|
Voor zover ik mij kan herinneren ben ik altijd al driftig geweest. Dat
onwaardige sujet met mondkapje, die de gore moed had mij een pets op
mijn achterwerk te verkopen, terwijl ik luttele seconden daarvoor nog
warm en beschut in mijn vochtige holletje zat, wens ik nog altijd tot
in de lengte der dagen een hardnekkige galsteenkoliek toe. Als dat
warme moederding met die zachte vleesbergen mij niet had gekoesterd,
had ik zeker weten gepoogd zijn neusgaten vol te pissen. Ook al hing ik ondersteboven.
Voor de rest van mijn zuigelingentijd schoot het ook
niet op. Een hoop onmacht, schrijnende billen, bemoeizuchtige
vrouwmensen en ladingen smerig voedsel waar ik nooit om had gevraagd.
Enfin, ik vertel u niks nieuws, mag ik aannemen.
Op de lagere school ging het al niet veel beter. Meer dan eens
verzochten mijn "klasgenoten" mij de watertemperatuur van het
gemeenschappelijke closet te meten, van binnenuit. Bijkomend voordeel
daarvan was weer dat ik mijn dagelijkse lunchpakket uit diezelfde
retirade kon vissen. Met mijn tanden.
Nee, echt op m’n gemak voelen tijdens die periode,
dat kwam er amper van. En omdat ik merendeel van de tijd binnenshuis
spendeerde, was het niet meer dan logisch dat ik mijzelf stortte op m’n
meest voorname hobby: de wetenschap.
Biochemie, daarin kon ik veel van mezelf kwijt. En waarom? Wie zal het
zeggen, misschien omdat ik tot op dat moment kwaad was op alle
sociaalgerichte organismen waarvan de mens mijn minst favoriete was. Ik
weet nog goed dat de buurvrouw bij mijn vader kwam klagen, omdat ze
haar geliefde Tobias (Abessijn, katachtig, vrouwelijk, abrikoos, driedubbele zwarte bandenmarkering, zeer agressief)
al dagen kwijt was en haar zopas achter één van onze ramen meende te
ontwaren. Onzin natuurlijk, sinds ik subject #5124D de dag daarvoor
succesvol had gekruist met subject #5226P (Tibetaanse Mastiff, Canis familiaris, mannelijk, zwart met witte bef, overdadig aanhankelijk), dus dat was pure stemmingmakerij van haar kant. Hersenspinsels, meer niet.
Een dag later kwam mevrouw de Smeedt aankakken, uiteraard met hetzelfde verhaal. Idioten zijn het.
Mijn vader liet het wel uit zijn hoofd, een
dergelijke zaak bij mij na te vragen. Mijn vader, die was een beetje
bang voor mij, en daar had dat litteken boven zijn rechteroog alles mee
te maken. Zo gek is dat niet. Ik wilde chocoladekoekjes, geen bord vol
laffe peultjes. Toen het er naar uitzag dat het pak koekjes gesloten
zou blijven voor de rest van de dag, wierp ik mijn vork. Beste worp
ooit, zou ik nooit meer evenaren, sinds ik “sport” in al zijn vormen
haatte – jammer genoeg trof ik slechts zijn wenkbrauw. Nadien liet hij
mij met rust.
Biochemie dus. Wat zal ik zeggen. Liefde, nee, liefde voelde ik niet
voor mijn creaturen. Eerder een soort … verwantschap. De
geestesgesteldheid van de ware verschoppeling. Evengoed, ik kon mij er
prima mee uitleven. En het stemde me tevreden. Tegenwoordig noemt men
het met een mooi woord “genmanipulatie” of “moleculaire genetica”.
Puur haantjesgedrag, meer niet.
Ik kan in elk geval gerust beweren dat mijn
liefhebberij me door de jaren heen sleepte, want ook mijn middelbare
schoolperiode kende zijn kartelrandjes. Meer van hetzelfde: nog altijd
wilden mijn "medestudenten" weten wat de gevoelstemperatuur was van het
water in het closet, een hoop pukkels, foute kleding - mijnerzijds,
bleek veelal -, vuile onderbroeken, te grote onderbroeken, lelijke
onderbroeken en een aanhoudend geval van krentenbaard. De korsten
wisten van geen wijken. Dat de andere sekse nauwelijks tot geen
interesse in mij toonde, mag evident heten.
Ik richtte me geheel op mijn schoolprestaties,
haalde daar de hoogste score ooit en besloot Technische Natuurkunde te gaan
studeren. In de vrije uurtjes bekwaamde ik mijzelf in de leer van
kernfysica. Ik betrok een flatje, niets bijzonders. Niemand zocht me
op, niemand nodigde me uit. Drinken deed ik niet en ik sprak zelden
iemand, tenzij je de caissière van de supermarkt meerekende. Mijn
ouders stierven terwijl ze op vakantie waren aan een
voedselvergiftiging en ik nam naderhand niet de moeite om ze over te
laten vliegen. Ze werden ter plekke begraven.
Ameland, geloof ik.
Van de buurvrouw kreeg ik een puppy uit een nestje,
anders zou ze die beesten toch maar verzuipen. Het was een leuk ding,
maar ik kwam nooit toe aan het verzinnen van een passende naam.
Voordien had het beest mijn favoriete stoel al ondergescheten. We
besloten uit elkaar te gaan - ik mijn miezerige flat, hij op de bodem
van het meertje een paar kilometer verderop. Ik besloot het erbij te
laten, voor mij geen gezelschap meer.
Mijn studieperiode was in die zin uitstekend dat mijn klassikale
collega’s mij links lieten liggen, een willekeurige aframmeling
daargelaten. En natuurlijk sloeg ik wel eens terug, maar dat moest ik
vrijwel altijd bekopen met een bezoek aan de campusarts. Die overigens
net zo goed een hekel aan mij had. Men vroeg mij wel eens waarom ik
altijd zo korzelig keek. Ik antwoordde daarop dat het leven één grote
aaneenschakeling van ellende was, met zo nu en dan een explosie van
uiterste rampspoed. Er was weinig reden tot optimisme.
Afstuderen was een eitje; had het gekund, was het summa cum laude
geweest – nu moest ik het slechts doen met “lof”. Een passende baan
vinden bleek evenwel onmogelijk. Ik koos voor accounting.
Domme zet.
Vijfenveertig jaar later mocht ik eindelijk met pensioen. Elke dag
hetzelfde, tergende ritme. Dezelfde collega’s, dezelfde lunchpakketten.
Dezelfde instant-koffie. Oh ja, en cijfers, cijfers, en nog eens
cijfers. Ik kon het destijds niet opbrengen een andere betrekking te
zoeken. De regelmaat, hoe gezapig en ongeïnspireerd ook, beviel me wel.
Daarbij, elke poging tot afleiding leek gedoemd tot mislukken.
Vakantie? Eén en al ergernis. Kotsende Engelsen, schreeuwende koters,
gebrekkige service en kwalijke accommodaties. Nee, regelmaat had ik
nodig.
Die moest ik nu zelf zien te vinden. Mijn collega’s
scheepten me af met een rieten mand, gevuld met diverse
koffie–en-theesoorten en een kaartje: “Flikker op en blijf weg.”
Zodra mijn pensioen aanbrak, ontving de leegte mij
als een donker wak. Ik probeerde te tuinieren, maar een tuin had ik
niet. Ik dacht aan de bridgeclub, maar ik realiseerde mij dat ik de
mensheid nog altijd oprecht haatte. Laat staan kaartspelletjes. Ik ging
naar de platenzaak om een mooie platencollectie op te bouwen, maar ik
verdroeg die herrie niet. Ik waagde mij wel eens aan een potje
biljarten in het café, maar het verlies greep me bij de strot. De
constante sigarettenrook trouwens ook. Ik keerde huiswaarts, bleef daar
en besloot mijn oude liefde op te pakken. Kernsplijting, daar zag ik
veel speelruimte in.
Inmiddels sta ik op het punt om de bestaande set regels aan te passen.
Een beetje spelen met beryllium en deuterium, uit de losse pols
hannesen met de zogenaamde kritische massa en voilà: dit massieve
apparaat, dat ik de “Plooibewerker” zal noemen, zal ervoor zorgen dat
ik nooit meer boos hoef te zijn. Zo dan, één druk op de knop, en over
een paar seconden zullen al mijn zorgen weg zijn. Alle kwaadaardige
elementen zullen hiermee uit de samenleving gesneden worden.
…
Eh, … wacht ee-
|