

Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan (Oggy voor vrienden) veegde kwaad zijn besmeurde sandalen af aan een afgehakt stuk hoofd wat stomtoevallig binnen handbereik lag. Dat ging niet onaardig, daar het een flink bebaard hoofd betrof. "Honden, dat zijn pas ondieren!" Oreerde hij tegen het met poep besmeurde stuk hoofd. Veel respons kreeg hij niet terug.

Hij keek om zich heen en telde, zo goed en zo kwaad als het ging, het aantal kadavers. Voor zover hij wist bestond de MacGillycuddy-clan uit een mannetje of tweehonderd en de teller tot dusverre stokte rond de honderd achtennegentig. Hij was dus nog niet helemaal klaar.

Hij besloot voor zichzelf dat het broodnodig tijd werd voor een maaltijd, een flinke kan bier (of twee), een bad en mocht hij de puf nog hebben tegen die tijd, een zuigbeurt. Hoelang was het alweer geleden, zijn laatste 'srùbadh'? Te lang, zoveel was wel zeker.

Slechts één snerpend fluitje tussen zijn tanden en Kyme, zijn trouwe zwarte ros, vond de weg probleemloos naar zijn baasje. Oggy besteeg zijn bolide en gaf gas richting het dichtsbijzijnde dorp. Her en der wat zwak doodsgereutel begeleidde zijn weg uit de woeste vallei.

De taveerne was snel gevonden en de herbergier schatte deze klant op waarde. Eten, drinken, een warm bad, het mocht deze gast aan niets ontbreken. Een blik op de machtige spierbundels en de roodkorstige hakbijl waren voldoende om tot deze conclusie te komen.

Een uur later genoot Oggy intens van een warme bad. "In deze barre tijden is het van uiterst belang dat men de tijd neemt om te onthaasten. De stress van het hakken en plunderen pleegt roofbouw op een mens, en veroorzaakt maagzuur en andere vervelende kwaaltjes." Een speels glimlachje gleed over zijn gezicht bij deze gedachtes. "Het lijkt wel alsof Eibhleann nog altijd bij me is. Hoe zou het inmiddels met haar gaan?" Misschien moest hij haar maar weer eens opzoeken.

Tevreden leunde hij achterover en drapeerde een natte lap over zijn gezicht. Rustig ademend mijmerde hij over vervlogen tijden en voelde hoe zijn lid zich onrustig met bloed begon te vullen. Onwillekeurig omsloot hij zijn lid met zijn rechterhand en begon deze zorgvuldig te liefkozen, zoals alleen mannen dat kunnen, aangezien ze zelf het beste weten welk ritme zij prefereren alsmede de juiste hoeveelheid druk.

De interruptie kwam nogal ongelegen, want de cadans voelde perfect aan op dat moment. Er werd nogmaals op de deur geklopt. "Wie daar!" Snauwde hij bars tegen de massieve, houten deur. "Uw gezelschap." Zei de zoetgevooisde stem achter de deur.

"Kom binnen!"

De deur zwaaide open, en een prachtige, rondborstige jongedame in schaarse kledij werd hardhandig naar binnen geduwd. Oggy had er minder oog voor dan normaal, want zijn aandacht werd afgeleid door de drie woestuitziende mannen die erachteraan denderden. "MacGillycuddy-clan, verdomme! Klote-kastelein!" Vervloekte hij de herbergier binnensmonds.

Hun strijdkreet brullend en met getrokken zwaarden stormden de mannen op hem af.

Purificatie #3 - Nudist! Nudist!

"Dh' aindeòin co theireadh e!"

De oorlogskreet, con anima, deed hem huiveren. Dit was zeer zeker niet het jaargetijde voor de argelozen. En naïef was hij geweest, door te denken dat hij zonder tegenstand kon gaan badderen wetende dat er nog vijandige clan-leden in leven waren. Op zoek naar hem, notabene.

De bevallige jongedame struikelde en landde plat op haar buik voor de ingang. Een tiet floepte uit het strakzittend corset en leek het naderend schouwspel in zich op te willen nemen. De donkerroze tepel keek verwilderd rond als een ontmaskerde voyeur. Het hysterische gegil van de eigenaresse overstemde de MacGillycuddy-yell ruimschoots. De rechte lijn naar het beoogde slachtoffer werd nu hinderlijk versperd, dus de drie mannen werden gedwongen hun dramatische entree één voor één te maken.

Dit verschafte de Ogg-man de hoognodige seconden. Met zijn rechterhand graaide hij naar de bijl die hij een uurtje eerder strategisch naast het bad had neergelegd. Hij richtte zich pijlsnel op en kliefde met zijn favoriete slagwapen het aanstormende voorhoofd van de dapperste van het stel in tweeën. Schuimend water kletterde uit het bad op de vloer. De verbaasde blik in man's ogen dreef langzaam uit elkaar. De opengespleten schedel liet een klankloze scheet, veroorzaakt door de uitpuilende hersenen die, bevrijd van hun beknellend omhulsel, hun weg naar buiten zochten.

De Ogg-ster hief zijn wapen boven zijn hoofd voor de volgende aanval. De voyeuristische tepel keek verwonderd naar de opengeslagen schedel naast haar terwijl de hersenschors eruit sijpelde, zich daarbij vermengend met het groezelige badwater. De jongedame keek bewonderend naar de barbaarse Ier die rechtop in bad stond te zwaaien met die enorme bijl. Zijn volledig erecte piemel zwaaide ritmisch mee. Gillen deed ze nog wel, als een langspeelplaat met een pit erin.

Met een kreet sprong Oggy uit bad en stortte zich op belager nummer twee. Van alle gevechten uit zijn onstuimige carrière tot nu toe was dit één van zijn zwaarste beproevingen. Toegegeven, zijn voorvaderen vochten dikwijls in hun adamskostuum, maar zijnde een moderne telg uit diezelfde familie behield hij het liefst een deel van zijn waardigheid. "Poedelnaakt een robbertje knokken, probeer het maar eens." Gonsde het door zijn hoofd terwijl hij de venijnige aanval van zijn vijand pareerde. Hij deed een stap naar voren en ramde de bijl zijwaarts in het femur van zijn tegenstander. Dat bewuste been zou zonder problemen losgelaten hebben, ware het niet dat de Ogg-man tegelijkertijd uitgleed over een mengsel van hersenschors, bloed en irritanter, water en zeep.

Op een nogal schlemielige manier - het zag er allerminst heldhaftig uit - liet hij de bijl los en belandde naast de gillende jongedame op de natte, roze gekleurde vloer. De tepel keek bewonderend naar zijn fier priemend lid. Tenminste, zo beeldde hij zich dat in.

Het gehavende clan-lid bleef ternauwernood overeind terwijl de bijl zegepralend uit het bovenste gedeelte van zijn dijbeen stak, als een obsceen vlaggetje op een pleziervaartuig. Deze wapperde echter niet. Hij gilde als een bezetene naar het blad wat nog maar half zichtbaar was.

Clan-lid nummmer drie zag zijn kans schoon en duwde zijn compaan opzij, die nog immer gillend tegen de badkuip aanviel. Door zijn eigen gewicht drukte de bijl door en amputeerde zijn been alsnog. Eindelijk liet de bijl hem verder met rust. Het gillen aan alle kanten ging overminderd door, zodat het leek of de jongedame, clan-lid 1 en 2 hun eigen hysterisch zangkoortje vormden.

Met een triomfantelijke blik in zijn ogen - gillend, uiteraard - en met zijn zwaard in de aanslag deed hij een uitval naar de naakte Ier.

"Ja, en nu ?" Vroeg Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan zich af.

Purificatie #4 - Bevroren tijd

Wat was eigenlijk de afstand van het zwaard tot zijn strot? Een meter? Twee meter? De tijd stond stil.

als de afstand nog maar een meter is kost het hem een stap om dicht genoeg bij mij in de buurt te komen als het twee meter is een stap extra kan ik bij mijn bijl of ik weet het ik vang zijn zwaard op tussen mijn handen en breek daarna zijn nek en ziet het niet vreemd uit ik die hulpeloos op de grond ligt met een harde piemel zij ziet er geweldig trouwens uit straks maar even met haar kletsen als dit tenminste nog wat wordt hahaha oh lieve Eibhleann wat ben je aan het doen nu al die mooie dagen en mooie nachten die we deelden ik heb er spijt van ik had je nooit achter moeten laten ik stuur de postduif wel die andere ligt nog steeds te kermen logisch zou ik ook doen als ik net mijn been was kwijtgeraakt niks ergers dan afhankelijk te moeten zijn van andere mensen zelf ben je er zeker van dat je alles kan zo'n geamputeerd been schijnt enorm te jeuken hahaha maar raar jeukt terwijl het been er helemaal niet meer is schoen kwijt beter dan een afgesneden piemel bedelen voor de kost hij met zwaard lijkt op mijn oom altijd dronken met rood opgezwollen hoofd hoeveel mensen nu tegelijk neuken schijten krabben pulken korstjes stinkvoeten stom van te voren moeten weten in bad liggen kastelein niet te vertrouwen moet ooit nog eens andere landen zien onder controle gaat vast lukken stoere vent schijt in mijn broek gelukkig geen broek aan bijl kan ik erbijl erbijl links afweren schop ander been onderuit mirakel heilige interventie moeder help papa stinkt Eibhleann prachtige vingers zwemmen drijven bier zal goed smaken stoer hoor deur gebarricadeerd nog een keer wassen badwater niet meer bruikbaar Conan Scharznegger niet overtuigend welke man godsnaam rok stelletje mietjes held van het verhaal kan niet afmaken wedden dat eerst afweren kopstoot kom maar op

"Kom maar op!" Zei hij hardop en alles kwam weer in beweging.

Purificatie #5 - Breitling kopen?

Instinctief stak hij zijn linkerhand omhoog om de aanval af te weren. Dat dit achteraf gezien niet een al te best idee was, bleek wel uit de schade die hij hiervan ondervond. Niet dat er betere suggesties voorhanden waren op dat moment.

Met één houw beroofde zijn vijand hem van drie knokige vingers en zette onmiddellijk aan voor de volgende klap. In slowmotion (niet dat ze destijds wisten dat dat zò genoemd werd) vlogen zijn vingerkootjes door de lucht en stuiterden speels op de smerige badkamervloer alsof ze een vriendschappelijk, maar haastig potje canasta speelden. Zijn duim leek de horlepiep te dansen met zijn middelvinger, terwijl de wijsvinger erbij lag als een kwijtgeraakte peulvrucht. Oggy keek verbaasd naar het restant van zijn linkerhand en vroeg zich af wat de neveneffecten eigenlijk waren van het hebben van een halve hand. "Touwtje springen zal wel wat lastiger worden nu en dat is zonde, want dat kalmeerde mij meestal enorm na zo'n vermoeiende dag vol verminkingen en bloedvergieten."

Enorm hysterisch giechelen, daar had hij nu wel zin in.

Zijn belager had zichzelf een glansrol toebedacht in deze episode. Hij, en hij alleen zou vanaf nu af aan bekend staan als de man die deze idiote barbaar met die onuitspreekbare naam te grazen had genomen. Hij maakte een prikkende beweging richting het gezicht van de barbaar, alsof hij één van Oggy's oogbollen aan zijn zwaard wilde rijgen en deze daarna als een vochtige lolly aan iemand wilde aanbieden.

"Maar Oggy wil helemaal geen lolly ...." Giechelde Cearnaigh in zichzelf.

De jongedame met de weetgraage tiet - Zij zou zich later voorstellen als Moirrey Malane Ní Dhónaill - kroop ondertussen behoedzaam naar de uitgang en vermeed waar mogelijk de aanblik van clan-lid nummer twee, die meelijwekkend achterover leunend in puur ongeloof staarde naar het hevig bloedend stompje dijbeen wat hem resteerde. Zijn panische blik schoot zenuwachtig heen en terug van het stompje naar het been wat er aan hoorde te zitten, alsof hij er nog niet van was doordrongen dat het zijn voet betrof die nu beschuldigend met priemende tenen naar hem wees.

Haar jurk, kniehoog doordrenkt en loodzwaar van al het water, bloed en andere vloeibare rommel waar de badkamervloer mee ondergelopen was, sleepte achter haar aan als een gestrande sloep die maar niet kon loskomen van een ondiepe rivierbedding. Vaag zag ze haar gezicht misvormd rimpelen in de onbestemde, vochtige massa waar ze doorheen kroop. Pas toen viel het haar op dat haar mond continue openstond. Het besef dat ze dus voortdurend aan het gillen was, maakte haar nog angstiger dan ze al was.

Clan-lid nummer drie stak toe. En trof doel. De punt van het zwaard verliet de linkerpols van 'Tweevingerige Og' aan de achterkant en keek hem dwingend aan. Had men in deze tijden polshorloges gekend, dan was het zijne zeker weten doorboord. Oggy schreeuwde het uit van de hemeltergende pijn, maar wist wel in een reflex zijn belager met de vrije rechterhand bij zijn groezelige hemd te grijpen. Hij trok de man hard naar zich toe en sloeg met zijn hoofd naar voren en raakte een paar voortanden. Een zwart exemplaar brak af en bleef in zijn voorhoofd hangen als een mini-rolluikje. Voortvarend draaide hij zijn linkerduim een kwartslag naar zich toe en ondanks de snerpende pijn die dit veroorzaakte boog hij het lemmet toch enigszins van zich af. Hij zwiepte zijn hoofd nogmaals voorwaarts en beet het vijandelijk sujet in de strot en begon te kauwen.

Bloed begon rijkelijk zijn keel in te stromen en de man spartelde met al zijn macht tegen. Het zwaard had hij al losgelaten en met beide handen trachtte hij zich los te worstelen van dit onmenselijke figuur. Oggy bleef kauwen en proefde mede, de voorloper van het edel'n bier zoals wij dat tegenwoordig kennen. Stukjes kraakbeen lieten vochtig knappend los en kraakten tussen zijn tanden. Het gespartel werd steeds minder. Bijna zwartgekleurd en afkomstig uit de mond van de belager die nu minstens net zo hard op zijn beurt belaagd werd, liep het bloed nu ook over zijn gezicht. De twee leken verwikkeld in een soort paringsritueel waar de onbeholpenheid van afdroop.

Hij stopte pas met het malen van zijn gebit toen hij zich realiseerde dat het verder stil was in de badkamer, op zijn knauwende geluiden en het klotsende water na. Clan-lid nummer drie had zich al gewonnen gegeven. Zijn kaken deden pijn en zijn mond zat vol met bloed en andere smurrie. Hij spoog vol walging zijn mond leeg en draaide zich om naar nummer twee, klaar om de volgende aanval op te vangen.

Deze keek zwijgend en met zielloze ogen terug, terwijl een indrukwekkende dolk de zijkant van zijn nek sierde. Moirrey Malane hield het heft vast en keek hem brutaal aan. Ze gilde niet meer.

Purificatie #6 - Dierensex

Moirrey Malane keek ongerust naar zijn hand, en concludeerde : "Zo, da's een zooitje zeg."

Het leek Oggy verder niet te deren. Onverschillig plukte hij het zwaard uit zijn arm en wierp het van zich af. Hij nam de badkamer aandachtig in zich op, en realiseerde zich dat deze in de verste verte niet meer leek op het vertrek waar hij nog geen zes minuten geleden aan het bijkomen was. Ingewanden waren oneerbiedig over de muren uitgesmeerd, ook al kon hij zich niet herinneren dat hij daar debet aan was geweest. Er was werkelijk zoveel bloed aanwezig, dat het de kamer een potsierlijk aangezicht gaf. Er dreven wat hersenen in het badwater en het afgehakte been van clan-lid twee lag verkeerd om naast het goede been. Clan-lid drie leek geluidloos naar hem te roepen met zijn zojuist verkregen tweede mond en de larynx daarachter maakte een obsceen gebaar naar hem, als een soort wulpse tong. Zijn linkerhand voelde pijnlijk (duh!) aan en was dringend aan verzorging toe. Hij wendde zich tot de dame en wilde zijn erkentelijkheid jegens haar uitspreken. "Mijn naam is Cear ....."

"Ik weet wie u bent. Dacht u soms dat uw daden onopgemerkt voorbij gingen? Vanaf het moment dat u het dorp binnenreed, begonnen vele knietjes al te knikken. Complete dorpen heeft u uitgemoord, de condoleanceregisters zijn niet aan te slepen, begrafenisondernemers floreren als geen ander en IK ZOU NIET WETEN WIE U BENT!?!"

Haar boezem zwoegde hevig op en neer vanwege haar versnelde, hijgende ademhaling, en Oggy keek aandachtig naar haar vlezige tiet, die nog steeds buiten het corset uitstulpte.

Ze keek omlaag, deed niets om het te verhelpen, en keek hem weer brutaal aan.

"Je bent bloedgeil hèh?" Vroeg Oggy terwijl hij haar van top tot teen keurde.

"Ja." Zei ze hees terwijl ze opnieuw met groeiende belangstelling naar zijn steigerende zwellichaam keek.

"Andere kamer regelen?"

"Da's goed. Eerst een verbandje zoeken voor je arm?"

"Ja. Schiet op."

Met een rode blos van opwinding liep ze gehaast het vertrek uit op zoek naar een noodverbandje.

Purificatie #7 - Orenmaffia

Het deed hem pijn, en niet zo'n beetje ook. Vanuit een exoterisch perspectief bezien was de neukdaad één van z'n meest favoriete occupaties, het moest echter niet ten koste gaan van zijn geloofwaardigheid. En oudmodisch als hij was, geloofde hij nu eenmaal dat hij, als dè sterke man, de bovenliggende partij moest vertegenwoordigen tijdens de rampetampcompetitie.

En dat viel niet mee met een half weggeslagen linkerhand. Ook al had ze het noodverband op bijzonder kundige wijze aangebracht. Nee, nu de adrenaline-injectie van het krijgsgewoel, die in zijn optiek immer op leven en dood moest zijn, uitgewerkt was, trof de notie van brandend, allesverterend ongemak hem als een luide, mammoetachtige scheet, vergeven van verrotting veroorzaakt door slecht gepocheerde eieren en filet americain over tijd, midden in het gezicht. En dat alles terwijl zijn mond wagenwijd openstond. Zijn linkerarm pulseerde pijnlijk van pink tot elleboog, als een holte waar even tevoren een verstandskies uit zijn natuurlijke habitat weggerukt was.

Moirrey Malane trof verder geen blaam, sterker nog, ter compensatie kloof ze Oggy's tampelöeris leeg totaan het laatst beschikbare zaadvocht, als ware het een Belgisch frietzakje.

Hoewel enorm dankbaar voor haar genereuze geste, bleef Oggy toch achter met een mistroostig gevoel. Een beetje leeg, leek wel. Het gebrek aan alternatieve pijnstillers noopte hem tot een bestelling van een buitensporig grote krat mede, maar Moirrey Malane kwam met een suggestie die hem, na het nuttigen van enkele liters mede, steeds aantrekkelijker in de oren klonk. Ze moest het wel een keer of twintig herhalen voordat het tot zijn botte kop doordrong, maar daarna was hij het volmondig met haar eens. De honingwijn sproeide vrijelijk, ten teken dat het smaakte. Een gulle glimlach sierde de rest van de broeierige avond zijn gehavende gezicht.

"Moirrey, m'n liefste, u heeft voorwaar mijn hart gestolen. Morgen, bij het krieken van de dag, zal ik inderdaad Ciarán de ge-dreadlock-de magiër visiteren."

Purificatie #8 - Properheid

"Nee Cearnaigh, niet Ciarán, maar O'Ciaragáin. Ik vrees dat je oren nog vol bloedkorsten zitten. O'Ciaragáin is een edelsmid annex chirurgijn en heeft zijn stulp hier vlakbij in de buurt. En hij kappert bij in zijn vrije uurtjes."

"Oh. Ok.
Laten we bij nader inzien dan maar meteen gaan. Ik vertrouw die kastelein hier voor geen meter."

"Weet je het zeker? Heb je niet teveel last van je hand?"

"Ik gebruik zo wel wat alcohol, dat helpt wel."

"Doet dat niet ontzettend veel pijn?"

"Ach, de eerste slok brandt een beetje in de keel, maar verder gaat het wel."

Er werd op de deur geklopt.

"Wie daar?"

"Housekeeping, meneer."

"Eh, moment!"

Gehaast pakten ze wat spulletjes bij elkaar en liepen de schoonmaakster vriendelijk groetend voorbij. Verbouwereerd bleef deze achter met de bloederige ravage.

Moirrey Malane stopte onderweg naar buiten bij haar kamer om de broodnodige spulletjes mee te nemen. Terwijl ze de toog passeerden, gaf Oggy de verbaasde kastelein een kopstoot welke de glazen deed rinkelen.

O'Ciaragáin de edelsmid was een toegewijd ondernemer. Dat stond buiten kijf. Jammer dat de zaken allerminst floreerden, en zijn drankprobleem zich buitenhuids begon te manifesteren, maar onder die etterende, drankdoordrenkte huid school een begenadigd vakman. Moirrey Malane was een achternichtje van hem, dientengevolge zou hij haar niets kunnen weigeren.

Zo beneveld als hij echter was, gisteren was hij in genen dele geboren. Deze woest uitziende krijger met de gehavende hand, was een wandelende reclamezuil voor het merk 'Sores' (er is geen betere!). En daar zat O'Ciaragáin eigenlijk niet op te wachten.

Drie kruiken mede later zat hij moppen te tappen met Oggy, terwijl de tranen over zijn wangen biggelden van pret. "Prachtvent dit, Morry, echt waar! Prachtvent."

"Maar laten we eens aan het werk gaan. Deze jongeman heeft hulp nodig en snel ook.
Laat je hand eens zien? Mja, mja. Dat moet nogal onprettig aanvoelen, niet?
Oké, in alle eerlijkheid. Je vingers kan ik er niet meer aanzetten (Nee, vergeten mee te nemen, sorry), dus het beste lijkt mij om het hele handeltje dicht te schroeien. Daarna heb ik wel iets moois voor je."

Oggy nam nog maar eens een flinke slok van de mede en wachtte op wat komen zou.

Amper twee uur later ontwaakte hij, op een aftands berenvel voor de schouw. Voor het eerst vandaag nam hij de slechtverlichte smidse in zich op. En wat hij zag, zag er niet uit. Aambeelden lagen verloren op hun kant, zwaarden, bijlen en ander hakapparatuur lagen onafgemaakt als oorlogsslachtoffers verspreid door de kamer. Etensresten kleefden tegen de muren. Nee, een varkensstal kon er nog netter uitzien. Terwijl hij overeind probeerde te komen, naar adem happend wegens een barstende mede-kater, merkte hij dat dit nog moeizamer ging dan normaal. Het antwoord daarop lag om zijn linkerarm besloten.

Purificatie #9 - Finetunen

Zijn keel voelde droog en rasperig aan(Waar is de mede?). Blijkbaar was hij in slaap gesukkeld, maar dat was nog niet alles. De aanblik van de rommelige smidse en de zwarte, metalen vorm om zijn linkerarm gaf hem een naargeestig gevoel. Het zag er zwaar uit. Terwijl hij zijn arm probeerde op te tillen, kwam hij tot de ontdekking dat het nòg zwaarder woog dan het eruit zag.

"Hee O'Ciaragáin, maak je een grapje ofzo? Dit ding weegt nog meer dan drie bastaardzwaarden!"

Hij probeerde zich op te richten. Zijn botten en scharnieren piepten en kraakten beduidend harder dan normaal.

"Natuurlijk is het zwaarder dan drie bastaardzwaarden bij elkaar", Antwoordde O'Ciaragáin hem. "Het is dan ook in staat om de aanvallen van driehonderd bastaardzwaarden te weerstaan. Theoretisch gezien dan."

"Werkelijk?"

Hij bekeek zijn arm nog eens goed, ditmaal onder het flauwe schijnsel van de kandelaar op de schouw. Het leek wel alsof er een inktpot over zijn arm uitgegoten was, maar dan gitzwarte inkt met de structuur van afgekoelde lava. Het begon bij zijn schouder en liep over de totale lengte van zijn arm richting zijn hand, als een fantasieloze tatoeage. Het had veel weg van een uit zijn krachten gegroeide handschoen, met het verschil dat deze voorin alleen plaats bood voor een pink en een ringvinger. Zijn pink en ringvinger. Slechts de handpalm werd vrij gelaten en het geheel was afschuifbaar. Zijn bleke huid - bij het handpalmgedeelte - stak scherp af tegen het zwarte metalen gevaarte. Het afschuiven ging moeizaam, maar zodra hij zijn twee overgebleven vingers strekte, kon hij zijn arm uit het op maat gemaakte stukje harnas trekken. Een pijnscheut trok door zijn hand. Met een vaag gevoel van weemoed bekeek hij de drie stompjes die zwarte, gerafelde randjes van het dichtschroeien vertoonden.

"Het ziet er best sexy uit, Cearnaigh", Fluisterde Moirrey Malane achter hem.

Hij gromde goedkeurend vanwege haar gevoel voor humor. O'Ciaragáin nam een teug uit een handzaam kruikje en tikte met zijn pijp op de metalen arm.

"Ik heb jouw arm eerst overgoten met een mengsel wat ik later weer als mal gebruikt heb. Dat spul waar de metalen arm van gemaakt is, noem ik 'gegoten ijzer'. Geen idee of zoiets nog voor andere doeleinden te gebruiken valt, maar voor jou is het wellicht een uitkomst. De voorkant, zeg maar waar de rug van je hand overgaat in je pols, is drie lagen dik. Dat is namelijk de kant waar je de meeste klappen mee op zult vangen. Nog iets anders, je hebt net twee uurtjes geslapen en ik zou jullie met liefde een maaltijd en goede nachtrust willen aanbieden, maar de tijd om dit dorp te verlaten is aangebroken. Je mag de MacGillycuddy-clan dan wel volledig uitgemoord hebben, maar er zijn nieuwe problemen aan de horizon verschenen. Het schijnt dat de Koning zich er hoogstpersoonlijk mee bemoeit."

"Koning Áengus? Waarom dan?"

"In vino veritas. Geen idee, ik ben ook maar een oude man. Luister, een halve dag rijden hiervandaan, richting het oosten. Daar zul je een verlaten boerderij vinden. Blijf daar twee dagen en jullie zullen bezoek krijgen van een oude vriend van mij. Hij zal zich voorstellen als 'de Uitbater. Hij zal jullie verder helpen. Hou je tot die tijd gedeisd, want er staat een forse beloning op jullie hoofd, al dan niet gescheiden van je romp. Ja, Morry, ook jij."

Tien minuten later was Oggy al drukdoende Kyme op te zadelen voor een lange reis. Hij bedankte de edelsmid uit de grond van zijn hart en hoopte dat zij elkaar weer terug zouden zien, zodra de roerige omstandigheden zich daarvoor leenden. Moirrey Malane nam emotioneel afscheid van haar oom, maar was desondanks verheugd dat ze bij Oggy in de buurt zou blijven.

Ongeacht de onheilspellende en onzekere toekomst die ze tegemoet reden.

Purificatie #10 - ....... Tweeëndertig!

O'Ciaragáin liep - nadat hij hen had uitgezwaaid - weer naar binnen en nam plaats op een ongemakkelijk krukje. Zijn luie stoel stond nog geen twee meter verderop, maar hij had geen zin in een comfortabele zitplek. Niet nu. Zijn blik bleef hangen bij het bordje dat in het midden van het vertrek hing. En alhoewel hij, met zijn slechte zicht, niet kon lezen wat er stond, wist hij allang dat de tekst luidde :

WAPENS KLAAR TERWIJL U WACHT

Hij zuchtte zwaarmoedig. De neerslachtigheid leek hem te omhullen als stoom van een tè hete douche. Als tegenmaatregel nam hij een fikse slok uit zijn heupkruik. Mocht hetgeen hij eerder vernam waar zijn, dan staat de wereld een catastrofe te wachten die z'n weerga (nog) niet kent. Een cataclysme die hij in ieder geval niet meer zou meemaken. Zoveel was wel zeker. Ach, hij was per slot van rekening een oude man, dus wie zou er nu malen om zijn heengaan? Morry wellicht, maar die heeft voorlopig voldoende afleiding voor de komende tijd .........

Moirrey Malane Ní Dhónaill omklemde de woeste barbaar steviger, aangezien hij duidelijk de pas aan het versnellen was. Kyme's zwarte, glanzende huid spande en ontspande zich steeds sneller, ten teken dat de turbo aangezet was. Het weer betrok, en snel ook. Als ze geen spoed maakten zouden ze ingehaald worden door het zware weer en dat zou het zicht richting hun eindbestemming aardig vertroebelen. Hoewel het pas een uur of vier s'middags was, leek de duisternis hun snel in te halen, als een aansnellende walvis die zich tegoed deed aan tonnen krill. Cearnaigh had een andere, duidelijker aanwijsbare reden voor zijn plotselinge haast. Die stofwolk vanuit het westen die hij even tevoren aan zag komen voorspelde niet veel goeds. Bang was hij niet, verstandig wel. En zijn verstand vertelde hem haast te maken richting de bestemming die de oude edelsmid aangaf, want bemoeienis van Koning Áengus zelf ging nooit zonder de hulp van Líadán, daar kende hij Áengus goed genoeg voor. Oggy had een hekel aan magie. Maar hij haatte die heks Líadán.

O'Ciaragáin had de aanstormende meute al gehoord. Berustend stak hij zijn pijp nog eens aan, en inhaleerde diep. De zoete tabakslucht prikkelde zijn keel en neus, herinnerde hem aan vervlogen tijden waarin hij als jonge halfgod het dorp onveilig maakte. Zoete herinneringen aan zijn vrouw, acht jaar geleden alweer overleden. De deur werd bruut ingetrapt en een aantal krijgers traden binnen. Hun kleding, imponerend zwart met een rood lint om hun brede biceps heen, contrasteerde scherp met het grijze metaal van hun zwaarden. De angstaanjagende gevechtshelmen, vaker wel dan niet versierd met oren, vingers en soms testikels, gaven hen een onmenselijk voorkomen. Dit waren de alom gevreesde Dimmuhnallaidh, getrainde krijgers die bij de wet niet bestonden, maar 'klusjes' voor de Koning opknapten. Hij wist wie ze waren. Wie de Dimmuhnallaidh tegen het lijf liep, was verzekerd van een bezegeld lot.

Eén van hen liep dreigend op de edelsmid af en vroeg : "Waar zijn ze?"
O'Ciaragáin haastte zich niet. Hij nam nog eens een trek van zijn pijp en keek de krijger smalend aan. Het volgende ogenblik lag hij achterover gestrekt op de grond, gevloerd door de kopstoot die hij niet zag aankomen. Bloed spoot uit zijn neus en mede liep uit zijn gebroken heupkruik. Hij werd razendsnel overeind getrokken en de man siste tegen hem dat des te sneller hij zou spreken, des te pijnlozer zou zijn naderende dood zijn. O'Ciaragáin glimlachte nogmaals, en die ene losse voortand - bungelend aan zijn tandvlees als een drenkeling die zich krachteloos aan de laatste reddingsboei vastklampt -maakte zijn uitdrukking zo mogelijk nóg spottender. De volgende klap werd alweer uitgedeeld, en hij vloog onvrijwillig door het vertrek, landde nogal onzacht tussen een stapel aambeelden.

"Komaan ouwe, anders beginnen we met je tenen."
O'Ciaragáin begon te giechelen, steeds harder, steeds waanzinniger. Hij giechelde nog steeds terwijl ze zijn kleine teen afhakten. Toen zijn derde teen eraf werd gekapt, viel hij flauw. Een hete pook in zijn linkeroor bracht hem weer snel bij. "Het stinkt hier, niet?" Vroeg hij hen. Daarop sneden ze zijn oor af en stelden nogmaals diezelfde vraag, waarop hij, zoals eerder, geen coherent antwoord op gaf. Niet voor een gat te vangen sneden ze zijn voetzolen overdwars open en roerden daarin met de eerdergenoemde pook. Buiten de smidse keek een bosuil belangstellend vanaf zijn veilige tak naar de groep mannen die in drommen naar binnen wandelden. Het verschil tussen het giechelen en gillen van O'Ciaragáin begon nu steeds duidelijker te worden.

Iets minder dan vijftien mijl richting het oosten keek Cearnaigh onwillekeurig even om. Een ijskoude rilling trok van zijn ruggegraat omhoog naar zijn kruin. "Koud, schat?" Vroeg Moirrey Malane hem. "Mwoah."

Ruim tachtig mijl richting het zuiden, zat Ciarán de ge-dreadlock-de magiër in een lemen hut zijn waterpijp te vullen met allerlei exotische bladeren. Hij stak deze aan en nam inhalige, diepe trekken. Dikke rookwalmen vulden het hutje, als een mini-sauna. Een apart groen brouwseltje werd ernaast gedronken.

"Aaaah, hehe, deze mix werkt nóg sneller! * Uche, uche *
Nou, op mezelf dan maar heh? ...... Er is er één jarig, hoera, hoera ..........."

Purificatie #11 - Prioriteiten

Het behoeft verder geen betoog dat O'Ciaragáin op bijzonder brute wijze aan zijn einde kwam. De Dimmuhnallaidh waren uitermate bloeddorstig van aard, en hakten hem derhalve aan mootjes. Letterlijk. De drie mastiff's, binnen deze groepering veelal gebruikt als waak-en speurhond, deden zich hongerig tegoed aan de schamele resten van de edelsmid.

Tormod, hun nors kijkende aanvoerder, riep zijn rechterhand Bricriu bij zich."En?" Bricriu koos zijn woorden wijselijk. Zijn werkgever had meer dan eens iemand's nek als een lullig twijgje gebroken, puur op basis van een verkeerde blik. "Die oude was taai. Dat moet ik hem nageven. Zelfs de honden hebben moeite met het verslinden van zijn kadaver. Geen woord heeft hij losgelaten, wàt we hem ook aandeden." Angstig keek hij zijn mentor aan, wachtende op de uitbarsting.

Tormod leek echter in gedachten verzonken en zei tenslotte : "Precies wat Líadán had voorspeld, die rare heks gaat nog eens gelijk krijgen. Dit ziet er niet best uit. Voor niemand niet. Goed, probeer de honden zodirect een spoor te laten vinden. Daarna moet de fik in de smidse. Zorg ervoor!"

"Yes Milord!"

Cearnaigh wist de boerderij probleemloos te vinden. Hij kon hem al onderscheiden in de verte, en schatte dat het nog een klein half uurtje reizen was. Onderweg hiernaar toe hadden een boel dingen de revue gepasseerd in zijn hoofd, en de blik in zijn ogen had steeds bangere trekjes gekregen. Het beangstigde Moirrey, vooral omdat hij in niets meer leek op de man die ze een paar postjes poosje geleden zonder problemen drie man zag doden.

"Maar belangrijker nog, zou er een kapspiegel in die boerderij verderop staan?"

Purificatie #12 - Stoelendans

Gezeten in zijn lemen hutje en lurkende aan zijn waterpijp, voorvoelde Ciarán de ge-dreadlock-de magiër plots de verstoring in de atmosfeer. ("Hee, verdomd. Een verstoring. In de atmosfeer.") Hij was zelf allerminst een lieverdje, maar dit waren elementen waar niet mee te spotten viel. Zonder ook maar een seconde te dralen stond hij op, en liep naar buiten richting zijn kampvuurtje. Daar bleef hij stil staan, spreidde zijn armen voor zich uit en tekende met wijdse armgebaren een groot vierkant uit, ter hoogte van het vuur. Hierbij prevelde hij : "Voor mij Uriël, vuur ontwaak!" Daarna tekende hij met zijn vingers een cirkel binnen het vierkant en stapte vervolgens in het vuur. De vlammen, gek genoeg, verschroeiden hem niet onmiddellijk, maar in plaats daarvan kronkelden ze langs zijn lichaam omhoog naar zijn kruin en dansten via zijn gezicht weer terug naar beneden, als hitsige paaldanseresjes richting zijn voeten. Dit proces herhaalde zich voortdurend, net zolang totdat hij volledig omhuld was door de vlammen.

Drie tellen later arriveerde er een muskusrat op het minikampement. Het diertje snuffelde onrustig aan de etensrestjes voor het vuur, terwijl zijn zwarte kraaloogjes alle kanten opschoten, en sprintte vervolgens de hut in. Daar bleef hij gedurende drie minuten binnen om er naderhand net zo snel weer uit te komen. Hij rende een paar zenuwachtige rondjes rond het kamp en eindigde weer bij het kampvuur. Stokstijf bleef hij staan, en staarde leeg in de knetterende vlammen, alsof hij deze wilde doorgronden. Ciarán voelde zich niet op zijn gemak, want alhoewel de vlammen hem niet verteerden - zelfs niet gloeiend heet aanvoelden - wist hij dat dit geen gewone muskusrat was.

Alsof het knaagdier door de bliksem getroffen was, zo snel stond het plotsklaps op zijn achterpootjes. Het bracht een schril, piepend geluid voort dat alsmaar aanzwol totdat het klonk als een nieuwerwetse vuurpijl die nog lang niet opgebrand was. Uiteindelijk werd de herrie overstemd door een veelvoud aan getrippel en gepiep van een groep nieuwe bezoekers. "Nog meer muskusratten, een stuk of twintig ......" Schatte hij in. De zangerige kreetjes van de muskusratten vloeiden naadloos in elkaar over waarna het wegstierf. Adagio.

Wat Ciarán de hele tijd al wist, werd nu realiteit. De eerste muskusrat begon te groeien en vreemde uitstulpingen tekenden zich duidelijk waarneembaar af op zijn lichaam. Weerbarstige haren vielen uit, zijn snuit trok zich terug in zijn gezicht, als een kale piemel in de koude November buitenlucht, en zijn korte voorpootjes strekten zich uit als roeispanen die hard aan het werk moesten. De rest van de muskusratten volgden hetzelfde voorbeeld, als een ensemble van dansers dat aan een nauwgezet stukje choreografie deelnam. Eén voor één toonden de muskusratten hun ware menselijke gedaantes, en uit hun bolle lijfjes kwamen schilden en zwaarden tevoorschijn.

"De soldaten van Koning Áengus, als ik het niet dacht! De illusie werkt dus duidelijk niet, en anders maar ten dele. Tijd voor actie, voordat ze allemaal getransformeerd zijn."

Hij spreidde zijn armen weer, zoals eerder, maar ditmaal vormde hij met woeste bewegingen een cirkel met daarbinnen een kruis en riep uit: "Door mij Uriël, geef!"

De vlammen begonnen onmiddellijk oncontroleerbaar om zich heen te grijpen en kregen een aantal soldaten te pakken die terstond het toneel gillend verlieten, terwijl het vlees op hun jukbeenderen begon te blakeren onder de plakkerige vlammen. Bij sommigen was de gedaanteverwisseling duidelijk nog niet compleet, aangezien zij met misvormde hoofden (en soms zwiepende staarten)piepend van de vlammen weg probeerden te komen.

Ciarán stapte uit de vlammen en keek de verbijsterde gezichten van de soldaten sardonisch aan. Hij gaf ze geen kans zich te hergroeperen en liep langs de dichtsbijzijnde soldaat. Tijdens het voorbijlopen leek het alsof hij de hals van de soldaat lichtjes toucheerde, die daarna prompt in elkaar zakte met een onnatuurlijk opzij geknakt hoofd, veroorzaakt door een gebroken nek. Alles ging heel snel nu. De resterende soldaten, nu ruw wakker geschud, stormden onwennig op de magiër af met geheven wapens.

Tevergeefs, zou blijken.

Purificatie #13 - Woningnood

De boerderij zag er vervallen uit. De begroeing rondom het erf woekerde vrijuit en gaf het een troosteloze aanblik. Deuren leken te bezwijken onder hongerig houtrot en hingen hevig protesterend in hun hengsels. Paden schitterden in hun afwezigheid, in plaats daarvan leek deze ruïne half verzonken te zijn in een zompig moeras. Een belachelijk grote adelaar doorkliefde krijsend de lucht boven hen. Desondanks leek Moirrey opgetogen, want wíe zou er nu aan denken om hen híer te zoeken?

Cearnaigh (Oggy, voor de loyale fans onder ons) wist echter wel beter. Hij vroeg Moirrey bij de ingang te blijven wachten, terwijl hij de bouwval aan een grondige inspectie onderwierp. In zijn ene hand wiegde nonchalant zijn trouwe bijl, en de andere hand stak hij voortdurend vooruit om de kapotte deuren opzij te duwen. Inmiddels was hij redelijk gewend aan het gewicht van de gietijzeren arm; het was de vorm ervan die hem hinderde aangezien strekken geen optie was. De boerderij zag er van binnen erger uit dan men van buitenaf zou vermoeden. Grote delen van het dak waren ingezakt, van een vloer kon men nauwelijks meer spreken en de natte stank was ondraaglijk. Vijf minuten later riep hij Moirrey naar binnen.

Eens te meer bleek dat Cearnaigh's behoedzaamheid gerechtvaardigd was. Moirrey kwam voorzichtig de achterste kamer binnen en zag dat Oggy geknield naast een hoopje kleren zat. Terwijl ze naderbij kwam realiseerde ze zich dat het geen kleren waren, maar een man die plat op z'n buik lag in een enorme plas bloed. En de man was er slecht aan toe. Zijn hoofd leek op een meloen waarop iemand meermalen onbeheerst met een bovenmaats mes had ingestoken, en zijn linkeroogbol -slechts verbonden met een dun vlezig draadje vanuit zijn verbrijzelde oogkas - keek hen beschuldigend aan vanaf de met bloed besmeurde vloer. Zijn linkerarm zag er onbruikbaar uit, mede door de rare hoeken die deze maakte. Overduidelijk op drie plaatsen gebroken. Zijn benen waren er erger aan toe, gezien de versplinterde staat waarin zij verkeerden. "Dit is de Uitbater." Fluisterde Cearnaigh terwijl zijn blik geen moment van de man week.

"Maar, maar ..... hoe kan dat? Hij zou hier pas over twee ......"

"Ssst. Laat hem eerst in alle rust sterven."

Het viel Moirrey nu pas op dat de laatste lichtval van de dag rechtreeks naar binnen kwam, via het grote gat in het dak. Recht boven de Uitbater. Deze probeerde zich voor de laatste keer op te richten, en uitte zijn schorre doodskreet: "Aye! Cnoc Ealachain!"

Moirrey zag het allemaal bedroefd aan. Maar de angst nam snel de overhand. Of hij nog iets van belang te weten was gekomen, vroeg ze hem. Cearnaigh drukte de ogen van de Uitbater dicht en vertelde haar dat de Uitbater op weg naar de boerderij was geweest. Ergens onderweg werd hij overvallen door woest uitziende wezens die sneller dan welk mens dan ook handelden. Dusdanig snel, dat hij nog geen glimp van hun kon opvangen. Alleen dat het nachtmerrie-achtige wezens waren geweest die zonder meelij op hem insloegen, krabten, en beten. Daarna zag hij enkel duisternis en deze werd eenmaal onderbroken door de vrije val die hij maakte, dwars door het dak van deze boerderij.

"Meer niet?"

Hij knikte bevestigend. En toonde haar daarop een medaillon aan een zwart koordje. "Op dit na." Alleen al ernaar kijken gaf haar de rillingen. Het kleinood had een vale groene gloed, terwijl het toch echt pikzwart was. De vorm had het meeste weg van een scarabee, het was echter een insect wat ze nimmer gezien had. "Wat betekent het?" Vroeg ze terwijl ze het antwoord eigenlijk niet wilde weten.

Cearnaigh antwoordde niet meteen, maar leek afgeleid door het gekrijs van de adelaar, die wederom het luchtruim boven hen doorkruisde. En opeens drong het tot hem door.

"HET IS EEN HINDERLAAG! GA LIGGEN ..... !"

Moirrey volgde zijn bevel niet meteen op, maar keek hem verbaasd aan. Een pijl stak dwars door haar hals en straaltjes bloed sijpelden er langzaam uit. Traag zeeg ze naar de grond. Oggy bedacht zich geen moment, bevestigde het medaillon aan zijn brede riem en rende naar buiten. Een troep van Koning Áengus' soldaten stond hem strijdlustig op te wachten.

Hun nachtmerrieachtige façade maakte ditmaal geen onderdeel van hun vermomming, wetende dat dit geen indruk meer zou maken. Cearnaigh concentreerde zich en gaf zich over aan zijn kronkelkramp. Deze kramp gaf hem angstaanjagende stuiptrekkingen, deed zijn lichaam uitstulpen op de raarste plekken en gaf hem een onmenselijk gezicht. Bovenal, het gaf hem een bovennatuurlijke kracht.

Hij stormde nietsontziend op de soldaten af en liet zijn bijl het werk doen. Schedels werden hoorbaar gekliefd, armen die krampachtig een zwaard of schild vasthielden, vlogen ontzet door de lucht en hijgende, inhumane kreten werden overstemd door de brullende, dierlijke geluiden die zijn keel voortbracht. Schuimbekkend stortten vele kadavers ter aarde. Botten werden misselijkmakend als harde noten gekraakt en de gietijzeren arm weerde vele venijnige aanvallen af. Zwaarden braken keer op keer als broos glas op het wendbare schild. Deze oneerlijke slachting duurde nog geen uur en de drassige grond voor de boerderij raakte bezaaid met menselijk, bloederig zaad.

Een dag reizen van de boerderij vandaan, in de torenkamer van Koning Áengus' kasteel, vloekte Líadán de heks hartsgrondig binnensmonds.

Purificatie #14 - Megasdeditas

Áengus, koning van het land, lag op zijn hemels bed alle rompslomp van de laatste tijd te overdenken. Maakte zijn hoofd leeg. Probeerde de materie tot hem door te laten dringen. Liet alle invalshoeken de revue passeren. Mediteerde dat het een lieve lust was. Dirigeerde zijn zeven chakrapunten bij elkaar. Oreerde complete citaten van Dionysius van Halicarnassus voor zich uit, realiseerde zich tegelijkertijd dat deze wellicht (nog) niet geboren was (noch Herodotus) en probeerde ten einde raad soelaas te vinden in de melodieuze, lyrische teksten van Dikke Dennis van Peter Pan Speedrock. Peinsde zich suf. Prakkeseerde een end weg. Gebruikte ezelsbruggetjes. Het viel hem bitter tegen. Het leek alsof zèlfs de meest oppervlakkige gedachtes aan de haal met hem gingen.

"Oké, iedereen nù opzouten!"

Met deze woorden stuurde hij zijn zesentachtig -koppige harem de slaapkamer uit en knoopte nijdig zijn broek dicht. "Dat gemiep ook altijd met die wijven ...."

Purificatie #15 - Losse eindjes

Ciarán(u weet wel, de ge-dreadlock-de magiër) klopte het stof van zijn mouwen en keek nog eens op naar het halfvergane geraamte van de soldaat voor zijn neus. Deze stond nog met een wapen in de aanslag, alsof hij maar niet wilde erkennen dat de dood allang ingetreden was. Het vlees droop, tezamen met zijn kleren, langzaam van zijn botten af en zijn kaken waren wijd opengesperd, ongetwijfeld om zijn strijdkreet te uiten. Zijn ogen echter, keken de magiër opperst verbaasd aan. Ciarán liet de soldaat voor wat hij was en beraadde zich op de te nemen stappen.

Terwijl hij zijn spullen bij elkaar zocht, overdacht hij de mogelijkheden. Dat Líadán ermee te maken had, was wel duidelijk. Ze hadden beiden tenslotte nog een paar oude rekeningen openstaan. "Maar waarom had de koning zich ermee bemoeid? Die zakkenwasser gaf alleen maar om zijn harem, sloten drank en zijn wapenverzameling. En waarom hadden ze slechts een paar sullige soldaten op hem afgestuurd?" Onderschatting, daar deed Líadán niet aan. Nee, dit was een afleidingsmanoeuvre. "Maar waarvoor?" En opeens begon het bij hem te dagen.

"O'Ciaragáin!"

Tachtig mijl noordwaarts informeerde Tormod bij zijn rechterhand Bricriu of de honden al iets van een spoor hadden gevonden. "N..nee Milord, niks tot dusverre, maar er is zojuist een bericht aangekomen. Van de koning zelve. De tweede hinderlaag is ook mislukt, dus we moeten ons nu richten op het rendez-vous punt." Tormod keek duidelijk geïrriteerd om en riep uit: "Mislukt!? Hoezo mislukt? Dus de Feòrichudh hebben gefaald? Dus die stomme, achterlijke wezens waren NIET in staat om een oude man een simpel amulet afhandig te maken!!!!? Dacht ik het niet." Tormod draaide zich kwaad om, Bricriu negerend, en bedacht zich het een en ander. De Feòrichudh waren inderdaad domme wezens, met een niet te stillen honger naar bloed, maar hier was overduidelijk sprake van opzet. Waarom zou Líadán anders doelbewust het medaillon in vijandelijke handen laten vallen? Het zinde hem niet, zoveel was wel duidelijk. Hij hield er niet van om gemanipuleerd te worden. Nugoed, het einde van dit schimmenspel kwam godzijdank in zicht.

"Dimmuhnallaidh! Verzamelen! We gaan!"

Gedurende de tijd dat de Dimmuhnallaidh zich haastig opmaakten voor hun volgende opdracht, visiteerde Líadán de koning in zijn slaapkamer. "Hoe sdaan wu errfoor, heks?" Lalde Áengus terwijl hij ruggelings de ornamenten van zijn plafond bewonderde. Ze kon die papzak al niet uitstaan, laat staan als hij dronken was. "Voorspoedig, mijn koning. Het zal niet lang duren voordat deze zaken tot het verleden behoren."

"En de barbaar? En de magiër?"

"Weten van niks. De Dimmuhnallaidh zal hun opwachten op het rendez-vous punt en de Feòrichudh staan wacht voor de poorten."

"Wat, hier!?" Áengus leek in één klap ontnuchterd. "Maar ... maar ... EN MIJN SOLDATEN DAN!?!?" Hij nam een spurt naar het raam.

"Hahaha, wèlke soldaten?"

Vanuit de slaapkamer had de koning prima zicht op hetgeen zich afspeelde voor de poorten van het kasteel. En inderdaad. Soldaten zag hij niet. Wel zag hij een tiental lichtbruine wezens, die op deze afstand veel weg hadden van poema's - maar dan te voet en met een mismaakt paardenhoofd - zich razendsnel tegoed deden aan bloederige resten die ze tussen de harnassen vandaan plukten. Eén van hen zat ogenschijnlijk te kluiven aan een menselijke voet, fijnproever als deze schijnbaar was.

Líadán kwam naast de verbouwereerde koning staan en kneep zachtjes in zijn billen. "Wat zijn ze toch rap, nietwaar? Wees gerust, de poorten zijn gesloten. Voorlopig. Maak je niet druk, Áengus. Voor je het weet is deze heisa voorbij." Ze verliet luidkeels lachend het vertrek, en riep hem na : "Neem anders nog een borrel! Whahaha!"

Iets beters kon Áengus inderdaad niet verzinnen op dat moment.

Purificatie #16 - Bijspijkeren

Dat rouwen.... dat viel hem zwaar. Dus deed hij dat ook maar niet. En toch .... trof het hem ditmaal zwaarder dan anders. Niet dat Moirrey de eerste vrouw was die hij had verloren, maar ze had duidelijk een onuitwisbare indruk op hem achtergelaten. Ze keek glazig naar hem op, terwijl de pijl als hendels van een goedkoop mountainbikestuur uit haar nek stak. Gekweld knielde Cearnaigh neer bij het ontzielde lichaam en bedacht zich dat het voordragen van een gevoelig, alleszeggend, alomvattend, zéér ráák geformuleerd, zinneprikkelend stukje poëma wel gepast zou zijn momenteel.

............

"Nèh."

In plaats daarvan rùkte hij een deel van het bovenstukje van haar jurk eraf, waardoor één van haar borsten werd ontbloot. "Hmm, nooit geweten dat ze zo'n zilver ding om haar tepels had? Achja, dit is natuurlijk haar rechtertepel." Daarna drukte hij haar ogen dicht en bekeek haar nog eens goed. "Ja, zo was het. Zo herinnerde hij haar zich." En met dat beeld in zijn achterhoofd begon hij met het graven van Moirrey's graf.

Nader onderzoek van de uiteengereten lichamen op het erf van de boerderij leerde hem dat deze soldaten geacht werden zich te verzamelen in een klein vissersdorpje, twintig mijl hiervandaan. Dat wil zeggen, nadat zij hun opdracht hadden voldaan. Een opgediept document, hoogstpersoonlijk ondertekend door Koning Áengus, sprak wat dat betreft boekdelen.

Het was een publiek geheim dat Áengus sinds tijden een enorme leerachterstand had.

Purificatie #17 - Ohaën ..

Ze lachte nog steeds hardop en haar krassend stemgeluid galmde door de enorme vertrekken die het kasteel rijk was. De bedienden kropen angstig bijeen en zochten heil in hun smoezelige bezemkasten. Líadán was oprecht geamuseerd, en niet in de laatste plaats door die imbeciel Áengus. Wist hij veel, wat hem betrof was dit mechanisme in werking gezet om hem te verzekeren van meer vrouwen, meer drank en meer tijd om zijn roes uit te slapen.

Dat dit akkefietje hen allen uiteindelijk oversteeg zou waarschijnlijk nooit tot die ene hersencel, diep verborgen onder dat duffe schedeldak, doordringen. De relevantie van een pofetie is op zijn minst belangwekkend te noemen, zeer zeker binnen de grenzen van een korte vertelling. Een profetie kan op zichzelf alleen al een doelstelling worden, noem het een leidraad voor eenieder die er geen brood meer in ziet. En in die geest is sterven niet noodzakelijkerwijs een onbetekenend iets, maar eerder een offerande aan een méér dan nobele zaak.

Althans, zoiets zou men zichzelf wijsmaken.

Een goed verstaander weet dat het daar allang niet meer om te doen is. Het enige wat telt is het vele nutteloze bloedvergieten, louter voor vermaak. "Vermaak is vermaak," Sprak de illusionist en besmeerde vervolgens met een welgemikt schot zijn requisieten met zijn eigen hersenpasta. En zij die overleven kunnen in de luwte van hun overlevingsdrang de meest onmenselijke beslissingen nemen, puur in het belang van het overleven. Líadán had die keuze al eerder gemaakt, toen ze destijds haar dolk in het weerloze kinderhoofdje wilde plantten.

Ook toen was er sprake van een voorspelling, en zag zij zich genoodzaakt om drastische stappen te ondernemen. Profeties zijn er nu eenmaal om vervuld te worden. "Voor je het weet is het een bende in dit land, willen gastarbeiders in het genot gesteld worden van rechten (waar ze uiteraard geen recht op hebben), of willen - godbetert - onderdanen hun zegje zonder scrupules kunnen doen! Stel je voor zeg, straks moeten we nog voor al die oudjes gaan zorgen! Ze mogen al blij zijn dat ze voorbij hun vierendertigste niet verder hoeven te leven met hun uitgeteerde lichamen."

Hoeveel had het gescheeld? Vijf centimeter? Twee centimeter. Het had uiteindelijk teveel gescheeld. "In ieder geval nèt genoeg, zodat die achterlijke barbaar Cjàir ... Cjòur .... Cjer .... (die barbaar dus) tussenbeide kon komen." De aangename rust van haar torenkamertje viel als een welkome lappendeken op een koude winterse Novembernacht over haar heen tijdens het betreden ervan.

Ze stond in elk geval op het punt om de hoofdhuid van het meisje als een Granny-Smith te schillen, toen die testosteronmongool het blijkbaar nodig vond om een mes tussen haar schouderbladen te werpen. "En dat alleen maar omdat hij de moeder van dat stomme wicht kende!" Nijdig keek ze naar de glazen bol op tafel (standaard uitrusting voor een doorgewinterde heks) en zag dat Koning Áengus weer aan het vomeren was. Of drank de boosdoener was, of zijn angst voor de Feòrichudh werd niet aanstonds duidelijk. "Slapjanus."

Nuja, van die profetie viel achteraf weinig te merken en haar wonde genas uiteindelijk vrij snel. Die brullende overstroming die zes jaar geleden verwacht werd laat nog altijd op zich wachten. Maar die barbaar had haar gedwarsboomd, en dat zinde haar niet. Dus werd het tijd voor een nieuwe invalshoek, en wat is er mooier dan een vloek waarvan je weet dat hij uit gaat komen? "Juist, dat je hem zelf uitspreekt."

Liefkozend liet ze haar vingers glijden over het Boek der Vileine Verzen, ooit gepikt van de aartsengel Michaël. Ze opende het gebundeld werkje en bladerde er doorheen totdat ze stopte bij een afbeelding van een medaillon.

Groen van kleur en geschapen in de vorm van een insect.

Purificatie #18 - Urk

Het had de magiër anderhalve dag te voet reizen gekost, maar het was hem niet aan te zien. Gedurende deze tocht was hij voornamelijk druk bezig geweest om dit complot te ontrafelen, en probeerde zichzelf waar mogelijk te vrijwaren van illusies. Diep in zijn hart had hij deze ravage al voorzien, maar desondanks deed het hem immens veel pijn. De smidse van zijn oude vriend was met de grond gelijk gemaakt, en de hoop dat O'Ciaragáin eventueel nog in leven zou zijn liet hij langzaam varen.

Het was ontegenzeggelijk waar dat ze elkaar minimaal tien jaar lang hadden ontlopen vanwege die slepende ruzie. En dat speet hem, achteraf gezien. "Ongetwijfeld dat zijn drankprobleem en mijn excessieve drugsmisbruik daaraan zijn gerelateerd. Of heb ik dat nu altijd al gedaan?"

Ciarán stak een pijpje tjokvol exotische bladeren aan, om beter na te kunnen denken.

Scherpe rook kringelde ongeduldig omhoog en verdreef de stank van rottende bladeren en verbrand metaal uit zijn neusgaten. Hij inspecteerde de zwartgeblakerde grond in de hoop iets van een aanwijzing te vinden. Na niet al te lange tijd viel zijn oog op een lapje stof dat onder een enorme stenen gevaarte uitstak. "Dat stenen geval moet de schouw zijn," Concludeerde Ciarán. Dichterbij gekomen realiseerde hij zich dat hij zojuist O'Ciaragáin had gelokaliseerd. Dat wil zeggen, wat ze van hem hadden overgelaten.

En dat was niet veel.

Hoogstens wat verschroeid vlees en afgeknaagde stukjes bot, verder kwam hij niet. "Wat was die heks toch van plan?" O'Ciaragáin deed nog geen vlieg kwaad, althans, niet meer zover hij wist. Terwijl hij het terrein rondliep op zoek naar meer aanwijzingen, kwam hij een enorme hoeveelheid sporen tegen die hier niet thuishoorden. "Hmm, een heleboel laarsafdrukken - geen standaard soldatenuitrusting - van wat zwaargewichten, een drietal stevige honden (nondeju, en ik HAAT honden)" .... en wat is dit?" Nieuwsgierig bekeek Ciarán het rode lint dat hij behendig met zijn wandelstok van de grond plukte.

"Dimmuhnallaidh!"

"Posities innemen!" De krijgers reageerden routineus op de commando's en verschansten zich op allerlei strategische plekken die duidelijk van te voren waren afgesproken. Tormod ging alle uitvalsweggetjes van het vissersdorpje Inbhàr na in zijn hoofd en riep Bricriu bij zich. "Yes Milord?"

"Luister, neem vijf man onder je hoede en ga ALLE huisjes langs, schop de mannen lens, neem - indien aanwezig - hun wapens af en dit keer GEEN groepsverkrachtingen ja! Ik heb geen zin meer in dat gesodemieter met afgebeten piemels, zoals de vorige keer. Ik wil dat dit uiterst geconcentreerd afgehandeld wordt. Oh, en neem die klotehonden mee!"

"Yes Milord!"

Het zat Tormod nog steeds niet lekker. Wàs er eigenlijk wel iemand die wist wat Líadán van plan was? "Of worden we allemaal als hersenloze stukken vlees richting de gloeiend hete grill gedirigeerd?" Allemaal triviale vragen, maar vooralsnog geen antwoorden.

Zo'n vier mijl verwijderd van Tormod en zijn overpeinsingen zag Cearnaigh, gezeten op zijn trouwe ros Kyme, een vissersdorpje in de verte opdoemen.

Purificatie #19 - Flikflak

De penetrante vislucht maakte hem hongerig, wat an sich niet verwonderlijk was. De laatste keer dat vers voedsel zijn smaakpapillen beroerde was alweer een poosje geleden. Barbaars van aard als hij mocht zijn, malende was hij zeker niet. Die drukkende stilte rondom het vissersdorpje Inbhàr voorspelde niet veel goeds, en al helemaal niet wanneer deze stilte op vijfhonderd meter afstand waar te nemen viel.

Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan oogde vermoeid. De koperachtige smaak van bloed in zijn mond leek voor zijn gevoel niet weg te spoelen. Met nog geen twintig kruiken mede. De vele sneeën waarmee zijn beursgemepte lichaam bezaaid was jeukten onder de hete woestijnzon. De gietijzeren arm leunde zwaar op zijn dijbeen en hij had moeite met focussen. Vrijwel ongemerkt was er een raspende piep in zijn adem verschenen, als een ongewenste bezoeker. Kyme, zijn trouwe metgezel en tevens verantwoordelijk voor het algehele transportwezen, leek solidair met zijn eigenaar en sjokte lusteloos richting de vislucht.

De aanval op zijn persoon kwam sneller dan verwacht.

De Dimmuhnallaidh waren van huis uit geslepen krijgers. Kyme kreeg geen kans om zijn baas te waarschuwen, maar werd tweehonderd meter buiten het dorpje belaagd vanuit vernuftig gegraven gaten in het woestijnzand. Zonder mededogen werd er van vier verschillende kanten op het eens zo machtige paard ingehakt, waarbij zijn benen het voornaamste doelwit waren. Deze bleken uiteindelijk geen partij voor de hoogstaand kwaliteit dai-katana's waar de Dimmuhnallaidh standaard mee uitgerust waren. Een paar gerichte zwaaien en het dier zeeg aangeslagen naar de grond. Oggy had het even te druk om een aantal fluitende pijlen te ontwijken, maar wist van zijn vervoersmiddel te springen voordat hij beklemd zou raken onder het massieve gewicht. Wakker geschud door zijn immer aanwezige bloeddorstigheid stortte hij zich brullend op de dichtsbijzijnde belagers.

Lichtelijk verbaasd, maar toch enigszins opgewekt bemerkte hij dat hij met goed geoefende krijgers van doen had. Zijn uitval naar de eerste de beste vijand werd vrij gemakkelijk gepareerd en de krijger beantwoordde deze met een verrassende tegenaanval. Bij het afweren maakte deze tegelijkertijd een sprong met een halve schroef en raakte Oggy vol op zijn neus met zijn linkerhak. Deze brak hoorbaar zonder opgaaf van reden. Oggy veegde de opwellende tranen uit zijn ogen en bedacht zich ; "Geeft niks, da's niet de eerste keer dattie breekt." De volgende machtige zwaai van Oggy's bijl raakte wederom geen Dimmuhnallaidh-krijger, maar daar was het hem niet om te doen. In plaats daarvan sloeg hij de steunplank waarmee de krijger zich in het gat had verschanst, aan gruzelementen. Verbaasd zakte de krijger meteen borstdiep weg in het mulle zand. Hij kreeg geen kans om eruit te kruipen, mede dankzij de neersuizende gietijzeren arm die zijn gezicht met één klap tot een tot pulp geslagen pompoen degradeerde.

De overige drie aanvallers pakten het wat doortastender aan. Eén van hen sprong op zijn nek, en de andere twee probeerden hem waar mogelijk te steken met hun hongerige zwaarden. Cearnaigh, toch een redelijke kop groter, draaide zich bruusk om met de krijger in zijn nek, hem daarbij als schild gebruikend voor de immer rondvliegende pijlen. Meerdere troffen doel, waarvan één zijn weg vond naar het glasachtig lichaam van de krijger, via zijn oor. De pijlpunt stak als een vreemdsoortig prothese door de iris naar buiten. Met een zwaai van zijn linkerarm kraakte hij het hoofd van één van zijn tegenstanders als een beschimmeld ei. Met zijn rechterhand liet hij de bijl los, trok het bloedend speldenkussen van zijn rug en smeet deze richting de derde aanvaller. Deze wist de krijger nog te ontwijken, de welgemikte stomp op zijn middenrif van de gietijzeren sloper niet. Zijn ribbenkast bezweek vrijwel onmiddellijk onder de linkse directe - ongeveer gelijkwaardig aan de massa van een aanstormende boemeltrein - en spietste voorts zijn hart en zijn rechterhoofd-bronchus aan de vrijgekomen botscherven. Op zijn hoede draaide hij zich om en zag de resterende Dimmuhnallaidh voorzichtig naderen.

Een vreugdeloze lach kroop omhoog in zijn keel.

Purificatie #20 - Puravitta Noni

Ciarán (Die met die dreads! Let dan ook eens op!) was er inmiddels zeker van. De Dimmuhnallaidh had hier flink huisgehouden, en waren daarna verder getrokken. De restanten van O'Ciaragáin en zijn smidse zouden geen verdere aanwijzingen meer opleveren. Voor Ciarán bleven er nu twee opties open. Òf het spoor van een stel bloeddorstige krijgers volgen - en dus tegelijkertijd het spoor van die walgelijke kuthonden - òf zich rechtstreeks naar het kasteel van Koning Áengus begeven, daarbij het risico lopende dat hij Líadán persoonlijk zou treffen. Wat op zich wel weer gunstig zou zijn, want per slot van rekening was zij diegene die subiet voor opheldering kon zorgen.

Eigenlijk een keuze van niks.

Oggy had de situatie redelijk op waarde geschat. Slechts een kwestie van vele jaren praktijkervaring. Eén georganiseerde groep, zestien man totaal. Eén leider, soeverein achterin staand met de armen over elkaar. Het onderkruipsel naast hem met die drie aangelijnde honden moest ongetwijfeld zijn rechterhand voorstellen. "Waarom hebben die gasten toch altijd een rechterhand? Waarschijnlijk om hem zo nu en dan uit te kafferen of een schop onder zijn hol te geven. Het blijft een vreemd gegeven, dat 'macht' uitoefenen."

In de zogeheten 2-4-4-2 formatie vielen de Dimmuhnallaidh aan. De buitenste, en tevens achterste twee krijgers bleven aan weerszijden van hun leider staan, met gespannen bogen in de aanslag. Oggy koos de weg van de meeste weerstand, namelijk recht door het midden, en dat was wel het laatste wat ze hadden verwacht. Tòch hervonden zij zichzelf verbazend snel. Oggy plantte zijn bijlblad probleemloos in de borstkas van de eerste man, dwars door zijn uitrusting heen. Tijd om te kreunen kreeg deze niet. Krijger nummer twee stak toe, en trof doel. Het ogenblik daarop werd hij drie meter achterover geworpen, met een hoofd dat overduidelijk niet meer in verbinding stond met het moederlichaam. Slechts het slappe nekvel ertussen zorgde ervoor dat zijn hoofd niet als een lekke skippybal terzijde werd gesmeten. Een machtige zwaai van de gietijzeren arm was daar debet aan.

Met een grimas trok Oggy de dai katana uit zijn ribbenkast en gooide deze als een dartpijl richting een groepje van vier. Bloed stroomde als een lek pak vruchtensap uit zijn gehavende zijde. Uit het groepje bracht een van hen zijn handen gillend naar het gezicht, waar de dai katana als een weerbarstig verjaardagsvlaggetje uit de frontalis stak. Met een voorwaartse sprong belandde Oggy bovenop de overige drie schelmen, pakte twee willekeurige hoofden vast en ze sloeg luid lachend hard tegen elkaar. Dit bracht een misselijkmakend geluid voort, alsof er twee stukken halfbevroren vlees tegen elkaar aan gemept werden. Een andere aanvaller trok hij naar zich toe, nam hem in een houdgreep en stampte deze meermalen op de rechterknie. Deze brak als een rot twijgje en nam een vrij onnatuurlijke houding aan. Een houding waarbij verder lopen niet meer tot de mogelijkheden behoorde.

Zes man waren dicht genoeg genaderd en besprongen hem gedecideerd. Sloegen, schopten en prikten hem waar mogelijk. Oggy werd vaak geraakt, maar nooit levensbedreigend. Een strategisch geplaatst menselijk schild weerhield hen daarvan. Tormod, zijn handen inmiddels zenuwachtig in elkaar verstrengeld, keek toe en vertrouwde er niet op.

"Laat de honden los, Bricriu! Die barbaar mag niet de bovenhand krijgen!"

"Weet u dat zeker, Milord? Ze zijn eigenlijk verre van kieskeurig ....."

"DOE HET!!"

Bricriu liet de honden los, en de krijgers aan weerszijden van hen keken gespannen toe, hun bogen continue op scherp. Luid jankend en opgehitst door de geur van vers bloed renden de honden op de vechtende kluwen af. Twee honden besprongen gelijktijdig een krijger en beten hem voorts in zijn gezicht en zijn hand. De derde viervoeter eindigde uiteindelijk bij het menselijk schild en begon als een bezetene aan diens grotesk uitziend been te knagen.

"GODVER!"

"Ik had u van te voren gewaarschuwd Milord, die beesten ...."

Verder kwam Bricriu niet, mede dankzij het overheersende gorgelen dat zijn zojuist doorgesneden keel voortbracht. Tormod trok geïrriteerd zijn mes uit de nek van zijn ex-medewerker en keek minachtend toe hoe deze met verbazing in zijn stervende ogen ter aarde stortte. Hij wachtte niet totdat zijn voormalig schoothondje de geest gaf, maar draaide zich om naar zijn boogschutters. "Jullie, vuren maar!" Beval hij hen.

"Maar ....maar , en onze makkers dan, Milord?"

"NU, OF JULLIE EINDIGEN OOK ZO!!" Schreeuwde Tormod buiten zinnen terwijl hij Bricriu aanwees die niet-begrijpend omhoog keek, alsof hij de diepblauwe lucht voor het eerst in zijn leven aanschouwde. Dik, bijna zwartgekleurd bloed liep gestaag uit zijn keel, omhulde hem als een streeploze plaid. Meer aansporing hadden ze niet nodig, en zo goed als het kon probeerden ze de barbaar te raken. Tormod besteeg zijn paard en verliet gejaagd het strijdtoneel. In het voorbijgaan zag hij nog net hoe Cearnaigh met onverholen plezier zijn bijtgrage bijl het werk liet doen. Een eens zo trotse Dimmuhnallaidh-krijger rende panisch gillend en zonder duidelijke bestemming rond, achterna gezeten door twee blaffende mastiff's. Een reep bungelend vlees over de lengte van zijn gezicht wapperde obsceen op en neer terwijl hij een veilig heenkomen zocht. Een verdwaalde pijl trof een van de honden, en nagelde zijn kaken aan elkaar vast. Toch hield het beest niet op met rennen.

Smekende gilletjes begeleidden Tormod terwijl hij feitelijk het hazepad koos, maar een bulderende lach voerde duidelijk de boventoon. Die lach veranderde zijn adrenalinepompend bloed in ijswater. Want die lach,

... dat was de lach van een barbaar aan de winnende hand.

Purificatie #21 - Gerrit de postduif

Cearnaigh Oigthierna van de MacGeoghegan-clan was duidelijk in zijn element. Zonder mededogen hakte, brak en sneed hij zijn tegenstanders in ondefinieerbare brokstukken dat het een lieve lust was. Grimmig lachend realiseerde hij zich dat deze groepering zonder leider niets voorstelde. Mèt leider waarschijnlijk ook niet, maar dat viel inmiddels niet meer te controleren aangezien deze tot een bleek stipje aan de horizon was gereduceerd. Een reusachtige adelaar vloog luid krassend over hen heen. Oggy keek hem met licht gevoel van déjà vu na, en wendde zich toen tot de laatst levende vechtersbaas die zich onvrijwillig op de grond onder zijn zware, bloedbesmeurde bijl had genesteld.

Terwijl hij met zijn voetzool nadrukkelijk de broze luchtpijp van de angstige krijger beroerde, vroeg hij deze waar zijn baas zo snel naar toe aan het galopperen was. De krijger, die bijkans probeerde ruggelings zo diep mogelijk in het mulle woestijnzand weg te zinken om maar weg te komen van die dwingende voet op zijn adamsappel, antwoordde dat die waarschijnlijk op weg was naar het kasteel van Koning Áengus. En vroeg en passant of Oggy zijn voetzool ietsjes wilde verschuiven.

Welwillend draaide Oggy zijn hak met een ferme ruk in een hoek van vijfenveertig graden, alsof hij een smeulende peuk uitdrukte.

Het strijdtoneel overziend kwam Oggy tot de conclusie dat hij haast moest maken. Die vluchtende leider zou verslag gaan uitbrengen, die trol Líadán zou uit haar vel springen en zich beraden op een duivelse tegenzet. Al dan niet met de hulp van drankorgel Áengus. Of iets dergelijks. Onwillekeurig gleden zijn vingers even naar het medaillon dat hij aan zijn riem had vastgeknoopt, huiverde even en onderdrukte de opwelling om het ding ver van zich af te smijten.

Kyme, zijn trouwe ros, was niet meer. Hij gaf zijn laatste vriend in deze wereld een aai, en zadelde een van de Dimmuhnallaidh-dravers op. Ongeduldig veegde hij iets vlezigs weg dat even daarvoor zachtjes kraakte onder zijn voeten. Hij dacht dat het een stuk hand was, maar zeker weten deed hij het niet. De ondervraagde krijger zat nog na te gorgelen, alsof er een kippebotje overdwars in zijn strot zat en gaf bloed op. Oggy besteeg de Gypsy Cob, gaf een ruk aan de teugels en liet de man rustig verder gorgelen.

"Go lagaí galar tógálach do chroí!!!" (iets met iemand iets vervelends toewensen red.)

Voorhistorische erlenmeijers vlogen dwars door het vertrek, sloegen aan diggelen op de massief houten werktafel, meerkleurige poeders dwarrelden vrijuit in de lucht en vermengden zich met mistig, vrijgekomen, fijndruppelig vocht.

Prònnasg, de reausachtige adelaar keek beduusd vanaf zijn zitstok naar zijn meesteres, alsof hij hiermee wilde aangeven dat hij ook maar een boodschapper was. Líadán zag dat haar zorgvuldig geplande meesterzet behoorlijk werd doorkruist. "Het medaillon is eindelijk op weg hiernaar toe, maar het was geenszins de bedoeling dat die barbaar het kwam brengen, verdomme! Damnú air! En zodirect arriveert Tormod, ZONDER medaillon!"

"Ik had de Feòrichudh vooruit moeten sturen, maarja, da's allemaal kul achteraf."

Een hels kabaal aan haar deur deed haar opkijken uit haar beslommeringen. "HEEEJ, LIAAAdzAAn!! Hepju wazzedoen? Latzenm wu un béétje kletsuh, jeweetzwel. IK WORDZ GEK! fan dat dommuh ggg.gegiebl fan diezztommu wijvn hiero! " Om zijn woorden kracht bij te zetten bonsde Áengus meermalen op de deur.

"Waarom, wáár-òm, maak ik hem niet NU af!?" Bedacht Líadán zich furieus. Opgezette adertjes leken zich af te tekenen op haar gezicht, dat eerder leek op een verwrongen masker. Prònnasg zat onrustig op zijn zitstok heen en weer te wiebelen, startklaar om bij het minste geringste uit het raam te vliegen. "Omdat er een betere manier is, en dat is een kwestie van tijd .... Daarbij, de magiër is ook op weg, dus dat is gunstig." Fluisterde ze zachtjes, hiermee haarzelf tot kalmte manend.

"Ik kom eraan, mijn vorst!" Sprak ze zalvend door de deur

Purificatie #22 - Dubbel!

Hooglijk verbaasd keek Koning Áengus omlaag naar de langwerpige dolk, ingelegd met prachtig zuivere edelstenen en gezegend met een lemmet van minstens vijfentwintig centimeter lang. Althans, zulks nam hij maar aan. Een centimeter of vijf van het nakende lemmet - meer zal het niet geweest zijn - toonde zich triomfantelijk op wat eens zijn machtige, koninklijke pens geweest moest zijn. Eventuele aanwezige dronkenschap was spoorslags verdwenen. Zijn kleding begon al zwaarder aan te voelen door het gestaag stromende plasma. De koude sensatie van de stenen vloer tegen zijn billen gaf hem de indicatie dat hij op zijn rug lag, in een steeds groter wordende plas bloed. Hij probeerde zich op te richten, maar een stekende pijn rondom zijn navel verhinderde dit. Een natte kuch rolde omhoog en bloed spatte uit zijn mond. Z'n ogen tolden weg, zodat alleen het wit ervan onder zijn oogleden zichtbaar werd.

Koning Áengus stierf uiterst zwijgzaam en liet ongewild een vochtige scheet.

"Een verre van vlekkeloze uitvoering van een weldoordacht plan, maar het is niet anders." Líadán bekeek de bloederige vetvlek met diepe minachting en betreurde haar eigen gebrek aan geduld. "Hij was dronken en handtastelijk, maar hij had niet door mijn hand moeten sterven. Geeft verder niks, dit vereist slechts een kleine aanpassing van het originele plan." Met opvallend veel kracht tilde ze de dode papzak uit het raam en liet hem laconiek tussen de Feòrichudh vallen. Hongerig wierpen zij zich op het lijk en deden zich tegoed aan de vele vetrandjes. Peinzend liep ze terug naar het midden van het vertrek en beraadde zich op de uitkomst van deze feuilleton.

Líadán bekeek zichzelf nauwgezet in de spiegel en prevelde haar eeuwenoude, raadselachtige bezweringen.

"elken avond giet ik nen bak bier door m'n keel
ik mut maar één pint drinken of mijn ogen staan al scheel
maar denkt na zekers ni da'k daar voor schreeuw
want voor elke frisse pint zien kik er twee

'k zien alles dobbel,
'k zien alles dobbel,
en da komt ni door mijne wiskundige knobbel

ik zen oep school nooit gene krak in rekenen gewest
voor aftrekken en delen wazze kik altijd geflest
met oeptellen verloor ik mijnen tel
maar vermenigvuldigen met twee da kon ik wel

'k zien alles dobbel,
'k zien alles dobbel,
en da komt ni door mijne wiskundige knobbel

ik zen kik gisterenavond nog eens naar mijn lief gegaan
die zegt altijd da'k ni mag drinken maar daar trekma niks van aan
en gisteren dacht ik: waaaaw wat een wijf
mijn lief die hee vier beursten aan heur lijf"

Krap tien minuten later keek het perfecte evenbeeld van Koning Áengus grijnzend vanuit de spiegel terug. "De metamorfose is gelukt! Hah! Ik heb zelfs zijn dikke pens!"

Purificatie #23 - Vivarium

Tormod gaf zijn paard er flink van langs hopende de heks zo snel mogelijk in te kunnen lichten. Zijn mannen waren overduidelijk kansloos geweest tegen die gewetenloze barbaar, en dat wekte geen vertrouwen voor de nabije toekomst. Terwijl het kasteel in zicht kwam, maakte zijn maag een ongemakkelijke koprol, leek wel. Tormod bemerkte iets bij zichzelf wat hij sedert tijden niet meer gevoeld had. Pure doodsangst.

De laatste keer dat hij daardoor bevangen werd, was inmiddels alweer méér dan twaalf jaar geleden. Hij herinnerde het zich echter als de dag van gisteren. Koning Áengus, die laffe dreutel, had hem tezamen met vier andere krijgers voor een simpel karweitje op pad gestuurd. Verre van simpel, zou achteraf blijken.

Het ene moment draafden ze allen nog vrolijk lachend over een smal bospaadje, vastbesloten om diezelfde avond vele liters drank soldaat te maken evenals wat overtollig zaad te lozen, het volgende moment keek hij - vastgesnoerd op een smoezelige ebbenhouten tafel - midden in het gezicht van het pure kwaad. Het kleine houten huisje (althans, het behaaglijk knapperend haardvuurtje en de aandoenlijk gekleurde motieven op de dichtgeslagen gordijntjes gaven hem de impressie dat hij zich binnenshuis bevond) had meer weg van een amateuristisch abattoir. Zijn vier maten hingen aan in het plafond verankerde vleeshaken, en sommigen waren al voorbewerkt. Twee losgehakte hoofden - uit één daarvan stak nog een groot vleesmes - keken hem verwijtend aan van een tafeltje naast hem, en een werkbank tegen de muur lag vol met ondefinieerbare, vleeskleurige hompen. Eromheen verspreid lagen allerlei kleine, witte dobbelsteentjes. Tot zijn afgrijzen realiseerde Tormod zich dat dit tanden waren.

Alsof het bijna niet erger kon, prevelde de donkere man met het normale postuur en de geknoopte haren precies op dat moment : "U ziet, het lijden manifesteert zich in vele vormen ... En uw lijden zal voortaan bestaan uit een eindeloze herhaling van al wat u aanschouwd heeft vandaag. U zult baden in uw eigen stinkende zweet zodra de angstdromen u s'nachts visiteren. Dit is een reminiscentie die u nimmer zult kunnen verdringen, net zoals ik uw gezicht nimmer zal vergeten, net zo min als u de mijne ......." Zijn ogen, bloedrood, keken hem honend aan, leken hem te verzwelgen.

"Ga nu heen, en vertel uw koning maar dat de godendrank NIET te koop is!" Terwijl zijn kringspier dienst weigerde en aldus de dunne stront de tafel ruikbaar bevloeide, zag Tormod dat het gezicht van de donkere man begon te vervormen. Een huivering kroop van zijn kruin naar zijn kringspier en voordat hij flauwviel begreep hij nog net waar man's gezicht in veranderde. Een reusachtige, nachtmerrieachtige hagedissekop.

Hij vermande zich, slikte de prop watten in zijn keel weg en spoorde zijn ros nog eens aan.

Veel viel er verder niet te vertellen. Hij werd een dag later voor de poorten van het kasteel gevonden, verregaand bevuild en naakt, rillend als een angstig veldmuisje. Het had hem jaren gekost om over zijn trauma heen te komen en schopte het uiteindelijk zelfs tot leider van zijn geliefde Dimmuhnallaidh. Koning Áengus